Hoge Raad publiceert jaarverslag 2025: demonstratierecht, smartphone-onderzoek en verschoningsrecht

Op 6 april 2026 heeft de Hoge Raad zijn jaarverslag over 2025 gepubliceerd. De strafkamer deed in 2025 in totaal 3.355 uitspraken, een stijging ten opzichte van de 3.235 uitspraken in 2024. Van de 2.137 zaken waarin cassatiemiddelen werden ingediend, leidden er 502 (23%) tot vernietiging, al was dat in de meerderheid van die zaken uitsluitend vanwege een schending van de redelijke termijn. In 200 zaken (ruim 9%) werd de zaak teruggewezen naar een ander of eerder gerecht. Het jaarverslag bevat meerdere arresten die voor de bijzonder-strafrechtpraktijk van direct belang zijn, variërend van het demonstratierecht en het verschoningsrecht tot de doorwerking van het Unierecht bij het onderzoek aan smartphones. In deze blog worden de belangrijkste strafrechtelijke ontwikkelingen uit het jaarverslag besproken.

De strafkamer in cijfers

De instroom bij de strafkamer daalde licht, van 3.618 zaken in 2024 naar 3.240 in 2025. Het aantal zaken waarin cassatiemiddelen werden ingediend nam eveneens af, van 2.125 naar 1.717. Het vernietigingspercentage steeg van 21% naar 23%, maar dat beeld verdient nuancering: in het merendeel van de vernietigde zaken was uitsluitend de overschrijding van de redelijke termijn de reden, waarna de Hoge Raad de zaak zelf afdeed. De gemiddelde doorlooptijd nam toe van 259 naar 282 dagen. Het parket bij de Hoge Raad nam in 2025 in totaal 974 conclusies in strafzaken.

Demonstratierecht en strafrechtelijk optreden

Een van de meest in het oog springende arresten betrof het demonstratierecht. In september 2025 wees de Hoge Raad een reeks uitspraken over demonstraties in de hal van het ministerie van Economische Zaken en Klimaat (ECLI:NL:HR:2025:1313), in een bankkantoor (ECLI:NL:HR:2025:1438) en in de Tweede Kamer (ECLI:NL:HR:2025:1436). De demonstranten waren veroordeeld voor lokaalvredebreuk en verstoring van een vergadering van de Tweede Kamer.

De Hoge Raad formuleerde een kader voor de beoordeling van de vraag of strafrechtelijk optreden bij demonstraties verenigbaar is met de artikelen 10 en 11 EVRM. Kern daarvan is dat ook wanneer bij een demonstratie een strafbaar feit wordt gepleegd, strafrechtelijke vervolging niet zonder meer noodzakelijk hoeft te zijn. De Hoge Raad verwees naar de rechtspraak van het EHRM, die benadrukt dat het optreden van de autoriteiten bij een (overigens vreedzame) demonstratie proportioneel moet zijn en niet zo ingrijpend dat daarvan een afschrikkende werking uitgaat op anderen die hun recht op vrijheid van meningsuiting en vreedzame vergadering willen uitoefenen.

De gerechtshoven hadden geoordeeld dat de aanhouding op zichzelf voldoende had kunnen zijn, maar de verdere vervolging en veroordeling toch als een geoorloofde beperking beschouwd. De Hoge Raad oordeelde dat de hoven hadden moeten beoordelen of het strafrechtelijk optreden als geheel proportioneel was geweest. Was dat niet het geval, dan had ontslag van alle rechtsvervolging moeten volgen. De arresten van de hoven werden vernietigd. De Hoge Raad merkte daarbij op dat bij een demonstratie in een parlementsgebouw de omstandigheid dat de actie het parlementaire proces verstoort, mag worden meegewogen.

