Voormalig gemeentelijk directeur en echtgenoot veroordeeld voor passieve omkoping: schijnprocedures en verborgen commissiegelden bij inhuur IT-personeel
/Rechtbank Oost-Brabant 13 april 2026, ECLI:NL:RBOBR:2026:2310 (de ambtenaar) en ECLI:NL:RBOBR:2026:2309 (de echtgenoot)
De rechtbank Oost-Brabant veroordeelt een voormalig gemeentelijk directeur en haar echtgenoot voor het medeplegen van passieve ambtelijke omkoping. Het echtpaar zet een constructie op waarbij externe IT-medewerkers via een specifiek detacheringsbureau bij de gemeente worden ingehuurd, terwijl hun gezamenlijke bedrijf hiervoor commissiegelden ontvangt. De interne procedures van de gemeente worden stelselmatig omzeild door middel van schijnprocedures, buiten medeweten van zowel de gemeente als de ingehuurde externen. In totaal wordt voor ruim € 116.000 aan commissies gedeclareerd, waarvan ruim € 54.000 daadwerkelijk wordt uitbetaald. Ondanks een overschrijding van de redelijke termijn met bijna vijf jaar legt de rechtbank aan beide verdachten een taakstraf op van 240 uur en wijst zij de vordering van de benadeelde partij gedeeltelijk toe tot een bedrag van € 27.500.
Inleiding en context
De zaken betreffen een strafrechtelijk onderzoek genaamd "Taishan" naar ambtelijke corruptie bij een gemeente. De eerste verdachte is een vrouw die in de ten laste gelegde periode werkzaam is als ambtenaar bij de gemeente in de functie van directeur Bedrijfsvoering en Dienstverlening. Per 1 juni 2017 neemt zij ook de taken van het hoofd Personeel, Organisatie en Informatisering waar. Per 1 december 2017 wordt haar ontslag verleend op eigen verzoek. De tweede verdachte is haar echtgenoot. Beide verdachten zijn ieder voor 50% aandeelhouder van een gezamenlijk bedrijf, een Belgische BVBA. De zaken worden in eerste aanleg behandeld door de meervoudige strafkamer van de rechtbank Oost-Brabant op de zitting van 30 maart 2026.
De aanleiding voor het strafrechtelijk onderzoek is een aangifte van de toenmalige burgemeester van de gemeente op 19 juni 2018, nadat een onderzoek door adviesbureau Berenschot vermoedens van belangenverstrengeling bij de inhuur van extern personeel aan het licht brengt. Berenschot concludeert dat de verdachte via een detacheringsbureau, waarvan de directeur het echtpaar prive kende, externen inhuurde voor de gemeente. Het gezamenlijke bedrijf van de verdachte en haar echtgenoot ontvangt commissiegelden van het detacheringsbureau voor deze inhuur. In 2019 volgen doorzoekingen bij het kantoorpand van de rechtsopvolger van het detacheringsbureau en bij de gezamenlijke woning van de verdachte en haar echtgenoot in Antwerpen. Hoewel aanvankelijk ook de directeur van het detacheringsbureau als verdachte wordt aangemerkt, worden uiteindelijk alleen de verdachte en haar echtgenoot gedagvaard.
Tenlastelegging en wettelijk kader
De verdachte wordt verweten dat zij in de periode van 1 juli 2016 tot en met 1 december 2017 in Nederland en Belgie, als ambtenaar, tezamen en in vereniging met haar echtgenoot, meermalen giften en beloften heeft aangenomen en gevraagd in de zin van artikel 363 van het Wetboek van Strafrecht (passieve ambtelijke omkoping). Haar echtgenoot wordt in een afzonderlijke zaak vervolgd voor het medeplegen van hetzelfde feit. Het gaat om toezeggingen en betalingen van commissiegelden door het detacheringsbureau aan het gezamenlijke bedrijf van het echtpaar, in verband met de inhuur van vijf externe IT-medewerkers door de gemeente. De tenlastelegging omvat zowel het aannemen als het vragen van giften en beloften, terwijl de verdachte wist dat deze verband hielden met haar handelen in haar bediening als ambtenaar.
