Ongeopende blauwe enveloppen: jarenlang geen aangifte vennootschapsbelasting leidt tot veroordeling ondanks alsnog ingediende aangiften

Hoge Raad 24 maart 2026, ECLI:NL:HR:2026:425

De Hoge Raad oordeelt op 24 maart 2026 in een strafzaak over het opzettelijk niet doen van aangiften vennootschapsbelasting door een B.V. over meerdere jaren (artikel 69 lid 1 AWR). De bewezenverklaring ten aanzien van de aangiften over 2015 en 2016 is niet begrijpelijk, omdat deze aangiften alsnog zijn ingediend voordat ambtshalve aanslagen waren opgelegd, maar dit leidt niet tot cassatie omdat de aard en ernst van het bewezenverklaarde in zijn geheel niet worden aangetast. De klacht over overschrijding van de redelijke termijn in de cassatiefase (artikel 6 lid 1 EVRM) slaagt, waarna de geldboete wordt verminderd van EUR 10.000 naar EUR 9.000. De overige vijf cassatiemiddelen, waaronder klachten over de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie, het bewijs van opzet en de draagkracht, worden afgedaan met toepassing van artikel 81 lid 1 Wet RO. Het arrest heeft samenhang met de zaken 23/00758 en 23/00760.

Achtergrond

De verdachte in deze zaak is een besloten vennootschap, verdachte B.V., gevestigd in vestigingsplaats. Enig aandeelhouder en bestuurder van de verdachte is A B.V., die op haar beurt volledig wordt gehouden en bestuurd door de natuurlijke persoon medeverdachte. De zaak hangt samen met twee andere cassatiezaken (zaaknummers 23/00758 en 23/00760), waarin de Hoge Raad op dezelfde datum uitspraak doet.

Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Zwolle, veroordeelt de verdachte bij arrest van 24 februari 2023 voor twee feiten. Het eerste feit betreft het opzettelijk niet doen van bij de belastingwet voorziene aangiften als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR), meer specifiek aangiften vennootschapsbelasting over de jaren 2011, 2012, 2013, 2015 en 2016. Dit feit is strafbaar gesteld in artikel 69 lid 1 AWR. Het tweede feit betreft het opzettelijk niet voeren van een administratie overeenkomstig de daaraan bij of krachtens de belastingwet gestelde eisen, als bedoeld in artikel 52 AWR. Bij beide feiten strekt het feit ertoe dat te weinig belasting wordt geheven. Het hof legt een geldboete op van EUR 10.000.

Uit de bewijsmiddelen komt het volgende beeld naar voren. De verdachte is over de jaren 2011 tot en met 2017 steeds uitgenodigd tot het doen van aangifte vennootschapsbelasting. Medeverdachte heeft telkens om uitstel verzocht, maar de aangiften vervolgens niet ingediend. De Belastingdienst stuurt in totaal 21 uitnodigingsbrieven, waarop 21 keer uitstel wordt verzocht. Daarop volgen 18 herinneringen en 18 aanmaningen. Over de jaren 2011 tot en met 2014 worden uiteindelijk ambtshalve aanslagen opgelegd. Over de jaren 2015 en 2016 zijn ten tijde van de bewezenverklaarde periode nog geen ambtshalve aanslagen opgelegd.

Bij een doorzoeking van de woning van medeverdachte op 20 augustus 2018 wordt in de als kantoorruimte ingerichte kamer een grote hoeveelheid ongeopende post aangetroffen, waaronder blauwe enveloppen van de Belastingdienst. Een van de geopende brieven blijkt een aanmaning over het jaar 2014 te betreffen, gericht aan A B.V.

Wat betreft de administratie stelt de controlerende ambtenaar van de Belastingdienst vast dat er in het geheel geen financiele administratie is bijgehouden. De aanwezige bescheiden bestaan slechts uit bankafschriften en handmatig opgestelde kladblokken waarin bedragen uit het bankverkeer zonder totalisering, zonder btw-vermelding en zonder verdere uitsplitsing zijn samengevoegd. Jaarrekeningen ontbreken, evenals overzichten van balansposities, opbrengsten en kosten. De administratie is volgens de controlerende ambtenaar niet zodanig ingericht dat controle daarvan binnen een redelijke termijn mogelijk is.

Medeverdachte verklaart tijdens zijn verhoor op 26 september 2018 dat de aangiften niet zijn ingediend. Hij geeft aan dat hij altijd zelf de administratie heeft verzorgd en deze nooit uit handen heeft gegeven. Als reden voor het niet indienen voert hij aan dat er in de periode 2010 tot heden veel is gebeurd in zowel zijn zakelijk als zijn prive leven.

Uit het dossier blijkt verder dat de aangiften alsnog zijn ingediend voor 7 december 2018, dus voor het verstrijken van een eerder afgesproken termijn. Het hof oordeelt echter dat het alsnog doen van aangifte na de tenlastegelegde periode de strafbaarheid van het delict gedurende die periode niet opheft. Het opzettelijk niet doen van aangifte als bedoeld in artikel 69 AWR is immers een omissiedelict dat voortduurt tot aan de gestelde verplichting is voldaan.

