Hoge Raad verwerpt cassatieberoep OM over doorbreking van notarieel verschoningsrecht in witwasonderzoek

Hoge Raad 22 september 2026, ECLI:NL:HR:2026:1527

De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep van het openbaar ministerie tegen een beschikking van de rechtbank Amsterdam. De rechtbank had geoordeeld dat zich geen zeer uitzonderlijke omstandigheden voordoen op grond waarvan het verschoningsrecht van twee niet-verdachte notarissen moet wijken voor het belang van de waarheidsvinding. Tegen die twee notarissen waren digitale gegevensbestanden in beslag genomen naar aanleiding van een strafrechtelijk onderzoek tegen een andere notaris en zijn juridisch medewerker wegens vermoedde overtreding van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme en witwassen. De Hoge Raad oordeelt dat de rechtbank de toets voor het belang van de waarheidsvinding correct heeft toegepast. Het openbaar ministerie had niet aangetoond dat de stukken in een zodanig direct verband staan met het strafbare feit dat ze kunnen dienen om de waarheid aan het licht te brengen. De rechtbank had voorts correct opgemerkt dat veel stukken buiten de periode van verdenking vallen.

Achtergrond

In 2022 legde het openbaar ministerie beslag op digitale gegevensbestanden onder een medewerker van notaris die verdacht wordt van overtreding van artikel 16 Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme en witwassen. De verdachte notaris en zijn medewerker worden ervan verdacht dat zij niet ten minste 59 ongebruikelijke transacties hebben gemeld aan de FIU. Daarnaast is de verdenking gericht op het opmaken van hypotheek- en leveringsakten ter facilitering van witwassen. De inbeslaggenomen bestanden bevatten ruim 6000 digitale gegevensbestanden, waaronder stukken waarin de namen voorkomen van twee niet-verdachte notarissen. Deze notarissen, hierna klagers genoemd, beroepen zich op hun verschoningsrecht. De rechter-commissaris beslist in 2023 dat het openbaar ministerie mag kennisnemen van deze bestanden. Klagers dienen een klaagschrift in. De rechtbank verklaart dit in 2024 ongegrond. Na cassatie door klagers vernietigt de Hoge Raad deze beschikking (HR 24 september 2024, ECLI:NL:HR:2024:1290) omdat de rechtbank niet voldoende concreet heeft onderzocht of zeer uitzonderlijke omstandigheden bestaan die doorbreking van het verschoningsrecht van klagers rechtvaardigen. Na terugwijzing geeft de rechtbank in 2025 klagers op een aantal onderdelen gelijk. Het openbaar ministerie stelt cassatie in.

Cassatiemiddelen

Het openbaar ministerie voert twee cassatiemiddelen aan. Met het eerste middel betoogt het openbaar ministerie dat de rechtbank ten onrechte oordeelt dat zich geen zeer uitzonderlijke omstandigheden voordoen op grond waarvan het verschoningsrecht van klagers moet wijken voor het belang van de waarheidsvinding. Met het tweede middel betwist het openbaar ministerie het oordeel van de rechtbank dat stukken die via openbare registers kunnen worden geraadpleegd ook onder het verschoningsrecht vallen. Klagers dienen geen cassatiemiddelen in en worden daarom niet-ontvankelijk verklaard.

Beoordeling Hoge Raad

De Hoge Raad overweegt dat het verschoningsrecht van de notaris niet absoluut is. Zich kunnen zeer uitzonderlijke omstandigheden voordoen waarin het belang van de waarheidsvinding moet prevaleren. Voor het oordeel dat zeer uitzonderlijke omstandigheden bestaan, gelden zware motiveringseisen. Bij de afweging spelen betekenis toe de aard en ernst van het strafbare feit, de aard en inhoud van het geschoningsgerechtigde materiaal, de mate waarin de belangen van de cliënt worden geschaad bij doorbreking, en of de gegevens niet op andere wijze kunnen worden verkregen.

Voorts stelt de Hoge Raad vast dat als toetsmaatstaf voor het belang van de waarheidsvinding geldt of de betrokken gegevens redelijkerwijs in zodanig direct verband staan met het strafbare feit waarvan het vermoeden bestaat dat dit is begaan, dat deze gegevens kunnen dienen om de waarheid aan het licht te brengen. De rechtbank heeft correct bepaald dat dit verband niet bestaat. Vele stukken zijn gedateerd buiten de periode waarop de verdenking ziet. Het openbaar ministerie heeft niet aangeduid wat de directe link tussen deze stukken en de verdenking is. De rechtbank kon niet vaststellen dat een inbreuk op het verschoningsrecht noodzakelijk was. Daarnaast heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat klagers zelf geen verdachten zijn en dat niet is vastgesteld dat de gegevens niet op andere wijze kunnen worden verkregen. Het oordeel van de rechtbank dat geen zeer uitzonderlijke omstandigheden bestaan getuigt niet van onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. Dit cassatiemiddel faalt.

Bij het tweede middel oordeelt de Hoge Raad dat de rechtbank onjuiste rechtsopvatting hanteert door te stellen dat stukken die via openbare registers kunnen worden geraadpleegd ook onder het verschoningsrecht van klagers vallen. Stukken die raadpleegbaar zijn via openbare registers kunnen als zodanig niet worden aangemerkt als stukken waarover het verschoningsrecht zich uitstrekt. Dit kan anders liggen als dergelijke stukken deel uitmaken van andere stukken die onder het verschoningsrecht vallen, maar de rechtbank heeft dat niet vastgesteld. De Hoge Raad vernietigt dit oordeel echter niet op dit punt omdat het geen belang heeft. Het openbaar ministerie kan zelf beschikking over deze stukken verkrijgen via de openbare registers.

Beslissing van de Hoge Raad

De Hoge Raad verklaart klagers niet-ontvankelijk in het cassatieberoep wegens het niet indienen van cassatiemiddelen. De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep van het openbaar ministerie.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^