Vrijspraak politicus voor opruiing: uitlatingen over geweld en verzet overschrijden strafrechtelijke grens niet

Gerechtshof Den Haag 5 maart 2026, ECLI:NL:GHDHA:2026:333

Het gerechtshof Den Haag spreekt op 5 maart 2026 een Tweede Kamerlid vrij van opruiing voor uitlatingen over geweld en verzet tijdens de boerenprotesten in 2022. De verdachte is in eerste aanleg veroordeeld tot een taakstraf van 200 uren voor twee tenlastegelegde feiten van opruiing in de zin van artikel 131 van het Wetboek van Strafrecht. Het hof oordeelt dat de uitlatingen, bezien naar inhoud en strekking in hun onderlinge samenhang, niet direct noch indirect aansporen tot enig strafbaar feit of tot gewelddadig optreden tegen het openbaar gezag. Daarbij kent het hof betekenis toe aan het feit dat de verdachte in zijn toespraken herhaaldelijk vreedzaam en geweldloos verzet bepleit en het gebruik van geweld niet concreet maakt. Het verweer dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard wegens detournement de pouvoir en schending van het gelijkheidsbeginsel, wordt verworpen. Het hof vernietigt het vonnis en spreekt de verdachte integraal vrij.

Inleiding en context

Het gerechtshof Den Haag spreekt in hoger beroep een politicus vrij van opruiing. De verdachte, lid van de Tweede Kamer, is in eerste aanleg door de rechtbank Den Haag op 11 juni 2024 veroordeeld tot een taakstraf van 200 uren voor twee feiten van opruiing. De vervolging houdt verband met uitlatingen die de verdachte in de zomer en het najaar van 2022 doet, ten tijde van grote maatschappelijke onrust rondom het stikstofbeleid en de boerenprotesten. De verdachte stelt hoger beroep in tegen het vonnis. Het hof vernietigt het vonnis en komt tot een integrale vrijspraak.

Tenlastelegging en wettelijk kader

De verdachte wordt verweten dat hij zich tweemaal schuldig maakt aan opruiing als bedoeld in artikel 131, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht. Dit artikel stelt strafbaar het in het openbaar, mondeling of bij geschrift, opruien tot gewelddadig optreden tegen het openbaar gezag of tot enig strafbaar feit. Het artikel is opgenomen in titel V van het Wetboek van Strafrecht en strekt ter bescherming van de openbare orde.

Het eerste feit betreft een toespraak op 2 juli 2022 tijdens een boerenforum in Tuil, gemeente West Betuwe. De verdachte spreekt daar onder meer over het taboe op het gebruik van geweld in een democratie, verwijst naar het noodweerrecht van artikel 41 van het Wetboek van Strafrecht en stelt dat een overheid die het geweldsmonopolie misbruikt tegen de eigen bevolking een tirannieke overheid is die moet vallen.

Het tweede feit betreft een interview op 10 oktober 2022 met het Belgische mediakanaal Compleetdenkers, dat op 13 november 2022 op YouTube wordt geplaatst. Daarin spreekt de verdachte over regimes die door de bevolking ten val worden gebracht en over een scenario waarin mensen naar het parlement trekken en niet meer weggaan totdat de regering weg is, waarbij hij opmerkt dat in het verleden daarbij soms dodelijke slachtoffers vallen.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De advocaat-generaal vordert vernietiging van het vonnis en veroordeling van de verdachte voor beide feiten tot een taakstraf van 200 uren, subsidiair 100 dagen hechtenis. Het Openbaar Ministerie stelt zich op het standpunt dat beide feiten wettig en overtuigend bewezen kunnen worden. Bij de verdachte is volgens de advocaat-generaal sprake van vol opzet op het indirect opruien tot geweld tegen het openbaar gezag. De advocaat-generaal acht de verklaring van de verdachte dat hij juist vreedzaam verzet bepleit niet geloofwaardig en kenschetst de toespraak in Tuil als een munitievat waar een lont in wordt geplaatst terwijl de vonken al in het rond knetteren.

