OM niet-ontvankelijk in tweede Wallenpanden-vervolging: ne bis in idem en beginselen van een behoorlijke procesorde
/Twee samenhangende arresten, ECLI:NL:GHAMS:2026:1195 (natuurlijk persoon) en ECLI:NL:GHAMS:2026:1196 (rechtspersoon). Het hof vernietigt de vrijsprekende vonnissen van de rechtbank Amsterdam van 11 november 2024 en verklaart het OM in beide zaken niet-ontvankelijk in de vervolging.
Achtergrond
In zaak 1195 staat de natuurlijke persoon centraal, geboren in 1958. In zaak 1196 staat zijn vennootschap centraal. De verdachte is via een tussenliggende beheersvennootschap enig aandeelhouder en bestuurder van de gedagvaarde rechtspersoon. Het hof behandelt de rechtsvragen in beide zaken gezamenlijk wegens hun samenhang, maar maakt nadrukkelijk onderscheid: voor de natuurlijke persoon ligt de centrale vraag in artikel 68 Sr (ne bis in idem), voor de rechtspersoon in de beginselen van een behoorlijke procesorde.
Voorgeschiedenis: het onderzoek Kolbak (2009)
In het onderzoek Kolbak is de verdachte vervolgd voor (gewoonte)witwassen in de periode 1 januari 2002 tot en met 30 januari 2006. De tenlastelegging zag uitsluitend op de b-variant van artikel 420bis Sr: verwerven en/of voorhanden hebben van diverse voorwerpen (geldbedragen van circa € 250.000, € 1,2 miljoen en € 4 miljoen) en onroerend goed in Amsterdam, waaronder een groot aantal Wallenpanden. Als brondelict was primair afpersing tenlastegelegd, met de gebruikelijke restcategorie "althans enig misdrijf".
Bij arrest van 3 juli 2009 sprak het hof Amsterdam de verdachte integraal vrij. Het hof oordeelde dat niet met voldoende zekerheid kon worden vastgesteld dat de panden uit afpersing afkomstig waren, en dat ook geen andere criminele herkomst kon worden bewezen.
In Kolbak was tevens de (rechtsvoorganger van de) vennootschap als verdachte aangemerkt. Tegen haar liep een opsporingsonderzoek én een strafrechtelijk financieel onderzoek (SFO). Die zaak is op 29 maart 2011 door de officier van justitie geseponeerd wegens gebrek aan bewijs.
Het onderzoek Terrel
In het onderzoek Terrel is de rechtspersoon als pleger gedagvaard wegens witwassen in de periode 31 januari 2006 tot en met 27 juli 2023, dus naadloos aansluitend op de Kolbak-periode. De tenlastelegging ziet nu op de a-variant van artikel 420bis Sr: verbergen en/of verhullen van de werkelijke aard, herkomst of rechthebbende van negen specifiek genoemde Wallenpanden. De natuurlijke persoon is in Terrel vervolgd als feitelijk leidinggever aan dat witwassen door de rechtspersoon.
Standpunt van de verdediging
De verdediging stelt dat sprake is van hetzelfde feit als in Kolbak. Het gaat om dezelfde natuurlijke en rechtspersonen, dezelfde panden, dezelfde financieringsconstructie, dezelfde materiële gedraging, dezelfde chronologie en dezelfde verdenking, namelijk dat de verdachte de Wallenpanden voor een vermeend andere feitelijke eigenaar in eigendom houdt. Het enige verschil is de temporele bijstelling van de pleegperiode. De vervolging is volgens de verdediging in strijd met artikel 68 Sr, de beginselen van een goede procesorde en het recht op ongestoord genot van eigendommen.
Standpunt van het Openbaar Ministerie
De AG stelt primair dat het verweer ontijdig is en pas na inhoudelijke behandeling kan worden beoordeeld.
Subsidiair voert de AG aan dat geen sprake is van hetzelfde feit:
De pleegperiodes lopen uiteen (2002 tot januari 2006 in Kolbak, 31 januari 2006 tot juli 2023 in Terrel).
