e-Evidence richting 18 augustus 2026: minister over de gemiste richtlijndeadline, de reference implementation software en handhaving

Op 26 mei 2026 heeft de minister van Justitie en Veiligheid, D.M. van Weel, de nota naar aanleiding van het verslag bij het wetsvoorstel Uitvoeringswet elektronisch bewijsmateriaal aan de Tweede Kamer aangeboden (Kamerstukken II 2025/26, 36905, nr. 6). Daarin beantwoordt de minister de vragen die de fracties van D66, VVD, GroenLinks-PvdA en CDA in het verslag hadden gesteld. Het wetsvoorstel geeft uitvoering aan Verordening (EU) 2023/1543 betreffende het Europees verstrekkingsbevel en het Europees bewaringsbevel voor elektronisch bewijsmateriaal in strafzaken, en aan Richtlijn (EU) 2023/1544 over de aanwijzing van aangewezen vestigingen en de aanstelling van wettelijke vertegenwoordigers. Met deze instrumenten kunnen strafvorderlijke autoriteiten in de lidstaten van de Europese Unie onder voorwaarden rechtstreeks bevelen tot bewaring en verstrekking van elektronisch bewijsmateriaal richten aan dienstaanbieders, ongeacht de plaats waar de gegevens zijn opgeslagen. De beantwoording gaat onder meer in op het tijdpad richting de rechtstreekse toepassing van de Verordening per 18 augustus 2026, het IT-systeem voor de gegevensuitwisseling, het toezicht door de Autoriteit Consument en Markt (ACM) en de rechtsbescherming van betrokkenen.

Het e-Evidence pakket en de Uitvoeringswet

De Verordening en de Richtlijn van 12 juli 2023 vormen samen het wetgevingspakket van de EU inzake elektronisch bewijsmateriaal. De Verordening voorziet in het Europees verstrekkingsbevel en het Europees bewaringsbevel; de Richtlijn verplicht dienstaanbieders tot het aanwijzen van een aangewezen vestiging of het aanstellen van een wettelijke vertegenwoordiger. De Verordening maakt onderscheid tussen abonneegegevens, verkeersgegevens en inhoudelijke gegevens. Volgens de nota vallen toekomstige gegevens en de ontsleuteling van versleutelde berichten buiten de reikwijdte. De minister geeft aan dat het wetsvoorstel het huidige Wetboek van Strafvordering wijzigt, omdat de Europeesrechtelijk voorgeschreven termijnen niet toelaten te wachten op het nieuwe Wetboek van Strafvordering, dat niet eerder dan 1 april 2029 in werking treedt. De regeling zal via de invoeringswet voor het nieuwe wetboek beleidsneutraal worden overgezet.

Gemiste richtlijndeadline en het tijdpad naar 18 augustus 2026

De minister bevestigt dat de implementatiedeadline van de Richtlijn op 18 februari 2026 niet is gehaald. Uit informele overleggen in EU-verband blijkt volgens de nota dat meerdere lidstaten die deadline evenmin hebben gehaald en dat zij ook de datum van 18 augustus 2026 naar verwachting niet zullen halen. Nederland heeft in maart 2026 een brief van de Europese Commissie ontvangen met het verzoek het niet halen van de deadline toe te lichten; die brief zou eind mei worden beantwoord. De Verordening wordt op 18 augustus 2026 rechtstreeks van toepassing. De minister geeft aan dat het wetsvoorstel na parlementaire goedkeuring pas in werking treedt wanneer dat technisch en organisatorisch verantwoord is, waarbij eerst wordt beoordeeld of het IT-systeem gereed is en of dienstaanbieders voldoende voorbereidingstijd hebben gehad. Volgens de nota gaat de Commissie ervan uit dat in het najaar een groep van 5 à 6 lidstaten klaar zal zijn en dat andere landen later en gaandeweg aansluiten; van Nederlandse zijde is aangegeven dat een dergelijke gefaseerde invoering moeilijk werkbaar en uitvoerbaar zal zijn, waarna de Commissie nader overleg wil voeren.

