Hoge Raad vernietigt gedeeltelijk de vrijspraak van het opzettelijk overtreden van de Sanctiewet 1977 bij geldovermakingen aan een naar Syrië uitgereisde dochter en haar echtgenoot

Hoge Raad 15 september 2026, ECLI:NL:HR:2026:1477

De Hoge Raad oordeelt in een OM-cassatie over de vrijspraak van een man die tussen 2014 en 2017 via tussenpersonen in Turkije en Libanon geld overmaakt aan zijn naar Syrië uitgereisde dochter en haar echtgenoot. Het gerechtshof Den Haag spreekt hem vrij van het financieren van terrorisme, artikel 421 Sr, en van de opzettelijke overtreding van een voorschrift krachtens artikel 2 Sanctiewet 1977, en veroordeelt hem alleen voor de overtredingsvariant van de Sanctiewet. De klacht over de vrijspraak van het financieren van terrorisme faalt, omdat het hof het juiste toetsingskader hanteert en zijn oordeel over het ontbreken van voorwaardelijk opzet niet onbegrijpelijk is. De klachten over de Sanctiewet slagen. Voor het opzettelijk overtreden van artikel 2 Sanctiewet 1977 is vereist dat de verdachte opzet heeft op het ter beschikking stellen van tegoeden of economische middelen aan de in de tenlastelegging geconcretiseerde personen of organisaties, zonder dat hij hoeft te weten dat het om terroristische organisaties gaat of dat zij op een sanctielijst staan. De Hoge Raad vernietigt het arrest wat betreft de feiten 2 en 3 en de strafoplegging en wijst de zaak terug naar het gerechtshof Den Haag.

Achtergrond

De verdachte is een natuurlijk persoon, geboren in 1954. Het gerechtshof Den Haag doet op 17 april 2024 uitspraak in zijn strafzaak. Aan de verdachte zijn drie feiten tenlastegelegd. Feit 1 betreft het medeplegen van het financieren van terrorisme, meermalen gepleegd, artikel 421 lid 1, aanhef en onder a, Sr. De feiten 2 en 3 betreffen het medeplegen van het al dan niet opzettelijk overtreden van een voorschrift gesteld krachtens artikel 2 Sanctiewet 1977, meermalen gepleegd. Feit 2 ziet op het direct of indirect ter beschikking stellen van tegoeden of economische middelen aan Islamic State, Jabhat al Nusra of Al-Qaida, in strijd met de Sanctieregeling Al-Qa'ida 2011, de Sanctieregeling ISIS en Al Qaida 2016 en Verordening (EG) nr. 881/2002. Feit 3 ziet op het ter beschikking stellen van middelen aan de schoonzoon van de verdachte, die bij besluit van 30 maart 2015 door de Minister van Buitenlandse Zaken is aangewezen als persoon jegens wie de Sanctieregeling terrorisme 2007-II van toepassing is.

Het hof stelt vast dat de verdachte in de periode van 9 juli 2014 tot en met 12 april 2017, samen met zijn echtgenote en een dochter, vanuit Nederland in totaal € 4.550 overmaakt aan tussenpersonen in Turkije en Libanon, die de geldbedragen vervolgens doen toekomen aan de naar Syrië uitgereisde dochter van de verdachte en haar echtgenoot. De verdachte verklaart in hoger beroep dat hij niet wist wat er in Syrië gebeurde of wat zijn dochter daar deed, dat hij niet wist dat zijn schoonzoon een IS-strijder was, dat vooral zijn echtgenote het contact met de dochter onderhield en dat hij het geld uitsluitend stuurde voor haar levensonderhoud en om haar te helpen uit Syrië weg te komen. De advocaat-generaal bij het hof betoogt dat de verdachte wist dat hij geld overmaakte aan een terroristische organisatie, omdat algemeen bekend was dat in Syrië werd gevochten, dat IS terroristische misdrijven pleegde en dat de schoonzoon een IS-strijder was, en dat uit WhatsApp-gesprekken tussen de echtgenote en de dochter blijkt dat de verdachte wist dat het geld ook bij de schoonzoon terechtkwam.

Het hof oordeelt dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is voor het door artikel 421 Sr vereiste opzet, omdat geen bewijsmiddel bestaat op grond waarvan overtuigend kan worden vastgesteld dat de verdachte wist dat zijn dochter of haar echtgenoot zich bij een terroristische organisatie had aangesloten en dat de overgemaakte bedragen dienden ten behoeve van terroristische misdrijven. Het hof betrekt daarbij dat uit niets blijkt dat de verdachte om andere redenen geld overmaakt dan voor het levensonderhoud van zijn dochter of om haar terugkeer mogelijk te maken. Voor de feiten 2 en 3 overweegt het hof dat het opzet kleurloos is en dat minimaal moet worden bewezen dat de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat het geld direct of indirect terechtkomt bij een terroristische organisatie of bij de schoonzoon. Onder verwijzing naar zijn overwegingen over feit 1 acht het hof ook dat opzet niet bewezen. Wetenschap dat de dochter en de schoonzoon in Syrisch strijdgebied woonden, is volgens het hof daarvoor onvoldoende, en de stelling dat de verdachte via een tijdschriftartikel of via de publicatie op rechtspraak.nl van het verstekvonnis tegen de schoonzoon op de hoogte was geraakt van diens rol als IS-strijder berust op speculatie. Het hof spreekt de verdachte vrij van feit 1 en van de opzetvariant van de feiten 2 en 3 en veroordeelt hem voor de overtredingsvariant van de feiten 2 en 3. Het arrest van de Hoge Raad vermeldt de opgelegde straf niet; uit de meegezonden conclusie van de advocaat-generaal blijkt dat het hof het bewezenverklaarde kwalificeert als de meerdaadse samenloop van medeplegen van overtreding van een voorschrift gesteld krachtens artikel 2 van de Sanctiewet 1977, meermalen gepleegd, en de verdachte veroordeelt tot twee maanden hechtenis, geheel voorwaardelijk met een proeftijd van een jaar.

Cassatiemiddelen

Het cassatieberoep is ingesteld door het Openbaar Ministerie, dat drie cassatiemiddelen voorstelt. Het eerste middel klaagt over de vrijspraak van het onder 1 tenlastegelegde financieren van terrorisme. Het tweede en het derde middel zien op de feiten 2 en 3 en klagen over het oordeel van het hof dat het tenlastegelegde opzet op de overtreding van de Sanctiewet 1977 niet kan worden bewezen. De advocaat-generaal Van Wees concludeert tot vernietiging van het arrest en tot terugwijzing naar het gerechtshof Den Haag opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.

Beoordeling Hoge Raad

Het eerste middel faalt. De Hoge Raad geeft in rechtsoverweging 3.2.2 de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 421 Sr weer, ingevoerd bij de Wet van 10 juli 2013, Stb. 2013, 292, met passages uit de memorie van toelichting, Kamerstukken II 2012/13, 33478, nr. 3, en de nota naar aanleiding van het verslag, Kamerstukken II 2012/13, 33478, nr. 6. In rechtsoverweging 3.3 overweegt hij dat voor het vervullen van de delictsomschrijving van artikel 421 Sr onder meer is vereist dat het opzet van de verdachte is gericht op het, door het verrichten van de in artikel 421 lid 1, aanhef en onder a, Sr genoemde gedragingen, verlenen van geldelijke steun aan het plegen van een van de in dat artikel genoemde misdrijven, zonder dat vast hoeft te staan om welk misdrijf het exact gaat. Mede gelet op de wetsgeschiedenis is onder dit opzet ook voorwaardelijk opzet begrepen, dus het bewust aanvaarden van de aanmerkelijke kans dat het handelen dient om geldelijke steun te verlenen aan een misdrijf genoemd in artikel 421 Sr.

In rechtsoverweging 3.4.2 stelt de Hoge Raad vast dat het hof bij de beantwoording van de opzetvraag is uitgegaan van dit toetsingskader en dat het hof bij zijn oordeel onder meer betrekt dat niet is gebleken dat de verdachte om andere redenen geld heeft overgemaakt dan voor het levensonderhoud van zijn dochter of om haar terugkeer mogelijk te maken. In de overwegingen van het hof ligt als oordeel besloten dat niet is komen vast te staan dat de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat zijn handelen diende om geldelijke steun te verlenen aan een misdrijf genoemd in artikel 421 Sr. Die oordelen getuigen niet van een onjuiste rechtsopvatting en zijn, verweven als zij zijn met waarderingen van feitelijke aard, niet onbegrijpelijk.

Het tweede en het derde middel slagen. De Hoge Raad geeft in rechtsoverweging 4.3 de relevante bepalingen weer van de Sanctiewet 1977, de Sanctieregeling Al-Qa'ida 2011 (oud), de Sanctieregeling ISIS en Al Qaida 2016 (oud), de Sanctieregeling terrorisme 2007-II en artikel 2 lid 2 (oud) van Verordening (EG) nr. 881/2002, en verwijst voor het overige juridisch kader naar de conclusie van de advocaat-generaal onder 4.5 tot en met 4.8. Overtreding van artikel 2 Sanctiewet 1977 is op grond van artikel 1, onder 1, in samenhang met artikel 2 lid 1 van de Wet op de economische delicten een misdrijf voor zover het delict opzettelijk wordt begaan.

In rechtsoverweging 4.4.2 overweegt de Hoge Raad dat voor een veroordeling wegens de opzettelijke overtreding van artikel 2 Sanctiewet 1977 niet is vereist dat het opzet van de verdachte was gericht op het niet naleven van de in de tenlastelegging bedoelde wettelijke regelingen. In een geval als dit, waarin het gaat om ter bestrijding van terrorisme genomen sanctiemaatregelen tegen op een openbaar gemaakte sanctielijst geplaatste organisaties of personen, moet worden bewezen dat de verdachte voorwaardelijk opzet had op het direct of indirect ter beschikking stellen van tegoeden of economische middelen aan de in de tenlastelegging nader geconcretiseerde personen of organisaties. Voor de bewijsvraag doet niet ter zake of de verdachte, al dan niet in voorwaardelijke zin, wist dat het terroristische organisaties of daarbij betrokken personen betrof, zoals volgt uit HR 10 januari 2023, ECLI:NL:HR:2023:2, rechtsoverweging 2.4.1. Evenmin is vereist dat de verdachte wist of bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de in de tenlastelegging genoemde personen of organisaties op de daarin genoemde sanctielijsten of -regelingen vermeld stonden.

In rechtsoverweging 4.5 stelt de Hoge Raad vast dat het hof heeft vastgesteld dat de verdachte via tussenpersonen geld verstuurt dat bedoeld is voor zijn dochter en dat hij weet dat zijn dochter is getrouwd met de schoonzoon. Het hof spreekt de verdachte niettemin vrij van het opzet en legt daaraan, onder verwijzing naar zijn overwegingen over feit 1, in de kern ten grondslag dat geen bewijsmiddel bestaat waaruit overtuigend kan worden vastgesteld dat de verdachte wist dat zijn dochter of haar echtgenoot zich bij een terroristische organisatie had aangesloten en dat de overgemaakte bedragen dienden ten behoeve van terroristische misdrijven. Daarmee heeft het hof kennelijk geoordeeld dat voor een bewezenverklaring is vereist dat de verdachte wist of bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat het terroristische organisaties of personen betrof. Die opvatting is gelet op rechtsoverweging 4.4.2 onjuist. De klachten slagen, zodat bespreking van het restant van het derde middel niet nodig is.

Beslissing van de Hoge Raad

De Hoge Raad vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de beslissingen over het onder 2 en 3 tenlastegelegde en de strafoplegging, wijst de zaak terug naar het gerechtshof Den Haag opdat de zaak in zoverre opnieuw wordt berecht en afgedaan, en verwerpt het beroep voor het overige.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^