Klimaatzaak Bonaire: een nieuwe mijlpaal in het klimaatrecht
/Rechtbank Den Haag 28 januari 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:1344
De Rechtbank Den Haag heeft vonnis gewezen in de Klimaatzaak Bonaire. In deze procedure eisten Greenpeace en inwoners van Bonaire dat de Nederlandse Staat een klimaatbeleid voert dat het eiland daadwerkelijk beschermt tegen de gevolgen van klimaatverandering. De zaak is juridisch bijzonder omdat zij zowel ziet op mitigatiebeleid – het terugdringen van de uitstoot van broeikasgassen – als op adaptatiebeleid: maatregelen om Bonaire te beschermen tegen de concrete gevolgen van klimaatverandering.
Het vonnis markeert een nieuwe fase in het Nederlandse klimaatrecht, waarin niet alleen reductiedoelen, maar ook bescherming tegen reeds zichtbare klimaatgevolgen en gelijke behandeling binnen het Koninkrijk centraal staan.
Twee samenhangende pijlers: mitigatie en adaptatie
De vorderingen van Greenpeace en de inwoners van Bonaire waren opgebouwd rond twee pijlers. Enerzijds werd gesteld dat het Nederlandse mitigatiebeleid tekortschiet: de uitstoot van broeikasgassen wordt onvoldoende en niet op een juridisch bindende wijze teruggedrongen. Anderzijds werd betoogd dat de Staat tekortschiet in zijn zorgplicht door Bonaire onvoldoende te beschermen tegen de gevolgen van klimaatverandering.
De rechtbank benadrukt dat mitigatie- en adaptatiemaatregelen niet los van elkaar kunnen worden beoordeeld. De bescherming van mensenrechten in de context van klimaatverandering vergt een samenhangende beoordeling van het geheel aan genomen en voorgenomen maatregelen.
Mitigatiemaatregelen: doelen, verplichtingen en tekortkomingen
Klimaatbeleid en mensenrechten
De rechtbank stelt voorop dat uit eerdere nationale en internationale uitspraken volgt dat staten verplicht zijn een klimaatbeleid te voeren dat mensenrechten beschermt. In Nederland is die lijn eerder bevestigd in de Urgenda-zaak, waarin een reductieverplichting voor 2020 werd aangenomen. De Klimaatzaak Bonaire verschilt echter wezenlijk van Urgenda, omdat zij ziet op de periode richting 2030 en verder.
De kernvraag is niet óf de Staat klimaatmaatregelen moet nemen, maar of het huidige klimaatbeleid voldoet aan de minimumnormen die voortvloeien uit internationale afspraken en daarmee aan de positieve verplichtingen die uit het mensenrechtenkader volgen.
Geen bindend emissiedoel voor 2030
De Nederlandse Klimaatwet bevat een doelstelling voor 2030. De rechtbank oordeelt echter dat deze doelstelling niet voldoet aan de minimumnormen die volgen uit VN-afspraken. Volgens het Akkoord van Parijs moeten staten bindende emissiereductiedoelen vaststellen. De Nederlandse doelstelling voor 2030 heeft echter slechts een streefkarakter en is daarmee niet juridisch bindend.
Dat acht de rechtbank problematisch. Zonder bindende tussendoelen ontbreekt een voldoende stevig juridisch kader om te waarborgen dat de noodzakelijke emissiereducties daadwerkelijk worden gerealiseerd. De rechtbank beveelt de Staat daarom om binnen achttien maanden in nationale regelgeving absolute emissiereductiedoelen voor de gehele economie op te nemen, inclusief tussentijdse doelstellingen en reductietrajecten tot aan 2050.
VN-afspraken als normatief ijkpunt
De rechtbank bepaalt dat deze nieuwe emissiedoelen moeten voldoen aan de afspraken die in VN-verband zijn gemaakt. In dat kader verwijst zij naar recente VN-besluiten waaruit volgt dat voor Bijlage-I-landen een reductie van ten minste 43% van de uitstoot van broeikasgassen in 2030 ten opzichte van 2019 geldt als ondergrens.
De rechtbank legt dit percentage niet op als zelfstandig nationaal reductiebevel, maar gebruikt het als normatief referentiepunt bij de beoordeling of het Nederlandse klimaatbeleid voldoet aan de internationale minimumnormen. De nieuwe bindende nationale doelen moeten aan deze VN-afspraken beantwoorden.