Het IT-systeem en de reference implementation software

De artikelen 19 en 22 van de Verordening schrijven voor dat de communicatie over de bevelen via een EU gedecentraliseerd IT-systeem verloopt en dat de Commissie daarvoor reference implementation software beschikbaar stelt die lidstaten kunnen gebruiken in plaats van een eigen nationaal systeem. Nederland is volgens de nota de enige lidstaat die werkt aan een eigen nationaal IT-systeem als back end. Eind februari is geconstateerd dat een nationaal systeem als back end voor bedrijven niet meer haalbaar was met het oog op de inwerkingtreding op 18 augustus 2026, waarna ervoor is gekozen voorlopig de reference implementation software te gebruiken. Op het moment van schrijven van de nota was er nog geen reference implementation software die geschikt is voor e-Evidence; de Commissie had een beoogde productieversie aangekondigd voor mei 2026. De brancheorganisatie NLconnect heeft gesteld dat deze software niet voldoet aan alle Nederlandse standaarden voor dit soort gegevensdeling, met name op het punt van cybersecurity en de spanning met de Nederlandse Cyberbeveiligingswet. De minister geeft aan deze zorgen op onderdelen te herkennen, maar meldt dat de Commissie de gesignaleerde strijdigheid niet ziet en dat dergelijke geluiden van andere lidstaten niet zijn vernomen. Voor de fysieke aansluiting wordt gebruikgemaakt van e-Codex, waarbij Justid is betrokken; een afzonderlijke uitvoeringstoets door Justid is niet uitgevoerd.

De ACM als toezichthouder en het standpunt over handhaving

ABDTOPConsult heeft in een briefadvies van 25 november 2024 verkend welke organisatie als toezichthouder kan worden aangewezen en concludeerde dat er geen ideale partij is, maar dat de ACM het meest passend is. De ACM krijgt een rol bij het registratieproces van dienstaanbieders en bij het toezicht op de aanwijzing van een wettelijke vertegenwoordiger, de vastlegging van de voertaal en de inrichting van het bedrijf, waarbij zij het bestuursrecht toepast. De minister benadrukt dat de ACM geen rol heeft bij de toepassing van het strafrecht en geen rol bij de afhandeling van concrete bevelen. Het toezicht is signaalgedreven; communicatie met het Openbaar Ministerie gaat over signalen dat een dienstaanbieder bevelen structureel niet tijdig uitvoert, niet over concrete bevelen. Over de handhaving meldt de minister dat de bedrijven en de Nederlandse overheid door de uit de planning gelopen voorbereidingen te laat over de noodzakelijke specificaties beschikken, dat dit de dienstaanbieders niet kan worden aangerekend en dat handhaving vanuit de toezichthouder daarom niet aan de orde kan zijn zolang de bedrijven zich niet hebben kunnen voorbereiden. De minister heeft de ACM meegegeven dat deze niet aan de industrie toe te rekenen omstandigheden, wanneer de rechtsgrondslag er is, niet zouden moeten leiden tot het opleggen van boetes. Het registratieplatform van de Commissie is sinds het voorjaar van 2026 operationeel, terwijl de wet nog niet in werking is; het kabinet bekijkt of het registratieproces vooruitlopend op de inwerkingtreding niet hoeft te worden vertraagd. Voor de last onder dwangsom en de bestuurlijke boete sluiten de artikelen 7 en 8 van het wetsvoorstel aan bij de zesde categorie van artikel 23, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, of, indien dat geen passende sanctie toelaat, bij ten hoogste tien procent van de jaaromzet van de dienstaanbieder; de opbrengst komt toe aan de Staat.

Rechtsbescherming en weigeringsgronden

De nota beschrijft dat de toetsende rol van de rechter afhangt van het type gegevens. Voor abonneegegevens en identificerende gegevens is geen kennisgeving of voorafgaande rechterlijke tussenkomst vereist; voor verkeersgegevens en inhoudelijke gegevens schrijft artikel 4, tweede lid, van de Verordening bekrachtiging door een rechter voor, wat in Nederland neerkomt op een machtiging van de rechter-commissaris (artikel 5.11.2 van het Wetboek van Strafvordering). Bij verkeersgegevens en inhoudelijke gegevens geldt op grond van artikel 8 van de Verordening een kennisgeving aan de tenuitvoerleggingsautoriteit, in Nederland de officier van justitie, die kan beoordelen of een weigeringsgrond van toepassing is. Tot die weigeringsgronden behoren de feitelijke onmogelijkheid om het bevel uit te voeren, gegevens die door voorrechten of immuniteiten worden beschermd, gegevens die vallen onder regels over de persvrijheid of de vrijheid van meningsuiting, en een kennelijke schending van een grondrecht als bedoeld in artikel 6 van het Verdrag betreffende de Europese Unie en het EU-Handvest. Het ontbreken van strafbaarheid in de uitvoerende lidstaat is eveneens een weigeringsgrond, maar geldt niet voor de lijstfeiten van bijlage IV bij de Verordening waarop in de uitvaardigende staat een strafmaximum van ten minste drie jaar gevangenisstraf staat. Als rechtsmiddel wijst de minister op het beklag op grond van de artikelen 552a en 552d van het Wetboek van Strafvordering, zoals neergelegd in het nieuwe artikel 5.11.6, tweede lid, waarover de raadkamer van de rechtbank beslist en waartegen beroep in cassatie bij de Hoge Raad openstaat. Voor tegenstrijdige verplichtingen met het recht van een derde land voorziet artikel 17 van de Verordening in een toetsingsprocedure bij de rechtbank.