Standpunt van het Openbaar Ministerie
Het Openbaar Ministerie stelt zich op het standpunt dat het ten laste gelegde in beide zaken wettig en overtuigend bewezen kan worden. De officier van justitie vordert tegen beide verdachten een taakstraf voor de duur van 240 uur. Ten aanzien van het nietigheidsverweer van de verdediging stelt de officier van justitie dat de tenlastelegging in het licht van het dossier voldoende duidelijk is. Met betrekking tot de vordering van de benadeelde partij stelt de officier van justitie dat de schadepost voor Berenschot kan worden toegewezen en dat de schadepost voor Deloitte niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.
Standpunt van de verdediging
De verdediging voert in beide zaken een formeel verweer en stelt dat een onderdeel van de tenlastelegging (onder II sub e) onbegrijpelijk en innerlijk tegenstrijdig is, waardoor de dagvaarding op dat punt nietig verklaard dient te worden. Daarnaast bepleit de verdediging in beide zaken vrijspraak op de in de pleitnota genoemde gronden en de ter terechtzitting gegeven aanvullingen. De verdediging voert onder meer aan dat de verdachte gedreven was om kwalitatief de juiste personen op de juiste plekken binnen de organisatie te plaatsen en dat het handelen gebruikelijk is in de markt van inhuur van professionals. De verdachte verklaart ter terechtzitting dat zij transparant is geweest richting de gemeente over haar nevenfuncties en financiele belangen en dat haar echtgenoot haar nimmer heeft geinformeerd over de commissiebetalingen. Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij verzoekt de verdediging primair om afwijzing gezien de bepleitte vrijspraak. Subsidiair voert de verdediging aan dat de schadepost Deloitte onvoldoende is onderbouwd en dat de schadepost Berenschot geen gevolg is van enig strafbaar feit. De verdediging voert in geen van beide zaken een straftoemetingsverweer.
Oordeel gerecht
De rechtbank verwerpt het nietigheidsverweer in beide zaken. In het licht van de tenlastelegging in samenhang met het complete dossier moet de verdachte in staat worden geacht de tekst te begrijpen. De dagvaarding voldoet aan de vereisten van artikel 261 Sv.
Ten aanzien van de bewijsvraag overweegt de rechtbank dat de verdachte gedurende de gehele ten laste gelegde periode als ambtenaar werkzaam is bij de gemeente. Het begrip "in zijn bediening" van artikel 363 Sr vereist niet dat de ambtenaar bevoegd is tot de diensten die van haar verlangd worden, maar alleen dat haar ambt haar daartoe in staat stelt of de gelegenheid biedt. Uit deelovereenkomsten tussen het detacheringsbureau en het gezamenlijke bedrijf van het echtpaar blijkt dat commissiegelden zijn overeengekomen op basis van door externen gewerkte uren. In totaal declareert het bedrijf binnen de ten laste gelegde periode € 116.770,50 aan commissiegelden, waarvan daadwerkelijk € 54.750,50 wordt uitbetaald. Het restant van € 62.020 wordt niet betaald nadat de rechtsopvolger van het detacheringsbureau de onregelmatigheden constateert.
De rechtbank behandelt de inhuur van iedere externe afzonderlijk en concludeert dat bij alle vijf ingehuurde personen een vergelijkbaar patroon zichtbaar is. De gemeente heeft via een Europees aanbestedingstraject mantel- en raamcontracten afgesloten voor de inhuur van externen. Het detacheringsbureau is geen mantelcontracthouder. De geldende interne procedures schrijven voor dat eerst intern wordt gekeken, vervolgens bij mantelcontracthouders wordt uitgevraagd en pas daarna bij marktpartijen. De verdachte stuurt vanuit haar functie actief op inhuur via het detacheringsbureau, terwijl dit bureau niet onder de mantelcontracthouders valt. De uitvragen bij de mantelcontracthouders betreffen naar het oordeel van de rechtbank schijnprocedures. In meerdere gevallen is de beoogde kandidaat al aan het werk voordat de formele procedure zelfs maar doorlopen is. Het voormalige hoofd van de afdeling P, O en I verklaart zich niet vrij te hebben gevoeld om de wens van de verdachte te weerstaan en de door haar beoogde kandidaat niet in te huren.
De verdachte stuurt veelvuldig vertrouwelijke gemeentedocumenten en communicatie over vacatures door naar haar echtgenoot op zijn zakelijke e-mailadres. De echtgenoot deelt deze informatie vervolgens met de directeur van het detacheringsbureau en met de in te huren personen. Noch de ingehuurde externen, noch de gemeente is op de hoogte van de betrokkenheid van het gezamenlijke bedrijf of van de commissiebetalingen. De rechtbank acht bijzonder veelzeggend dat het bedrijf en de commissiebetalingen stelselmatig buiten beeld zijn gehouden, terwijl de verdachten zelf aanvoeren dat hun handelen gebruikelijk is in de inhuurmarkt.