In Kolbak werd de b-variant tenlastegelegd, in Terrel de a-variant van artikel 420bis Sr.
In Terrel is sprake van een andere deelnemingsvorm: feitelijk leidinggeven in plaats van plegen.
Het brondelict is in Terrel anders ingevuld (losgeld na een ontvoering uit 1983, in plaats van afpersing).
De rechtspersoon is in Kolbak niet bij de rechter aangebracht.
Daarnaast voert het OM aan dat sprake is van een voortdurend witwasdelict en kondigt het nova aan voor de inhoudelijke behandeling.
Toetsingskader
Het hof past het toetsingskader uit HR 1 februari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BM9102 toe. Relevante vergelijkingsfactoren zijn:
(A) De juridische aard van de feiten. Bij verschillende delictsomschrijvingen weegt het verschil in beschermde rechtsgoederen en strafmaxima.
(B) De gedragingen van de verdachte. Bij verschillende gedragingen weegt het verschil in aard en strekking, en in tijd, plaats en omstandigheden.
Het hof stelt vooraf dat de door de rechtbank gehanteerde maatstaf van "aanzienlijk verschil" als zelfstandig criterium geen steun in het recht vindt. De beoordeling moet uitmonden in de ondubbelzinnige conclusie dat de te vergelijken feiten niet dezelfde zijn.
Lezing van het Kolbak-arrest
Het hof wijdt een opmerkelijke paragraaf aan de uitleg van het eigen Kolbak-arrest. Twee punten zijn van belang.
Ten eerste verwerpt het hof het standpunt van de AG dat in Kolbak slechts witwassen "in 2002" tenlastegelegd zou zijn. Uit de stukken blijkt dat beoogd was om de verwerving in 2002 én het voorhanden hebben gedurende de volledige pleegperiode (tot en met januari 2006) tenlaste te leggen. Dat strookt overigens met de stelling van het OM dat sprake zou zijn van een sinds 2002 voortdurend delict.
Ten tweede nuanceert het hof de lezing van de verdediging dat in Kolbak vastgesteld zou zijn dat de panden een legale herkomst hebben. Zo verstrekkend is het Kolbak-arrest volgens het hof niet. Het oordeel was dat het door het OM gepresenteerde bewijs voor criminele herkomst tekortschoot.
Oordeel: de natuurlijke persoon (1195)
Juridische aard
De a- en b-variant van artikel 420bis Sr beschermen dezelfde rechtsgoederen (de integriteit van het economische en financiële verkeer en het tegengaan van begunstiging van lucratieve criminaliteit), kennen hetzelfde strafmaximum en leiden tot dezelfde kwalificatie (witwassen). Op juridisch niveau lopen de feiten dus niet uiteen. De AG sluit zich hier ter zitting bij aan.
Gedragingen: zelfde panden als kernfeit
De tenlasteleggingen zien op precies hetzelfde onroerend goed. Dat is volgens het hof "de betekenisvolle vaststelling" dat, in samenhang met de gelijke juridische aard, geen aanknopingspunt bestaat voor een ander feit. De overige door het OM aangevoerde verschillen moeten dan voldoende gewicht in de schaal leggen, en dat lukt niet.
Afpelling van de OM-argumenten
Andere deelnemingsvorm. Wat betreft de positie van de verdachte levert het feitelijk leidinggeven aan zijn 100%-vennootschap geen significant verschil op. Andere personen met relevante betrokkenheid bij de rechtspersoon zijn gesteld noch gebleken. Ook de subjectieve bestanddelen (wetenschap, opzet) wijzen op een wezenlijke overeenkomst.
Andere witwasvariant. De kern van witwassen is dat criminele opbrengsten aan het zicht worden onttrokken. Het verschil tussen verwerven/voorhanden hebben en verhullen is in dat licht "betrekkelijk cosmetisch".
