Verminderde toerekenbaarheid en de motiveringsplicht: de Hoge Raad houdt vast aan de ruime straftoemetingsvrijheid van de feitenrechter

Hoge Raad 14 april 2026, ECLI:NL:HR:2026:477

De Hoge Raad bevestigt in zijn arrest de veroordeling van een man tot veertien jaren en zes maanden gevangenisstraf wegens doodslag op zijn echtgenote en het doden van hun hond. Centraal staat de vraag of het hof voldoende heeft gemotiveerd hoe de verminderde toerekeningsvatbaarheid is verdisconteerd in de strafmaat. De Hoge Raad herhaalt de ruime straftoemetingsvrijheid van de feitenrechter en verwijst naar zijn arresten uit 1985 en 2022. De rechter hoeft de invloed van verminderde toerekenbaarheid op de straf in beginsel niet te motiveren, tenzij de verdediging of het OM een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt inneemt. In deze zaak is de strafoplegging toereikend gemotiveerd en wordt het cassatieberoep verworpen.

Achtergrond

De verdachte, een natuurlijk persoon geboren in 1948, is door het gerechtshof 's-Hertogenbosch bij arrest van 19 december 2024 (zaaknummer 20-000882-22) veroordeeld voor twee feiten. Het eerste feit betreft doodslag, strafbaar gesteld in artikel 287 van het Wetboek van Strafrecht. Op 26 september 2021 heeft de verdachte in de echtelijke woning zijn echtgenote van het leven beroofd door haar van achteren te benaderen terwijl zij nietsvermoedend televisie zat te kijken, en haar vervolgens met een lap (quilt)stof om de hals te wurgen. Blijkens de afdrukken aan de achterzijde van de bank heeft de verdachte daarbij forse kracht moeten uitoefenen. Het tweede feit betreft de overtreding van het verbod van artikel 2.10, eerste lid, van de Wet dieren, strafbaar gesteld in artikel 8.12, eerste lid, Wet dieren juncto artikel 8.11, eerste lid, Wet dieren. Na het doden van zijn echtgenote heeft de verdachte hun hond meegenomen naar de berging en het dier aan diens halsband met hondenriem opgehangen, waardoor het dier is overleden.

Uit de vaststellingen van het hof blijkt dat de aanleiding voor de doodslag lag in schulden die de verdachte zelf had veroorzaakt door op te grote voet te leven. Een televisie-item waarin het woord deurwaarder viel en een opmerking van het slachtoffer over haar hoop dat er nooit een deurwaarder voor de deur zou staan, vormden de onmiddellijke aanleiding. Opmerkelijk is dat uit het dossier blijkt dat de verdachte zich in 1997 al eens schuldig heeft gemaakt aan de moord op zijn eerste echtgenote, eveneens door verwurging (destijds met een stropdas) en eveneens tegen een achtergrond van zelf veroorzaakte schulden.

Het hof heeft op grond van de pro justitia-rapportages van een psychiater en een psycholoog vastgesteld dat bij de verdachte sprake is van narcistische, vermijdende, passief-agressieve, antisociale en mogelijk dwangmatige persoonlijkheidstrekken, in combinatie met een aanpassingsstoornis met een gemengde stoornis van emoties en gedrag. De deskundigen concluderen dat de verdachte ten aanzien van het bewezenverklaarde verminderd toerekeningsvatbaar is te achten. Het hof volgt die conclusie en beschouwt de verdachte als verminderd toerekeningsvatbaar.

Het hof acht een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van vijftien jaren in beginsel passend en geboden, maar legt uiteindelijk vanwege overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep (artikel 6, eerste lid, EVRM) met circa zestien maanden een gevangenisstraf op van veertien jaren en zes maanden, met aftrek van voorarrest. Daarnaast legt het hof de maatregel strekkende tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking op als bedoeld in artikel 38z, eerste lid, Sr. De door de rechtbank eerder opgelegde terbeschikkingstelling met dwangverpleging wordt door het hof niet overgenomen, mede gelet op het als laag ingeschatte recidiverisico.

Middelen

Namens de verdachte heeft advocaat H.C. Ingelse vijf cassatiemiddelen voorgesteld. De Hoge Raad bespreekt in het gepubliceerde arrest expliciet slechts het derde middel inhoudelijk; de overige middelen worden afgedaan met de verkorte motivering van artikel 81, eerste lid, Wet RO.

Het derde cassatiemiddel klaagt over de strafoplegging, in het bijzonder over de oplegging van de gevangenisstraf. Het middel voert onder meer aan dat het hof heeft nagelaten te motiveren hoe de omstandigheid dat de bewezenverklaarde doodslag in verminderde mate aan de verdachte kan worden toegerekend, is betrokken bij de strafmaat. De verdediging heeft blijkens de pleitnota ter terechtzitting van 5 december 2024 gevraagd om "straf naar de mate van schuld" en om bij de oplegging van een vrijheidsstraf duidelijk te maken of en, zo ja, in welke mate de verminderde toerekeningsvatbaarheid bij het bepalen van de strafmaat in overweging is genomen.