Middelen

Namens de verdachte stelt advocaat J. Kuijper bij schriftuur en aanvullende schriftuur zeven cassatiemiddelen voor. De advocaat-generaal P.M. Frielink neemt een conclusie die strekt tot gedeeltelijke vernietiging.

Het eerste middel klaagt over de afwijzing van verzoeken tot oproeping van een projectleider Opsporing van de Belastingdienst/FIOD als getuige, zowel bij tussen- als bij eindarrest.

Het tweede middel richt zich tegen de verwerping van het verweer dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard omdat de belastinginspecteur voorafgaand aan de vervolging geen informatiebeschikking als bedoeld in artikel 52a AWR heeft genomen.

Het derde middel klaagt over de verwerping van het niet-ontvankelijkheidsverweer wegens schending van het vertrouwensbeginsel. De verdediging stelt dat het openbaar ministerie met de verdachte heeft afgesproken dat vervolging achterwege zou blijven als voor 7 december 2018 de aangiften vennootschapsbelasting zouden zijn ingediend.

Het vierde middel richt zich tegen de bewezenverklaring van feit 1, het niet doen van aangiften vennootschapsbelasting. De klacht houdt onder meer in dat het oordeel van het hof getuigt van een onjuiste rechtsopvatting en dat de bewijsvoering niet redengevend is, in het bijzonder ten aanzien van de aangiften over de jaren 2015 en 2016. De verdediging voert aan dat het hof zelf heeft vastgesteld dat deze aangiften in de bewezenverklaarde periode zijn gedaan.

Het vijfde middel klaagt over het bewezenverklaarde opzet op het niet doen van de aangiften.

Het zesde middel richt zich tegen de strafoplegging, meer in het bijzonder tegen de wijze waarop het hof de draagkracht van de verdachte heeft betrokken bij de oplegging van de geldboete.

Het zevende middel klaagt over de overschrijding van de inzendtermijn in de cassatiefase en daarmee over schending van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM.

Beoordeling Hoge Raad

De Hoge Raad bespreekt expliciet het vierde en het zevende middel. De overige middelen worden afgedaan op grond van artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie (Wet RO), wat inhoudt dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging en dat de Hoge Raad niet motiveert waarom hij tot dit oordeel komt.

Ten aanzien van het vierde middel stelt de Hoge Raad vast dat het hof heeft geconstateerd dat de verdachte was uitgenodigd tot het doen van aangiften vennootschapsbelasting over de jaren 2015 en 2016 en dat deze aangiften tijdens de bewezenverklaarde periode daadwerkelijk zijn gedaan, terwijl over die jaren nog geen ambtshalve aanslagen waren opgelegd door de inspecteur. Tegen die achtergrond oordeelt de Hoge Raad dat het op deze vaststellingen gebaseerde oordeel van het hof dat de verdachte in de bewezenverklaarde periode van 1 maart 2012 tot en met 12 december 2018 de aangiften vennootschapsbelasting over de jaren 2015 en 2016 "niet heeft gedaan", niet begrijpelijk is. Met andere woorden: als de aangiften alsnog zijn ingediend voordat ambtshalve aanslagen zijn opgelegd, kan niet zonder meer worden gezegd dat die aangiften in de bewezenverklaarde periode niet zijn gedaan.

Het slagen van deze klacht leidt echter niet tot cassatie. De Hoge Raad oordeelt dat het weglaten van dit onderdeel van de bewezenverklaring, namelijk het niet doen van de aangiften over 2015 en 2016, de aard en de ernst van het bewezenverklaarde in zijn geheel beschouwd niet aantast. De bewezenverklaring blijft immers overeind voor de aangiften over de jaren 2011, 2012 en 2013, alsmede voor het onder 2 bewezenverklaarde administratieverzuim. Het vierde middel is in zoverre tevergeefs voorgesteld.

Hiermee wijkt de Hoge Raad af van de conclusie van advocaat-generaal Frielink. De advocaat-generaal concludeert tot vernietiging van de bewezenverklaring voor zover deze inhoudt dat de verdachte de aangiften over 2015 en 2016 niet heeft gedaan, en tot vrijspraak van dit onderdeel. De Hoge Raad kiest in plaats daarvan voor de weg van de verwerping, omdat het weglaten van dit onderdeel de aard en ernst van het geheel niet raakt.

Ten aanzien van het zevende middel oordeelt de Hoge Raad dat dit gegrond is. De stukken zijn te laat door het hof ingezonden en de Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep op 28 februari 2023. Dit betekent dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM is overschreden. De Hoge Raad verbindt hieraan het gevolg dat de opgelegde geldboete wordt verminderd.

De Hoge Raad vernietigt de uitspraak van het hof uitsluitend wat betreft de hoogte van de opgelegde geldboete, vermindert deze van EUR 10.000 naar EUR 9.000, en verwerpt het beroep voor het overige. Het arrest is gewezen door vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren T. Kooijmans en F. Damsteegt.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^