Vrijspraak voor oplichting van vijf hotels: Rb kan oplichtingsmiddel niet vaststellen en acht het goed mogelijk dat verdachte in de veronderstelling was dat hij de rekeningen kon betalen
/Rechtbank Amsterdam 26 februari 2026, ECLI:NL:RBAMS:2026:2102
De rechtbank Amsterdam spreekt een verdachte vrij van oplichting van vijf hotels in Amsterdam, Haarlem en Zeist in de periode van juni 2022 tot januari 2023. De verdachte verbleef in de hotels en maakte gebruik van maaltijden en dranken, maar betaalde de rekeningen niet. De rechtbank oordeelt dat niet kan worden vastgesteld wat het oplichtingsmiddel is geweest, omdat het dossier onvoldoende inzicht biedt in het reserverings- en incheckproces. Daarnaast kan het opzet op het niet betalen niet worden bewezen, mede omdat de verdachte in dezelfde periode bij een van de hotels wel een rekening heeft voldaan. Uit gedragskundige rapportages blijkt dat de verdachte ervan overtuigd is een succesvol bedrijf te hebben, waardoor de rechtbank het goed mogelijk acht dat hij dacht de rekeningen te kunnen betalen. De rechtbank concludeert dat sprake is van civielrechtelijk laakbaar handelen, maar niet van strafrechtelijke oplichting, en verklaart de benadeelde partijen niet-ontvankelijk in hun vorderingen.
Inleiding en context
De verdachte is een natuurlijk persoon, geboren in 1980, zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland, die ten tijde van de terechtzitting uit andere hoofde is gedetineerd. Hij wordt ervan verdacht in de periode van juni 2022 tot en met januari 2023 vijf hotels te hebben opgelicht door gebruik te maken van diensten in de vorm van overnachtingen, maaltijden en dranken zonder de rekeningen daarvoor te betalen. De zaak betreft twee gevoegde zaken die in eerste aanleg door de meervoudige strafkamer van de rechtbank Amsterdam worden behandeld. Op grond van artikel 509c Sv is aan de verdachte een raadsvrouw toegevoegd, hetgeen erop wijst dat bij de verdachte een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens wordt vermoed. Het vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 12 februari 2026.
Tenlastelegging en wettelijk kader
Aan de verdachte wordt in zaak A oplichting ten laste gelegd van vier hotels, te weten Park Hotel B.V., Pestana Amsterdam Riverside, Apollo Hotel Amsterdam en Amrath Grand Hotel Frans Hals. De verdachte wordt verweten dat hij medewerkers van deze hotels heeft bewogen tot het verlenen van diensten in de vorm van overnachtingen en de afgifte van etenswaren en dranken. De tenlastegelegde perioden lopen uiteen van juni 2022 tot en met juli 2022 en betreffen locaties in Amsterdam en Haarlem. Ten aanzien van het Apollo Hotel Amsterdam is het feit subsidiair ten laste gelegd als poging tot oplichting. In zaak B wordt de verdachte oplichting verweten van Hotel Theater Figi te Zeist, in de periode van 24 december 2022 tot en met 5 januari 2023. Alle feiten zijn ten laste gelegd op grond van artikel 326 lid 1 van het Wetboek van Strafrecht, dat vereist dat iemand met het oogmerk van wederrechtelijke bevoordeling een ander door een oplichtingsmiddel beweegt tot de afgifte van een goed, het verlenen van een dienst of het ter beschikking stellen van gegevens.
Standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de primair tenlastegelegde feiten bewezen kunnen worden. Zij voert daartoe aan dat de verdachte zich telkens heeft voorgedaan als een bonafide hotelgast. De reserveringen zijn telkens gemaakt onder vermelding van het bedrijf Legal Unity, terwijl dit bedrijf niet bestaat. Daarnaast stelt de officier van justitie dat uit het feit dat bij meerdere hotels in een achtereenvolgende periode geen volledige betaling is verricht, blijkt dat de verdachte wist dat de creditcards die hij gebruikte niet geschikt waren voor betaling van de hotelrekeningen. De hoogte van de geëiste straf wordt niet vermeld in de uitspraak.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw stelt zich op het standpunt dat de verdachte integraal moet worden vrijgesproken, omdat niet kan worden bewezen dat sprake is van oplichting. Nadere onderbouwing van dit verweer wordt in de uitspraak niet weergegeven.
Oordeel gerecht
De rechtbank oordeelt dat de verdachte integraal moet worden vrijgesproken van alle tenlastegelegde feiten. De rechtbank stelt daarbij voorop dat op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting weliswaar kan worden vastgesteld dat de verdachte in een aantal hotels heeft overnacht dan wel gebruik heeft gemaakt van maaltijden en dranken en dat de rekeningen daarvoor niet zijn betaald, maar dat dit enkele feit nog niet maakt dat sprake is van oplichting.
De rechtbank overweegt dat voor een bewezenverklaring van oplichting allereerst moet kunnen worden vastgesteld waardoor de hotels zijn bewogen tot het beschikbaar stellen van een kamer, met andere woorden, wat het oplichtingsmiddel is geweest. De officier van justitie stelt dat de verdachte zich heeft voorgedaan als een bonafide gast, terwijl hij dat niet was. Naar het oordeel van de rechtbank kan dit niet worden bewezen op grond van het voorliggende dossier. De rechtbank overweegt dat uit het dossier niet duidelijk wordt hoe het reserveringsproces bij de hotels is verlopen, mede omdat slechts in twee gevallen een reserveringsmail in het dossier aanwezig is. Ook de gang van zaken rondom het inchecken blijkt niet voor alle hotels. Uit de verklaringen van de hotelmedewerkers blijkt weliswaar dat aan de verdachte een kamer beschikbaar is gesteld, maar de rechtbank kan niet in alle gevallen vaststellen op grond waarvan de hotels daartoe zijn bewogen.
Vervolgens overweegt de rechtbank dat voor een bewezenverklaring van oplichting is vereist dat de verdachte op het moment dat hij de hotels heeft bewogen tot het ter beschikking stellen van kamers, opzet had op het niet betalen van de rekeningen. De rechtbank oordeelt dat dit op basis van het dossier niet kan worden bewezen. Anders dan de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat het opzet niet kan worden afgeleid uit het feit dat de verdachte in een langere periode bij meerdere hotels niet volledig heeft betaald. De rechtbank wijst er daarbij op dat uit de aangifte van Park Hotel volgt dat de verdachte van 1 tot 4 juli 2022 ook in het hotel heeft verbleven en toen wel de rekening heeft betaald. Dit valt midden in de periode van de tenlastegelegde feiten, hetgeen het standpunt van het Openbaar Ministerie over het opzet op voorhand ondermijnt.
Tot slot kent de rechtbank aanzienlijk gewicht toe aan de geestelijke gesteldheid van de verdachte. Uit de gedragskundige rapportages komt naar voren dat de verdachte ervan overtuigd is dat hij een succesvol juridisch bedrijf heeft met een bovenmodaal salaris. Het optreden van de verdachte ter terechtzitting sluit aan bij dit beeld. De rechtbank acht het daarom goed mogelijk dat de verdachte in de veronderstelling was dat hij de rekeningen kon betalen. De rechtbank concludeert dat weliswaar kan worden vastgesteld dat de verdachte civielrechtelijk laakbaar heeft gehandeld waardoor de hotels zijn benadeeld, maar dat niet kan worden bewezen dat strafrechtelijk sprake is van oplichting.
Lees hier de volledige uitspraak.