Lucht- en zeevaart niet meegenomen
Een afzonderlijk punt van kritiek betreft de reikwijdte van de Nederlandse emissiedoelstellingen. De rechtbank oordeelt dat het huidige emissiedoel onrechtmatig is omdat daarin de uitstoot van lucht- en zeevaart niet, althans niet volledig, wordt meegenomen.
Juist deze sectoren leveren een substantiële bijdrage aan de totale uitstoot. Door deze buiten beschouwing te laten, voldoet het klimaatbeleid niet aan het uitgangspunt dat alle relevante emissiebronnen moeten worden betrokken. Bij het vaststellen van nieuwe doelen moeten lucht- en zeevaart daarom worden meegenomen.
Adaptatiemaatregelen: bescherming tegen concrete gevolgen
Eerste grote zaak over adaptatiebeleid
De Klimaatzaak Bonaire is de eerste grote Nederlandse klimaatzaak waarin adaptatiebeleid een zelfstandige en centrale rol speelt. Dat is mede ingegeven door de specifieke kwetsbaarheid van Bonaire. Als klein eiland wordt Bonaire geconfronteerd met zeespiegelstijging, aantasting van leefbaarheid en ernstige risico’s voor bestaansmiddelen zoals landbouw.
In die context volstaat het niet om uitsluitend te kijken naar mondiale emissiereductie. De vraag hoe inwoners concreet worden beschermd tegen reeds zichtbare en te verwachten gevolgen van klimaatverandering is juridisch doorslaggevend.
Onvoldoende invulling van de zorgplicht
De rechtbank oordeelt dat de Staat in het verleden onvoldoende tijdig en passend invulling heeft gegeven aan zijn zorgplicht jegens Bonaire. Daarbij is doorslaggevend dat er nog steeds geen integraal klimaatadaptatieplan bestaat dat Bonaire omvat, terwijl al decennia bekend is dat het eiland bijzonder kwetsbaar is voor klimaatverandering.
Het ontbreken van een dergelijk plan betekent dat adaptatiemaatregelen niet systematisch, samenhangend en toekomstgericht worden vormgegeven. Dat acht de rechtbank in strijd met de positieve verplichtingen van de Staat.
Bevel gericht op internationale adaptatietargets
De rechtbank formuleert het bevel aan de Staat zorgvuldig. Zij draagt de Staat niet op om op korte termijn een specifiek plan vast te stellen, maar beveelt de Staat te bewerkstelligen dat de in het United Arab Emirates Framework for Global Climate Resilience geformuleerde targets voor het opstellen en implementeren van een nationaal adaptatieplan dat ook Bonaire beslaat tijdig – dat wil zeggen uiterlijk in 2030 – worden gehaald.
Daarmee legt de rechtbank de nadruk op het halen van internationaal overeengekomen adaptatiedoelen, met Bonaire als integraal onderdeel van het nationale adaptatiebeleid.
Ongelijke behandeling van Bonaire
Een belangrijk onderdeel van het vonnis betreft de ongelijke behandeling van Bonaire ten opzichte van het Europese deel van Nederland. De rechtbank stelt vast dat inwoners van Bonaire niet hetzelfde beschermingsniveau genieten tegen klimaatverandering als inwoners van Europees Nederland.
Voor dit verschil bestaat volgens de rechtbank geen objectieve en redelijke rechtvaardiging. Integendeel: juist de grotere kwetsbaarheid van Bonaire zou aanleiding moeten zijn voor tijdiger en intensiever adaptatiebeleid. Door dit na te laten, heeft de Staat het discriminatieverbod geschonden.
De rechtbank verklaart daarom voor recht dat de Staat heeft gehandeld in strijd met het discriminatieverbod zoals neergelegd in artikel 14 EVRM en artikel 1 van het Twaalfde Protocol bij het EVRM.
Slotbeschouwing
De Klimaatzaak Bonaire markeert een belangrijke ontwikkeling in het Nederlandse klimaatrecht. Het vonnis bevestigt dat klimaatverplichtingen niet uitsluitend gaan over abstracte reductiedoelen, maar ook over concrete bescherming van mensen tegen de gevolgen van klimaatverandering. Daarbij spelen mensenrechten, gelijke behandeling en bestuurlijke zorgplichten een centrale rol.
Voor de Staat betekent dit vonnis dat zowel het mitigatie- als het adaptatiebeleid juridisch moet worden aangescherpt. Voor Bonaire betekent het dat de specifieke kwetsbaarheid van het eiland niet langer kan worden genegeerd, maar expliciet en structureel moet worden meegenomen in het nationale klimaatbeleid.
Lees hier de volledige uitspraak.
