Kosten boekhouder voor peiljaarverlegging niet vergoed na vrijspraak
/Rechtbank Noord-Holland 16 februari 2026, ECLI:NL:RBNHO:2026:1693
Dit betreft een verzoek ex artikel 530 Sv na vrijspraak van verzoekster door de politierechter. Verzoekster vraagt vergoeding van kosten van haar raadsman, reiskosten, kosten van een boekhouder voor een peiljaarverlegging en kosten voor het verzoekschrift. De officier van justitie verzet zich tegen vergoeding van de boekhoudkosten omdat deze niet in rechtstreeks verband staan met de strafzaak. De rechtbank oordeelt dat alleen kosten die direct samenhangen met de strafzaak voor vergoeding in aanmerking komen en acht de overige posten billijk. De kosten van de boekhouder zien op de inkomenspositie en de aanvraag van gefinancierde rechtsbijstand en worden daarom afgewezen. In totaal wordt 2.849,03 toegekend en het meer of anders verzochte wordt afgewezen.
Context van de zaak
In deze raadkamerprocedure staat een verzoek ex artikel 530 van het Wetboek van Strafvordering centraal. Verzoekster betreft een natuurlijke persoon die eerder als verdachte is aangemerkt in een strafzaak met parketnummer 15-177811-25. Zij wordt op 4 september 2025 door de politierechter van de rechtbank Noord-Holland vrijgesproken. Dit vonnis wordt onherroepelijk, nu geen rechtsmiddel wordt ingesteld.
Na deze vrijspraak dient verzoekster een verzoekschrift in strekkende tot vergoeding van kosten die zij in verband met de strafzaak heeft gemaakt. Het verzoekschrift wordt op 8 oktober 2025 ter griffie ontvangen en tijdig ingediend. De behandeling vindt plaats in openbare raadkamer op 16 februari 2026 te Alkmaar. Verzoekster verschijnt niet in persoon, maar laat zich vertegenwoordigen door haar gemachtigde advocaat, mr. J.G.W.M. Lut. De officier van justitie maakt voorafgaand aan de zitting schriftelijk zijn standpunt kenbaar en licht dit ter zitting nader toe.
De kern van het geschil betreft de vraag of de kosten van een boekhouder, gemaakt voor het opstellen van een peiljaarverlegging ten behoeve van gefinancierde rechtsbijstand, kunnen worden aangemerkt als kosten die in rechtstreeks verband staan met de strafzaak en derhalve voor vergoeding in aanmerking komen op grond van artikel 530 Sv.
Aan verzoekster is in de onderliggende strafzaak een strafbaar feit ten laste gelegd, waarvan zij door de politierechter wordt vrijgesproken. De inhoud van de oorspronkelijke tenlastelegging speelt in deze raadkamerprocedure geen inhoudelijke rol meer, nu de strafzaak is geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel en zonder toepassing van artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht. Deze vrijspraak vormt de grondslag voor het indienen van het verzoek tot schadevergoeding.
Standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat het verzoek gedeeltelijk voor toewijzing in aanmerking komt. Volgens het Openbaar Ministerie kan een vergoeding worden toegekend voor de kosten van de raadsman in de strafzaak, de reiskosten voor het bijwonen van de terechtzitting en de kosten van rechtsbijstand in het kader van het verzoekschrift ex artikel 530 Sv.
Ten aanzien van de kosten van de boekhouder voert de officier van justitie gemotiveerd verweer. Onder verwijzing naar jurisprudentie van de Hoge Raad, in het bijzonder het arrest van 20 mei 1986, NJ 1987, 28, betoogt hij dat onder de kosten van een raadsman slechts die kosten vallen die in rechtstreeks verband staan met de strafzaak tegen de gewezen verdachte. De kosten voor het opstellen van een peiljaarverlegging vloeien volgens het Openbaar Ministerie niet rechtstreeks voort uit de strafzaak zelf, maar houden verband met de inkomenspositie van verzoekster en haar aanvraag voor gefinancierde rechtsbijstand. Deze kosten betreffen derhalve een administratieve aangelegenheid die losstaat van de inhoudelijke behandeling van de strafzaak.