De rechtbank schuift als ongeloofwaardig terzijde dat de verdachte naar eigen zeggen transparant is geweest richting de gemeente over haar nevenfuncties en financiele belangen. Uit het dossier blijkt niet dat zij hiervan opgave heeft gedaan, terwijl de gemeente haar daar bij het aangaan van haar dienstverband expliciet om heeft verzocht. De rechtbank acht eveneens ongeloofwaardig dat de verdachte niet op de hoogte zou zijn geweest van de commissiebetalingen, gelet op haar 50%-aandeelhouderschap, haar goedkeuring van de jaarrekeningen van 2016 en 2017, de aanwezigheid van de administratie op haar woonadres en de innige samenwerking die uit het dossier blijkt. De rechtbank merkt wel op dat het verweer dat de verdachte kwalitatief de juiste personen op de juiste plekken wilde plaatsen, kan bestaan naast het strafbare handelen.
Gezien het planmatige handelen van beide verdachten en de nauwe en bewuste samenwerking die daaruit blijkt, oordeelt de rechtbank dat sprake is van medeplegen.
Bewezenverklaring
De rechtbank verklaart ten aanzien van beide verdachten bewezen dat zij zich schuldig hebben gemaakt aan:
medeplegen van als ambtenaar een gift en een belofte aannemen, wetende dat deze haar gedaan en aangeboden wordt teneinde haar te bewegen om in haar bediening iets te doen, meermalen gepleegd
medeplegen van als ambtenaar een gift en een belofte vragen teneinde haar te bewegen om in haar bediening iets te doen, meermalen gepleegd
De bewezenverklaring omvat de toezeggingen van commissiebetalingen per gewerkt uur voor alle vijf ingehuurde externen, alsmede de daadwerkelijke betalingen ten aanzien van vier van hen. Voorts wordt bewezen verklaard dat de verdachte vanuit haar functie heeft bewerkstelligd dat de externen via het detacheringsbureau werden ingehuurd, dat buiten de bestaande werkafspraken om een supplier agreement met het bureau is afgesloten, dat gemeenteprofielen zijn aangepast, dat vertrouwelijke informatie is verstrekt en dat instructies zijn gegeven over wat een externe wel of niet moest communiceren richting de gemeente.
Strafoplegging en maatregelen
De rechtbank oordeelt dat de ernst van de feiten op zichzelf de oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf rechtvaardigt ten aanzien van beide verdachten. De verdachte misbruikt gedurende ruim een jaar haar positie als ambtenaar op directieniveau om zichzelf en haar partner financieel te bevoordelen. De rechtbank overweegt dat zij als topambtenaar een voorbeeldfunctie had en dat haar handelen voor veel onrust binnen de gemeentelijke organisatie heeft gezorgd. Beide verdachten hebben op geen enkel moment blijk gegeven van inzicht in het laakbare van hun handelen, hebben geen verantwoordelijkheid genomen, geen berouw getoond en geen bereidheid uitgesproken het veroorzaakte nadeel te compenseren. Geen van beide verdachten is eerder veroordeeld.
De redelijke termijn is aangevangen op 23 mei 2019 bij de doorzoeking van het toenmalige pand van het echtpaar. De rechtbank stelt vast dat deze termijn met ruim vier jaar en elf maanden is geschonden. Gezien deze aanzienlijke overschrijding volstaat de rechtbank in beide zaken met oplegging van een taakstraf voor de duur van 240 uur, subsidiair 120 dagen hechtenis, overeenkomstig de eis van het Openbaar Ministerie.
De vordering van de benadeelde partij wordt in beide zaken gedeeltelijk toegewezen tot een bedrag van € 27.500 aan materiele schade, bestaande uit de kosten van adviesbureau Berenschot. De rechtbank merkt deze kosten aan als kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid in de zin van artikel 6:96 lid 2 sub a BW. De schadepost voor Deloitte wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens onvoldoende onderbouwing. De verdachten zijn hoofdelijk aansprakelijk. De rechtbank legt tevens de schadevergoedingsmaatregel op, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 22 mei 2018.
Lees hier de volledige uitspraken:
