Hoge Raad: beklag ex art. 98 lid 4 Sv staat open tegen RC-beschikking waarbij kennisneming gefilterde gegevens wordt toegestaan

Hoge Raad 22 september 2026, ECLI:NL:HR:2026:1490

De Hoge Raad vernietigt integraal en wijst terug naar de rechtbank Overijssel. De zaak betreft beklag van Nederlandse en Belgische advocaten tegen een beschikking van de RC waarin hij het OM toestaat kennis te nemen van een gefilterde dataset, bestaande uit vele miljoenen bestanden. De klagers stellen dat hun verschoningsrecht onvoldoende is gewaarborgd omdat het filterproces, hoewel onder leiding van de RC uitgevoerd, gebreken vertoont. De rechtbank verklaart de klagers niet-ontvankelijk in hun beklag ex art. 98 lid 4 Sv, stellende dat de beschikking van de RC tot vrijgave van gefilterde gegevens niet kan gelden als een "beslissing" waarop art. 98 Sv van toepassing is. De Hoge Raad keurt dit oordeel af en stelt vast dat beklag ex art. 98 lid 4 Sv inderdaad openstaat tegen de beschikking van de RC, ook waar het gaat om gevorderde gegevens waarvan redelijk vermoeden bestaat dat zij onder het verschoningsrecht vallen. Voorts vernietigt de Hoge Raad ook die delen van de rechtbankbeschikking die niet waren bestreden omdat anders de rechtbank na terugwijzing niet naar behoren kan oordelen.

Achtergrond

De zaak betreft een beklagprocedure naar aanleiding van doorzoekingen in het strafrechtelijk onderzoek "Ballycastle" op 30 juni 2022. Bij die doorzoekingen zijn op diverse locaties netwerkdoorzoekingen verricht, waarbij meerdere gegevensdragers met daarop omvangrijke digitale bestanden in beslag zijn genomen. Daarnaast zijn historische administratieve gegevens op basis van art. 181 Sv gevorderd. De dataset die daaruit resulteert, bestaat uit vele miljoenen bestanden. Als verdachten in dit onderzoek zijn aangemerkt een aantal natuurlijke personen en rechtspersonen. Omdat deze verdachten zelf geen verschoningsrecht hebben, voeren zij aan dat verschoningsgerechtigden zich kunnen beroepen op hun verschoningsrecht ten aanzien van onder deze verdachten in beslag genomen bescheiden of gevorderde gegevens.

Onder leiding van de RC is de dataset gefilterd met als doel het verwijderen van mogelijk geprivilegieerde gegevens. De raadslieden van de verdachten hebben daartoe een lijst met zoektermen aangeleverd die betrekking zouden kunnen hebben op digitale bestanden waar een verschoningsgerechtigde de bevoegdheid tot verschoning zou kunnen hebben. Na de eerste filterronde hebben dezelfde raadslieden steekproeven verricht in de overgebleven bestanden en zijn zij gestuit op gegevens van mogelijke verschoningsgerechtigden. Naar aanleiding daarvan heeft de door de RC aangestelde geheimhoudersfunctionaris opnieuw gefilterd. Na een regiebijeenkomst zijn alle bestanden van vóór 2014 zoveel als mogelijk integraal verwijderd. In november 2023 zijn de filterwerkzaamheden beëindigd. Bij beschikking van 1 maart 2024 heeft de RC de officier van justitie toegestaan kennis te nemen van de na filtering overgebleven fysieke en digitale bestanden.

Vijf advocaten, onder wie een Duitse, dienen klaagschriften in tegen deze beschikking. Zij stellen zich op het standpunt dat zij, als verschoningsgerechtigden die de verdachten hebben bijgestaan, bescherming hebben tegen kennisneming van privilegegegevens. De rechtbank Overijssel verklaart hen op 6 september 2024 niet-ontvankelijk voor zover het beklag is gebaseerd op art. 98 lid 4 Sv, omdat naar haar oordeel geen sprake is van een "beslissing op grond van art. 98 Sv" als bedoeld in die bepaling. Gelet op art. 552a Sv verklaard zij het beklag echter gegrond en bevelen zij nadere filtering onder leiding van de RC.

Cassatiemiddel

Het cassatiemiddel voert aan dat de rechtbank een onjuiste rechtsopvatting hanteert wanneer zij bepaalt dat de klagers niet-ontvankelijk zijn in hun beklag ex art. 98 lid 4 Sv. De klagers betogen dat tegen de beschikking van de RC van 1 maart 2024 – waarin deze bepaalt dat het OM kennis mag nemen van de gefilterde gegevens omdat naar zijn oordeel voldoende is gewaarborgd dat het verschoningsrecht niet wordt geschonden – zeer wel beklag ex art. 98 lid 4 Sv openstaat. Zij wijzen erop dat art. 98 Sv, hoewel niet in de wet van toepassing verklaard op gevorderde gegevens, in redelijkheid toch moet gelden waar het filterproces mogelijk geprivilegieerde gegevens kan hebben achtergelaten. Bovendien betogen zij dat zij als verschoningsgerechtigden die de verdachten hebben bijgestaan op hun klachtrecht kunnen rekenen.

Beoordeling Hoge Raad

De Hoge Raad beginnen met een uiteenzetting van art. 98 Sv. Die bepaling bevat een regeling die ertoe strekt dat bij inbeslagneming van voorwerpen en bij doorzoeking met het doel vastlegging van gegevens het professionele verschoningsrecht wordt gerespecteerd. De RC is bevoegd ter zake te beslissen en neemt die beslissing vast in een beschikking. Voor de verschoningsgerechtigde staat daartegen beklag open bij de raadkamer van het gerecht in feitelijke aanleg waarvoor de zaak wordt vervolgd. Die procedure geldt zowel voor inbeslagneming van voorwerpen als voor vastlegging en kennisneming van gegevens vastgelegd onder art. 125i Sv. Op het beklag is art. 552a Sv van toepassing.

De Hoge Raad stelt vervolgens vast dat art. 98 Sv in de wet niet van toepassing is verklaard voor het vorderen van gegevens. Echter, de belangen die met het verschoningsrecht zijn gemoeid, kunnen maken dat de RC ook in zo'n geval een beslissing overeenkomstig art. 98 Sv neemt. Dit geldt in het bijzonder als de vordering betrekking heeft op gegevens waarvan het redelijk vermoeden bestaat dat zij onder het verschoningsrecht vallen en de selectie van betreffende gegevens niet mogelijk is zonder inhoudelijke kennisneming. In zo'n geval moet de officier van justitie een vordering ex art. 181 Sv richten aan de RC, zodat deze de gegevens in handen gesteld krijgt en kan beslissen of kennisneming is toegestaan. Deze beslissing wordt in een beschikking vastgelegd. Redelijke wetstoepassing brengt met zich dat tegen de beschikking van de RC dat kennisneming is toegestaan, voor de verschoningsgerechtigde beklag openstaat overeenkomstig art. 98 lid 4 Sv. Tegen die beschikking staat beroep in cassatie open.

De Hoge Raad geeft een kritische analyse van het rechtbankgerecht. De rechtbank oordeelt dat "geen sprake is van een situatie dat de rechter-commissaris gegevens/bestanden van/aan een verschoningsgerechtigde heeft gezien en heeft beslist dat inbeslagneming van die gegevens is toegestaan" en dat een "beslissing tot vrijgave na verwijdering niet kan worden gelijkgesteld met inbeslagneming als bedoeld in artikel 98 Sv". De Hoge Raad oordeelt dat dit standpunt een onjuiste rechtsopvatting oplevert. De beschikking van de RC van 1 maart 2024 strekt er immers toe te bepalen welke voorwerpen aan het OM ter beschikking mogen worden gesteld en van welke gegevens het OM kennis mag nemen. Dit is precies het type beslissing waarop art. 98 lid 3 Sv is gericht. Het feit dat het filterproces volledig onder leiding van de RC is uitgevoerd en dat deze eerst alle mogelijke verschoningsgegevens heeft willen verwijderen, doet daar niet aan af. De beschikking bepaalt immers op welke gegevens het OM mag kennisnemen. Dit vormt het aangrijpingspunt voor beklag ex art. 98 lid 4 Sv door de verschoningsgerechtigde.

Bij de beoordeling van het beklag kan tevens de wijze waarop selectie van digitale stukken en gegevens heeft plaatsgevonden, worden betrokken. Dit is relevant waar het gaat om de vraag of het verschoningsrecht van de klager voldoende is gewaarborgd. Mocht de beklagrechter vaststellen dat nog steeds stukken of gegevens onder beslag rustend waarvan redelijk vermoeden bestaat dat zij onder het verschoningsrecht vallen, dan stelt zij die nogmaals in handen van de RC voor nader onderzoek en zo nodig nadere selectie.

Procedurele overwegingen

De Hoge Raad behandelt ook een procedurele kwestie. Het cassatieberoep is beperkt ingesteld: het richt zich uitsluitend tegen de niet-ontvankelijkverklaring en niet tegen de gegrondverklaring van het beklag ex art. 552a Sv. De rechtbankbeschikking bevat echter ook het oordeel dat nadere filtering moet plaatsvinden. De Hoge Raad bepaalt dat deze beperking niet aanvaardbaar is. Indien de beperking zou worden gehonoreerd, zou de rechtbankbeschikking over nadere filtering onherroepelijk worden en zou de rechtbank na terugwijzing niet naar behoren kunnen oordelen over het beklag ex art. 98 lid 4 Sv. Dit zou onwerkbaar zijn. Daarom ziet de Hoge Raad zich genoodzaakt aan de beperking voorbij te gaan en de beschikking integraal te vernietigen, inclusief het deel over nadere filtering.

Beslissing van de Hoge Raad

De Hoge Raad vernietigt de beschikking van de rechtbank Overijssel integraal en wijst de zaak terug naar diezelfde rechtbank, opdat de zaak opnieuw wordt behandeld en afgedaan.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^