Het Openbaar Ministerie concludeert dan ook tot afwijzing van dit onderdeel van het verzoek.
Standpunt van de verdediging
Namens verzoekster wordt verzocht om toekenning van een totale vergoeding van 3.042,63. Dit bedrag is als volgt opgebouwd:
2.147,75 aan kosten van de raadsman in de strafzaak;
21,28 aan reiskosten voor het bijwonen van de terechtzitting;
193,60 aan kosten van een boekhouder voor het opstellen van een peiljaarverlegging;
680 aan kosten van de raadsman voor het opstellen, indienen en toelichten van het verzoekschrift in raadkamer.
De verdediging stelt zich op het standpunt dat alle opgevoerde kosten in redelijkheid zijn gemaakt in verband met de strafzaak en dat, gelet op de vrijspraak, vergoeding billijk is. Ten aanzien van de kosten van de boekhouder wordt impliciet betoogd dat deze kosten noodzakelijk waren om in aanmerking te komen voor gefinancierde rechtsbijstand en daarmee samenhangen met de verdediging in de strafzaak.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank stelt voorop dat zij bevoegd is om van het verzoek kennis te nemen en dat het verzoek tijdig is ingediend.
Op grond van artikel 530 Sv kan een gewezen verdachte aanspraak maken op vergoeding van de kosten van zijn advocaat indien de strafzaak is geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel en zonder toepassing van artikel 9a Sr. De rechtbank benadrukt dat de rechter op grond van artikel 534 Sv een discretionaire bevoegdheid heeft en de vergoeding geheel of gedeeltelijk kan toekennen voor zover dat naar zijn oordeel billijk is, met inachtneming van alle omstandigheden van het geval.
Ten aanzien van de kosten van de raadsman in de strafzaak overweegt de rechtbank dat deze voldoende zijn onderbouwd met urenspecificaties en declaraties. De opgevoerde werkzaamheden staan in rechtstreeks verband met de strafzaak. De rechtbank acht het billijk om dit bedrag volledig toe te kennen.
Ook de gevraagde reiskosten van 21,28 voor het bijwonen van de terechtzitting acht de rechtbank billijk en toewijsbaar, nu deze kosten rechtstreeks voortvloeien uit de behandeling van de strafzaak.
Voorts kent de rechtbank het gebruikelijke forfaitaire bedrag van 680 toe voor de kosten van rechtsbijstand in verband met het opstellen, indienen en toelichten van het verzoekschrift ex artikel 530 Sv.
Anders oordeelt de rechtbank over de kosten van de boekhouder voor het opstellen van een peiljaarverlegging. De rechtbank sluit zich aan bij het standpunt van de officier van justitie dat deze kosten niet in rechtstreeks verband staan met de strafzaak. De kosten hebben betrekking op de inkomenspositie van verzoekster en zijn gemaakt ter verkrijging van gefinancierde rechtsbijstand. Daarmee betreffen zij een voorbereidende administratieve handeling die niet ziet op de inhoudelijke verdediging tegen de strafrechtelijke beschuldiging. Dit onderdeel van het verzoek wordt afgewezen.
Beslissing
De rechtbank kent aan verzoekster ten laste van de Staat een vergoeding toe van in totaal 2.849,03. Dit bedrag is als volgt samengesteld:
2.147,75 wegens de kosten van de raadsman voor zijn werkzaamheden in de strafzaak;
21,28 wegens reiskosten voor het bijwonen van de terechtzitting;
680 wegens de kosten van de raadsman voor het opstellen, indienen en toelichten van het verzoekschrift.
Het meer of anders verzochte, te weten de vergoeding van 193,60 aan kosten van de boekhouder voor het opstellen van een peiljaarverlegging, wordt afgewezen.
De beslissing wordt uitgesproken in het openbaar op 16 februari 2026. Tegen deze beslissing staat voor de officier van justitie binnen veertien dagen en voor de gewezen verdachte of diens erfgenamen binnen een maand na betekening hoger beroep open bij het gerechtshof.
Lees hier de volledige uitspraak.