Standpunt van de verdediging

De verdediging voert zowel formele als materiele verweren. Op het punt van de ontvankelijkheid bepleit de verdediging dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Daartoe voert zij in de eerste plaats aan dat sprake is van schending van het verbod op detournement de pouvoir. De toenmalige minister van Justitie en Veiligheid plaatst op 13 november 2022 tweets naar aanleiding van het interview, die volgens de verdediging een indirecte aanwijzing aan het Openbaar Ministerie bevatten om strafrechtelijke stappen te overwegen. Ook de toenmalige minister van Financien gebruikt in tweets de term opruiing. De verdediging stelt dat hiermee het wettelijke systeem van artikel 127 en 128 van de Wet op de Rechterlijke Organisatie en de daarbij behorende waarborgen zijn omzeild. In de tweede plaats beroept de verdediging zich op schending van het gelijkheidsbeginsel, omdat in soortgelijke gevallen niet tot vervolging is overgegaan en het onderscheidend element de politieke context is. De verdediging wijst ter onderbouwing op uitlatingen van drie met name genoemde personen.

Ten aanzien van de inhoudelijke beoordeling bepleit de verdediging vrijspraak voor beide feiten. De uitlatingen kunnen volgens de verdediging, beoordeeld naar inhoud, strekking en context, niet worden aangemerkt als een oproep tot geweld. De verdachte spreekt enkel over vreedzaam verzet. In ieder geval ontbreekt het vereiste opzet.

Oordeel gerecht

Het hof beoordeelt eerst de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie. Ten aanzien van het verweer inzake detournement de pouvoir overweegt het hof dat vaststaat dat de minister geen schriftelijke aanwijzing als bedoeld in artikel 128 van de Wet op de Rechterlijke Organisatie heeft gegeven. Evenmin is gebleken dat sprake is van een indirecte aanwijzing of beinvloeding van de vervolgingsbeslissing. De door de verdediging genoemde tweets en uitlatingen bieden daartoe onvoldoende grond. De officier van justitie heeft ter terechtzitting in eerste aanleg verklaard dat hij zelfstandig de beslissing tot vervolging heeft genomen, hetgeen door de advocaat-generaal in hoger beroep is bevestigd.

Het beroep op het gelijkheidsbeginsel wordt eveneens verworpen. Het hof oordeelt dat de door de verdediging aangehaalde gevallen telkens uitlatingen betreffen in andere bewoordingen en onder andere situationele omstandigheden, terwijl het bovendien niet gaat om uitlatingen van politici. Van een zodanige overeenstemming dat de gevallen op een lijn moeten worden gesteld, is geen sprake.

Het hof verklaart het Openbaar Ministerie ontvankelijk, maar komt vervolgens tot vrijspraak voor beide feiten. Bij de beoordeling van feit 1 overweegt het hof dat de tenlastegelegde uitlatingen onderdeel zijn van een langere toespraak waarin de verdachte meerdere malen zegt dat protest en verzet altijd vreedzaam en geweldloos moet zijn. Het hof beschouwt deze opmerkingen over vreedzaam verzet, anders dan de advocaat-generaal en de rechtbank, niet louter als mitigerende opmerkingen maar als een relevant onderdeel van de toespraak. De verdachte maakt het gebruik van geweld niet concreet, niet voor het hier en nu en evenmin voor de toekomst. De toespraak vindt bovendien plaats op een zaterdagmiddag vol lezingen, met tijd voor vragen en discussie. Het hof deelt de aanduiding van de advocaat-generaal dat sprake is van een munitievat waar een lont in wordt geplaatst niet.

Bij feit 2 overweegt het hof dat de verdachte in het interview het gebruik van geweld niet noemt maar enkel spreekt van verzet dat in zijn ogen vreedzaam dient te blijven. De opmerking dat in het verleden soms dodelijke slachtoffers vallen, betreft enkel een constatering die direct wordt gevolgd door de woorden dat hij dat vreselijk vindt en hoopt dat te voorkomen. Het interview vindt plaats in een rustige setting zonder publiek en de maatschappelijke onrust rondom het stikstofbeleid is op het moment van plaatsing van het interview op YouTube weer geluwd.

Het hof concludeert dat de verdachte met zijn uitlatingen naar inhoud en strekking in hun onderlinge samenhang bezien direct noch indirect heeft aangespoord tot enig strafbaar feit of tot gewelddadig optreden tegen het openbaar gezag. De verdachte zoekt met zijn uitlatingen weliswaar de strafrechtelijke grens op, maar overschrijdt deze niet.

Bewezenverklaring

Het hof verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder feit 1 en feit 2 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte van beide feiten vrij.

Strafoplegging en maatregelen

Nu het hof de verdachte integraal vrijspreekt, komt het niet toe aan strafoplegging. Het vonnis van de rechtbank Den Haag, waarbij een taakstraf van 200 uren was opgelegd, wordt vernietigd.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^