Andere pleegperiode. De Terrel-periode is ruim zeventien jaar en vertoont geen overlap met die in Kolbak. Op zichzelf een substantiële uitbreiding. Maar het gewicht daarvan wordt "zeer aanzienlijk" gerelativeerd door het onherroepelijke oordeel in Kolbak over een essentieel bestanddeel: de criminele herkomst van de panden zelf. Het door het OM als "voortdurend" gekarakteriseerde witwassen mist daarmee een fundament.
Ander brondelict. Met Terrel beoogt het OM het witwassen van losgeld uit een ontvoering in 1983 te vervolgen. De tenlastelegging noemt dit niet ("enig misdrijf"); slechts uit de toelichting blijkt het. Dat biedt geen tastbaar aanknopingspunt voor een ander feit.
Nova
De aangekondigde nova kunnen naar hun aard de maatstaf van artikel 68 lid 1 Sr niet beïnvloeden. Zij zijn voor de ne bis in idem-toets niet relevant.
Slotsom
De vervolging van de natuurlijke persoon is in strijd met het ne bis in idem-beginsel. Het OM is niet-ontvankelijk.
Oordeel: de rechtspersoon (1196)
Geen rechtstreekse werking van artikel 68 Sr
De vennootschap is in Kolbak niet bij de rechter aangebracht; het opsporingsonderzoek en SFO eindigden in een sepot. Artikel 68 Sr biedt dan formeel geen bescherming. Het hof overweegt ook expliciet dat er geen rechtsregel is die het OM in algemene zin verbiedt om na vrijspraak van een natuurlijk persoon alsnog de met die persoon verbonden rechtspersoon te vervolgen.
Vereenzelviging als kernoverweging
In deze concrete zaak ligt het echter anders. Het hof stelt vast dat:
slechts één natuurlijk persoon centraal staat;
deze persoon als enige rechtstreeks door de vervolging wordt getroffen;
het doel van het OM "geen misverstand" laat: primair gaat het om verbeurdverklaring van de Wallenpanden, waarmee in het bijzonder de natuurlijk persoon in zijn vermogen wordt getroffen;
de verdachte gelet op de eigendomsstructuur en zeggenschapsverhoudingen "in aanzienlijke mate" met de vennootschap te vereenzelvigen is;
de tenlastelegging tegen de rechtspersoon exact hetzelfde object heeft als de sepotbeslissing uit 2011;
de vennootschap aan het Kolbak-arrest geen aanleiding hoefde te ontlenen om haar handelen te wijzigen.
Slotsom
Tegen die achtergrond, en omdat de herhaalde vervolging van de natuurlijke persoon al stuit op artikel 68 Sr, is de vervolging van de rechtspersoon in strijd met de beginselen van een behoorlijke procesorde, in het bijzonder met het beginsel van een redelijke en billijke belangenafweging. De aangevoerde nova maken dat niet anders. Het OM is ook hier niet-ontvankelijk.
Preliminair verweer en ontijdigheid
Het hof verwerpt het ontijdigheidsverweer van de AG. Een preliminair verweer wordt primair beoordeeld op basis van de beschikbare stukken en ingebrachte standpunten. Pas als die ontoereikend zijn, wordt het onderzoek voortgezet. Eventuele nova vormen geen contra-indicatie in de zin van artikel 283 lid 5 Sv. Het hof acht zich op basis van de tenlasteleggingen, de beschikbare opsporingsresultaten en de standpunten van partijen voldoende voorgelicht, temeer omdat het een behandeling in tweede feitelijke instantie betreft.
Voorwaardelijke verzoeken
De verdediging deed voorwaardelijke verzoeken tot het stellen van prejudiciële vragen aan het HvJ EU, onder meer onder de voorwaarde "voor zover uw hof op een bepaald punt nog een laatste beetje mocht twijfelen". Aan die voorwaarde is volgens het hof niet voldaan. De overige voorwaarden zien op kwesties van Unierecht die het hof niet aan de orde acht. Op de verzoeken hoeft niet te worden beslist.
Dictum
In beide zaken: vernietiging van het vonnis waarvan beroep, en niet-ontvankelijkverklaring van het OM in de vervolging.
