Verduistering door penningmeester: rechtbank wijkt af van eis en LOVS-oriëntatiepunten
/De Rechtbank Gelderland heeft op 24 april 2026 een 76-jarige man veroordeeld voor de verduistering van € 293.477,27 in zijn functie als vrijwillig penningmeester van een stichting in Tiel. De feiten speelden zich af in de periode van 1 februari 2019 tot en met 7 augustus 2024. De officier van justitie had een gevangenisstraf gevorderd van veertien maanden, waarvan zeven voorwaardelijk, maar de rechtbank legde een voorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden op met een proeftijd van twee jaar, gecombineerd met een onvoorwaardelijke taakstraf van 240 uur. De uitspraak is illustratief voor de wijze waarop persoonlijke omstandigheden in verduisteringszaken kunnen leiden tot een aanzienlijke afwijking van zowel de eis van het Openbaar Ministerie als de LOVS-oriëntatiepunten voor fraudezaken. In deze blog komen de feitelijke achtergrond, de juridische kwalificatie en de strafmotivering van de rechtbank aan bod.
De feitelijke gang van zaken
Volgens de bewezenverklaring heeft verdachte gedurende ruim vijf jaar geld onttrokken aan de stichting waarvoor hij vrijwillig de functie van penningmeester vervulde. Het verduisterde bedrag van € 293.477,27 werd in de tenlastegelegde periode op verschillende plaatsen in Nederland en in Spanje toegeëigend. Pas toen aan het licht kwam dat het vermogen van de stichting bijna was uitgeput en het bestuur besloot verdachte uit zijn functie te ontheffen, heeft hij zichzelf gemeld bij de politie. De zaak werd behandeld als een bekennende-verdachtezaak in de zin van artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering, zodat de rechtbank kon volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen. Tot die bewijsmiddelen behoorden de aangifte van de stichting, het politieverhoor van verdachte en zijn verklaring ter terechtzitting.
Verduistering in dienstbetrekking onder artikel 322 Sr
De rechtbank kwalificeerde het feit als verduistering gepleegd door hem die het goed uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking onder zich heeft, strafbaar gesteld in artikel 322 van het Wetboek van Strafrecht. Op deze gekwalificeerde variant van verduistering staat een gevangenisstraf van ten hoogste vier jaar of een geldboete van de vijfde categorie. De ratio van de strafverzwaring is gelegen in het bijzondere vertrouwen dat in dienstverbanden of bij beroepsuitoefening op het spel staat. In de jurisprudentie is de toepassing van artikel 322 Sr op vrijwillige bestuursfuncties een terugkerend thema. Niet elke vrijwilliger valt automatisch onder het bereik van het artikel: volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad is vereist dat sprake is van werkzaamheden in ondergeschiktheid. Of daarvan sprake is, hangt af van de feitelijke verhoudingen, zoals de mate van toezicht door het bestuur, de aanwezigheid van een gezagsverhouding en eventuele structurele vergoedingen. In deze zaak wordt de kwalificatie niet uitvoerig gemotiveerd, mede omdat het feit door verdachte volledig was bekend en de strafverzwarende omstandigheid niet is betwist.
Strafmaat: afwijking van de LOVS-oriëntatiepunten
Volgens de LOVS-oriëntatiepunten voor fraudezaken wordt bij een benadelingsbedrag tussen € 250.000 en € 500.000 als uitgangspunt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van twaalf tot achttien maanden gehanteerd. Het in deze zaak verduisterde bedrag van bijna drie ton valt in die bandbreedte. De officier van justitie bleef met een eis van veertien maanden waarvan zeven voorwaardelijk binnen de oriëntatiepunten, maar de rechtbank ging een stap verder en zag aanleiding om in het geheel geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen. De rechtbank koos voor een voorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden met een proeftijd van twee jaar en een onvoorwaardelijke taakstraf van 240 uur, met als vervangende hechtenis 120 dagen. Daarbij past de kanttekening dat de oriëntatiepunten geen bindend karakter hebben en de individuele rechter niet binden, zoals het LOVS zelf benadrukt. Bijzondere omstandigheden in de daad- of dadercomponent moeten door de rechter worden gewogen, en de oriëntatiepunten gaan uit van het modale feit.
De rol van persoonlijke omstandigheden
In de strafmotivering weegt de rechtbank uitdrukkelijk de persoonlijke omstandigheden van verdachte mee. Verdachte heeft de pensioengerechtigde leeftijd ruimschoots bereikt en werkt nog om zijn schuld zo veel mogelijk af te lossen. Sinds enkele maanden maakt hij hiertoe maandelijks een bedrag over naar de stichting. Hij heeft geen relevante justitiële documentatie. De reclassering achtte het recidiverisico laag en zag geen aanleiding voor toezicht of interventies. De raadsman voerde aan dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf ertoe zou leiden dat verdachte zijn baan verliest, waardoor verdere aflossing aan de stichting feitelijk onmogelijk wordt en zijn echtgenote in financiële problemen zou raken. De rechtbank volgt deze redenering en concludeert dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf niet passend is. Wel acht de rechtbank een ferme waarschuwing in de vorm van een voorwaardelijke gevangenisstraf en een onvoorwaardelijke taakstraf op zijn plaats, gelet op de lange duur van het delict en de hoogte van het schadebedrag.