Verschoningsrecht van verdachte geheimhouders

Het jaarverslag besteedt uitgebreid aandacht aan de grenzen van het verschoningsrecht wanneer de geheimhouder zelf verdachte is. In ECLI:NL:HR:2025:302 bevestigde de Hoge Raad dat wanneer een verschoningsgerechtigde zelf wordt verdacht van het samen met zijn cliënt plegen van een strafbaar feit, dit een zeer uitzonderlijke omstandigheid kan vormen waaronder het verschoningsrecht moet wijken voor het belang van de waarheidsvinding. In dat geval kan ook het berichtenverkeer dat verband houdt met een "normale advocaat-cliëntrelatie" door de justitiële autoriteiten worden betrokken bij het onderzoek, mits die informatie kan dienen om de waarheid aan het licht te brengen.

In een zaak over een verdachte notaris (ECLI:NL:HR:2025:446) oordeelde de Hoge Raad, na een conclusie van advocaat-generaal Frielink, dat de doorbreking van het verschoningsrecht niet verder mag gaan dan strikt noodzakelijk. Bij grote hoeveelheden digitale gegevens moet een filtering plaatsvinden onder verantwoordelijkheid van de rechter-commissaris, die kan bevelen dat gegevens die onder het verschoningsrecht vallen worden vernietigd of digitaal ontoegankelijk worden gemaakt. Advocaat-generaal Van Wees wees er in een andere conclusie (ECLI:NL:HR:2025:1788) op dat ook de belangen van andere cliënten dan de cliënt die bij het strafbare feit betrokken is, beschermd moeten worden.

Onderzoek aan smartphones en doorwerking EU-recht

Op 18 maart 2025 wees de Hoge Raad een belangrijk arrest over het onderzoek aan elektronische gegevensdragers (ECLI:NL:HR:2025:409). Aanleiding was het arrest van het Hof van Justitie van de EU in de zaak CG/Bezirkshauptmannschaft Landeck (HvJ EU 4 oktober 2024, zaak C-548/21). De Hoge Raad actualiseerde naar aanleiding daarvan, na een conclusie van advocaat-generaal Harteveld, zijn eerdere rechtspraak.

De kern van het arrest is dat wanneer de toegang tot een smartphone het risico meebrengt van een ernstige inmenging in de grondrechten van de gebruiker, voorafgaande rechterlijke toetsing is vereist. Bij een beperkte inbreuk op de privacy is dat niet het geval, maar die situatie doet zich al niet meer voor als op voorhand voorzienbaar is dat het onderzoek verkeers- en locatiegegevens, foto's, browsergeschiedenis, inhoud van communicatie via de smartphone of gevoelige gegevens zal opleveren.

Getuigenverzoeken ter zitting: trainering?

Op 14 oktober 2025 wees de Hoge Raad drie arresten (ECLI:NL:HR:2025:1519, ECLI:NL:HR:2025:1555 en ECLI:NL:HR:2025:1556) over het (voorwaardelijk) verzoeken tot het horen van belastende getuigen op de inhoudelijke zitting bij het gerechtshof, terwijl die getuigen niet eerder door de verdediging waren gehoord. De gerechtshoven hadden deze verzoeken afgewezen omdat de verdediging ze eerder had kunnen indienen of omdat de verdediging was teruggekomen op een eerder ingenomen standpunt dat nader onderzoek niet nodig was.

De Hoge Raad oordeelde, na conclusies van de advocaten-generaal Keulen, Van Kempen en Spronken, dat de verdediging pas nadere onderbouwing hoeft te geven als zij eerder uitdrukkelijk van nader onderzoek heeft afgezien, of als de verdediging er duidelijk op is gewezen dat het niet kenbaar maken van een onderzoekswens zal worden opgevat als het niet willen van onderzoek. Het enkele feit dat de verdediging een eerdere gelegenheid om een getuigenverzoek te doen onbenut heeft gelaten, kan de afwijzing van een later verzoek niet dragen.

Toezicht procureur-generaal op het Openbaar Ministerie

Het jaarverslag gaat ook in op de bijzondere taken van de procureur-generaal bij de Hoge Raad. In juli 2025 publiceerde de procureur-generaal het toezichtrapport "Afgezien van vervolging", over de wijze waarop het Openbaar Ministerie omgaat met sepotbeslissingen. Het onderzoek concludeerde dat sepotbeslissingen lang niet altijd aan de wettelijke vereisten voldoen. In een aanzienlijk deel van de onderzochte zaken werd geen sepotbrief verstuurd aan de verdachte, de raadsman of het slachtoffer. Niet alle beslissingen om een zaak te seponeren bleken begrijpelijk. Ook werden gebreken geconstateerd in het zaaksregistratiesysteem van het OM, waarbij autorisaties niet altijd correspondeerden met de functies van de bevoegde ambtenaren.