Uit de conclusie van advocaat-generaal M.E. van Wees (ECLI:NL:PHR:2026:134) en de inhoudsindicatie blijkt dat de andere middelen onder meer klagen over het bewezenverklaarde opzet op de dood van de echtgenote, over het oordeel dat de verdachte ten aanzien van feit 1 slechts als verminderd toerekeningsvatbaar is te beschouwen, en over de oplegging van de gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel.

Beoordeling Hoge Raad

De Hoge Raad verwerpt het beroep en gaat uitsluitend inhoudelijk in op het derde middel.

Voor de beoordeling herhaalt de Hoge Raad allereerst de relevante overwegingen uit zijn arrest van 5 juli 2022, ECLI:NL:HR:2022:975, over de ruime straftoemetingsvrijheid van de feitenrechter en de motiveringsvoorschriften van artikel 359, tweede, vijfde en zesde lid, Sv. Binnen de grenzen van de wet is de feitenrechter vrij in de keuze van de strafsoort, de hoogte van de straf en de keuze en weging van de daarvoor relevante factoren. De Hoge Raad stelt zich als cassatierechter terughoudend op bij de vraag of de strafmotivering toereikend is.

Vervolgens ziet de Hoge Raad geen aanleiding af te wijken van zijn arrest van 15 juli 1985, ECLI:NL:HR:1985:AC4252. In dat arrest is overwogen dat de mate van schuld niet de enige factor is die de rechter in acht moet nemen bij de strafoplegging, maar dat hij ook rekening kan houden met andere omstandigheden van feitelijke aard, zoals de schok die een ernstig misdrijf in de rechtsorde heeft teweeggebracht en de generaal en speciaal preventieve werking die van een dergelijke straf uitgaat. Het beginsel van "straf naar de mate van schuld" is dus geen dwingende maatstaf die andere strafdoelen opzijzet.

Tegelijk verduidelijkt de Hoge Raad dat tot de factoren die van belang kunnen worden geacht bij de keuze van de op te leggen straf, de omstandigheid kan worden gerekend dat de rechter oordeelt dat het bewezenverklaarde feit in verminderde mate aan de verdachte kan worden toegerekend. In zo'n geval ligt het in de rede dat de rechter een zekere matiging van de op te leggen gevangenisstraf in overweging neemt. De rechter hoeft zijn beslissing of en, zo ja, hoe hij bij de strafoplegging met die omstandigheid rekening houdt, echter in beginsel niet te motiveren. Dat is anders wanneer de verdediging of het openbaar ministerie een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt inneemt over de concrete gevolgen van de verminderde toerekenbaarheid voor de straftoemetingsbeslissing. Alsdan moet de rechter op grond van artikel 359, tweede lid, tweede volzin, Sv nader motiveren waarom hij tot een van dat standpunt afwijkende beslissing komt.

Toegepast op deze zaak oordeelt de Hoge Raad dat de strafoplegging toereikend is gemotiveerd. Het hof heeft immers uiteengezet welke factoren het bij de straftoemeting heeft betrokken: de aard en ernst van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder het is begaan, de persoon van de verdachte, de gevolgen van de doodslag voor de nabestaanden, de straffen die doorgaans in vergelijkbare zaken worden opgelegd en de omstandigheid dat de verdachte zich in 1997 op vergelijkbare wijze heeft schuldig gemaakt aan de moord op zijn eerste echtgenote. Het hof heeft uitdrukkelijk overwogen dat het in het voordeel van de verdachte heeft laten meewegen dat in ieder geval de doodslag in verminderde mate aan de verdachte kan worden toegerekend. Gelet op wat door de verdediging is aangevoerd, acht de Hoge Raad een nadere motivering dan de door het hof gegeven uitleg niet vereist. Het middel faalt in zoverre.

De overige klachten worden met toepassing van artikel 81, eerste lid, Wet RO verworpen, omdat de beoordeling daarvan geen beantwoording vergt van vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht. Welke concrete klachten dit betreft en hoe de advocaat-generaal daarover heeft geconcludeerd, blijkt niet uit de gepubliceerde tekst van het arrest zelf; daarvoor moet worden teruggevallen op de conclusie van de advocaat-generaal (ECLI:NL:PHR:2026:134).

De Hoge Raad verwerpt het beroep. Daarmee zijn de veroordeling, de gevangenisstraf van veertien jaren en zes maanden en de maatregel strekkende tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking definitief.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^