Miljoenenontneming na illegale handel in gewasbeschermingsmiddelen
/Rechtbank Gelderland 9 december 2025, ECLI:NL:RBGEL:2025:10878
De Rechtbank Gelderland stelt vast dat een rechtspersoon wederrechtelijk voordeel behaalt door zonder vereiste toelating gewasbeschermingsmiddelen op de markt te brengen en daarbij valse documenten te gebruiken. Het openbaar ministerie vordert ruim 2,5 miljoen euro aan ontneming, gebaseerd op een uitgebreide berekening per order. De verdediging voert verweren over bulkgoederen, re-export en het vertrouwensbeginsel, maar deze worden verworpen. De rechtbank oordeelt dat ook bulkverpakkingen onder de Verordening vallen en dat re-export onvoldoende aannemelijk is gemaakt. Daarnaast wordt vastgesteld dat valsheid in geschrift bijdraagt aan het behaalde voordeel. Het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt uiteindelijk vastgesteld op ruim 1,6 miljoen euro en als betalingsverplichting aan de Staat opgelegd.
Context van de zaak
In deze ontnemingsprocedure staat een rechtspersoon centraal, gevestigd in Nederland en actief in de internationale handel in gewasbeschermingsmiddelen. De rechtbank Gelderland heeft in de hoofdzaak op 29 juni 2023 reeds geoordeeld dat deze rechtspersoon zich meermalen schuldig maakt aan het medeplegen van overtreding van artikel 20, eerste lid, van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden, het medeplegen van valsheid in geschrift en het medeplegen van het opzettelijk gebruikmaken van een vals geschrift als ware het echt en onvervalst. Deze feiten zijn telkens begaan door een rechtspersoon. In de hoofdzaak is een geldboete van 400.000 opgelegd.
De onderhavige procedure ziet op de ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ex artikel 36e, tweede lid, Wetboek van Strafrecht. Het openbaar ministerie baseert de vordering op een financieel rapport waarin het voordeel per order is berekend over de periode van 1 januari 2009 tot en met 9 september 2014. De onderneming importeert en verhandelt grote hoeveelheden gewasbeschermingsmiddelen vanuit met name China, laat deze inklaren in Nederland en levert vervolgens aan afnemers in verschillende Europese lidstaten.
Tenlastelegging
De rechtspersoon wordt verweten dat zij zonder de vereiste toelating gewasbeschermingsmiddelen op de Europese markt brengt, in strijd met artikel 20 Wgb in samenhang met artikel 28 van Verordening 1107/2009 en – voor oudere feiten – Richtlijn 91/414/EEG. Daarnaast wordt haar verweten dat zij valse certificaten van oorsprong, leveranciersverklaringen, facturen en vrachtbrieven opmaakt of doet opmaken, en deze documenten gebruikt om de werkelijke aard, herkomst of bestemming van de producten te verhullen.
De kern van de verwijten is dat de onderneming middelen die niet in Nederland of de EU zijn toegelaten, toch laat inklaren en verhandelen, waarbij zij soms een beroep doet op re-export naar derde landen. Volgens de strafrechter is dat beroep in meerdere gevallen niet aannemelijk gemaakt. Bovendien worden in diverse gevallen documenten valselijk opgemaakt om onder meer een andere herkomst te suggereren of om patent- en toelatingskwesties te omzeilen.
Standpunt van het Openbaar Ministerie
Het openbaar ministerie vordert aanvankelijk ontneming van 2.608.672,30. Na een aanvullende conclusie van eis wordt dit bedrag bijgesteld naar 2.595.213,46. De vordering is gebaseerd op een rapport waarin per order de omzet en de directe en indirecte kosten zijn geanalyseerd. Het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt berekend door van de verkoopopbrengst de direct aan de order toe te rekenen kosten en een evenredig deel van overige kosten af te trekken.
Het openbaar ministerie stelt zich op het standpunt dat niet alleen voordeel uit de in de hoofdzaak bewezenverklaarde feiten kan worden ontnomen, maar ook uit andere soortgelijke feiten waarvoor voldoende aanwijzingen bestaan dat deze door de veroordeelde zijn begaan. Daarbij wordt benadrukt dat voor het aannemen van voldoende aanwijzingen buiten redelijke twijfel moet kunnen worden vastgesteld dat de feiten zijn gepleegd.
Volgens het openbaar ministerie is in talrijke gevallen sprake van het zonder toelating op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen, waarbij de uitzondering voor re-export niet van toepassing is. In meerdere gevallen zijn bovendien valse certificaten van oorsprong of andere documenten gebruikt om de illegale handel te faciliteren.
Standpunt van de verdediging
De verdediging voert primair aan dat de vordering integraal moet worden afgewezen, omdat het dossier onvoldoende inzichtelijk zou zijn om vast te stellen dat buiten redelijke twijfel andere strafbare feiten zijn gepleegd. Daarnaast worden diverse specifieke verweren gevoerd.
Ten eerste wordt een beroep gedaan op het vertrouwensbeginsel. Volgens de verdediging heeft de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit bepaalde orders buiten de berekening gelaten, onder meer wanneer middelen niet uit China afkomstig waren. De verdediging meent dat ook andere vergelijkbare orders buiten beschouwing moeten blijven.
Ten tweede voert de verdediging het zogenoemde bulkgoederenverweer. Zij stelt dat de Verordening alleen ziet op middelen “in de vorm waarin zij aan de gebruiker worden geleverd”. Volgens haar vallen bulkverpakkingen die nog niet zijn voorzien van eindgebruikersetiketten buiten het toepassingsbereik van de Verordening, zodat geen toelating vereist is.
Ten derde wordt bij meerdere orders betoogd dat sprake is van re-export naar derde landen, zodat op grond van artikel 28, tweede lid, onder d, van de Verordening geen toelating nodig is. In dat kader verzoekt de verdediging voorwaardelijk om het horen van getuigen ter onderbouwing van de re-export.
Ten aanzien van de valsheid in geschrift wordt betoogd dat geen causaal verband bestaat tussen de valse documenten en de behaalde winst, althans dat de winst lager zou zijn geweest indien op correcte wijze was gehandeld.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank verwerpt het primaire verweer dat de vordering onvoldoende inzichtelijk is. Zij beoordeelt zelfstandig per order of sprake is van een strafbare gedraging en of buiten redelijke twijfel kan worden vastgesteld dat deze door veroordeelde is begaan.
Het beroep op het vertrouwensbeginsel wordt verworpen, omdat uit het rapport en het overzicht van orders voldoende duidelijk blijkt welke transacties in de berekening zijn betrokken. Veroordeelde kan daaraan geen gerechtvaardigd vertrouwen ontlenen.
Ook het bulkgoederenverweer faalt. De rechtbank oordeelt dat met de zinsnede “in de vorm waarin zij aan de gebruiker worden geleverd” in artikel 2, eerste lid, van de Verordening wordt gedoeld op de samenstelling van het chemische mengsel, niet op de verpakking of etikettering. Onder verwijzing naar een SANCO-richtsnoer concludeert de rechtbank dat ook bulkverpakkingen onder de Verordening vallen.
Ten aanzien van het re-exportverweer oordeelt de rechtbank dat in veel gevallen onvoldoende aannemelijk is gemaakt dat de middelen daadwerkelijk bestemd zijn voor gebruik in een derde land. Enkele vermelding op een factuur of verkoopbevestiging dat sprake is van re-export is onvoldoende, zeker wanneer de goederen in de EU worden ingeklaard en geleverd aan Europese adressen.
Voor wat betreft de valsheid in geschrift oordeelt de rechtbank dat in meerdere gevallen certificaten van oorsprong en andere documenten valselijk zijn opgemaakt, en dat deze valsheid mede heeft bijgedragen aan het behalen van voordeel. In bepaalde gevallen hanteert de rechtbank een percentage van 47 procent van het berekende voordeel, uitgaande van een alternatieve legale productiesituatie.
De rechtbank stelt vast dat de veroordeelde rechtspersoon wederrechtelijk voordeel heeft verkregen uit zowel de in de hoofdzaak bewezenverklaarde feiten als uit andere soortgelijke strafbare feiten. Daarbij is telkens buiten redelijke twijfel vastgesteld dat de betreffende orders zonder toelating op de markt zijn gebracht of dat sprake is van valsheid in geschrift.
Het totaal wederrechtelijk verkregen voordeel wordt door de rechtbank vastgesteld op ruim 1,6 miljoen euro, aanzienlijk lager dan het door het openbaar ministerie gevorderde bedrag.
In deze ontnemingsprocedure legt de rechtbank aan de veroordeelde rechtspersoon de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag ter hoogte van het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel, te weten ruim 1,6 miljoen euro.
Met deze beslissing benadrukt de rechtbank dat illegale handel in gewasbeschermingsmiddelen en het gebruik van valse documenten om toezicht te omzeilen, niet alleen strafrechtelijk wordt gesanctioneerd met een geldboete, maar ook leidt tot ontneming van de daarmee behaalde winsten.
Lees hier de volledige uitspraak.