Daarnaast kondigde de procureur-generaal in maart 2025 een vervolgonderzoek aan naar de strafbeschikking. Dit onderzoek is een vervolg op het toezichtrapport uit 2022, "Buiten de rechter OM", en richt zich mede op het door het OM in februari 2025 aangekondigde intensievere gebruik van de strafbeschikking.

Cassatie in het belang der wet

In 2025 werden acht vorderingen tot cassatie in het belang der wet ingediend, waarvan vijf in strafzaken. Een opvallende zaak betrof de vraag of het verhoor van een getuige op het kabinet van de rechter-commissaris mag worden uitgevoerd door een senior gerechtsjurist, in het kader van een pilotproject bij een gerechtshof. De Hoge Raad oordeelde, overeenkomstig de vordering van de procureur-generaal, dat deze praktijk niet toelaatbaar is bij gebrek aan een deugdelijke wettelijke grondslag.

Een andere vordering betrof de beperking van de proceskostenvergoeding in WAHV-zaken. De Hoge Raad oordeelde dat er geen sprake is van een ongerechtvaardigd verschil in behandeling en daarmee geen schending van het EVRM.

Herziening

In 2025 ontving de procureur-generaal zes verzoeken tot nader onderzoek ter voorbereiding van een herzieningsaanvraag, twee meer dan in 2024. Onder de verzoeken bevond zich een nieuw verzoek in de Deventer moordzaak, dat aan de Adviescommissie afgesloten strafzaken (ACAS) werd voorgelegd. De ACAS had aan het einde van het verslagjaar nog geen advies uitgebracht. Twee in 2024 aan de ACAS voorgelegde verzoeken werden in het verslagjaar toegewezen.

Aangiften tegen bewindspersonen

De procureur-generaal voerde in 2025 verkennende onderzoeken uit naar aanleiding van aangiften tegen de toenmalige minister van Asiel en Migratie, minister Faber, en de toenmalige minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, minister Moes. In beide gevallen concludeerde de procureur-generaal dat er onvoldoende aanknopingspunten waren voor een strafrechtelijk onderzoek. De procureur-generaal benadrukte daarbij dat de artikelen 355 en 356 Sr, die dateren uit 1840, restrictief moeten worden uitgelegd en met aanzienlijke terughoudendheid moeten worden toegepast. In een aanhangig wetsvoorstel, de Wet herziening strafbaarheid ambtsdelicten Kamerleden en bewindspersonen, wordt voorgesteld deze bepalingen te schrappen.

Daarnaast startte de procureur-generaal na het arrest van de Hoge Raad van 3 oktober 2025 in de F-35-zaak een verkennend onderzoek naar aanleiding van aangiften tegen meerdere (voormalige) bewindspersonen wegens vermeende medeplichtigheid aan oorlogsmisdaden door het leveren van F-35-onderdelen aan Israël. De resultaten worden in de loop van 2026 verwacht.

Afsluiting

Het jaarverslag 2025 laat zien dat de strafkamer van de Hoge Raad zich in het verslagjaar over een breed scala aan principiële kwesties heeft uitgesproken. De arresten over het demonstratierecht, het verschoningsrecht en het smartphone-onderzoek raken de kern van het strafprocesrecht en zullen de feitenrechtspraak de komende jaren richting geven. Tegelijkertijd illustreren de bevindingen van de procureur-generaal over de sepotpraktijk en de strafbeschikking dat ook de uitvoeringspraktijk van het Openbaar Ministerie voortdurend aandacht verdient. De behandeling van herzieningsverzoeken en de verkennende onderzoeken naar bewindspersonen onderstrepen de veelzijdige rol die de Hoge Raad en het parket vervullen binnen het Nederlandse strafrechtsbestel.

Print Friendly and PDF ^