Verschoningsrecht, kennisgeving en reikwijdte

Over het verschoningsrecht legt de nota de verantwoordelijkheid eerst bij de uitvaardigende autoriteit, die op grond van artikel 5, tiende lid, van de Verordening geen bevel mag uitvaardigen voor gegevens die door voorrechten of immuniteiten worden beschermd. De minister verwacht voor de rechter-commissaris in dit verband geen grote rol en wijst op het WODC-rapport over het professioneel verschoningsrecht (Nan e.a., 2025), waarin wordt vastgesteld dat Nederland het verschoningsrecht in vergelijking met andere rechtssystemen relatief ruim interpreteert. De kennisgeving aan de betrokkene wiens gegevens worden gevraagd kan op grond van artikel 13, tweede lid, van de Verordening en het nieuwe artikel 5.11.6 van het Wetboek van Strafvordering worden uitgesteld indien het belang van het onderzoek dit dringend vereist, waarbij wordt aangesloten bij de regeling uit Richtlijn 2016/680. De minister bevestigt dat de Verordening uitsluitend ziet op reeds vastgelegde gegevens en niet op het onderscheppen van real-time dataverkeer of op een ontsleutelingsbevel, en verwijst voor de bredere discussie over rechtmatige toegang tot gegevens naar de Kamerbrief van 29 augustus 2025. Urgente persoonsvermissingen vallen alleen binnen de reikwijdte indien tevens sprake is van een verdenking van een strafbaar feit.

Kosten en verhouding tot bestaande rechtshulp

De nota beschrijft dat de bestaande vormen van rechtshulp, zoals de EU-rechtshulpovereenkomst, het Europees onderzoeksbevel en de rechtshulp op grond van artikel 35 van het Cybercrimeverdrag, naast e-Evidence blijven bestaan. Op basis van de impactanalyse uit 2024 wordt een verplaatsingseffect verwacht, met minder klassieke rechtshulpverzoeken en meer e-Evidencebevelen; in het als meest waarschijnlijk geduide middenscenario gaat het om een vermindering van de werklast bij de politie en een beperkte toename bij het Openbaar Ministerie, terwijl de Raad voor de rechtspraak geen grote impact verwacht. De geraamde kosten voor de ACM bedragen € 664.000 per jaar en het werklasteffect voor de rechtspraak is door de Raad voor de rechtspraak geschat op € 737.000 per jaar structureel. De regeldruk voor de dienstaanbieders is voor 2026 geraamd op € 540.000 tot ongeveer € 2.160.000. De voor de implementatie gereserveerde bedragen lopen op van 4,8 miljoen euro in 2024 tot 10,7 miljoen euro in 2029.

Afsluiting

Het wetsvoorstel ligt ter behandeling bij de Tweede Kamer. De minister streeft naar instemming van de Tweede Kamer en vervolgens de Eerste Kamer, en geeft aan dat de inwerkingtreding pas zal plaatsvinden wanneer dit met het oog op een goede uitvoering verantwoord is. De Verordening wordt op 18 augustus 2026 rechtstreeks van toepassing, terwijl de implementatie van de Richtlijn en de inrichting van het IT-systeem nog niet zijn afgerond. Over een mogelijke gefaseerde invoering en over de beantwoording van de brief van de Europese Commissie loopt overleg met de Commissie en de andere lidstaten. De parlementaire behandeling van het wetsvoorstel moet nog plaatsvinden.

Print Friendly and PDF ^