Gemeenteambtenaar veroordeeld voor manipulatie bestemmingsplan en verkoop gemeentegrond aan eigen moeder ver onder marktwaarde

Rechtbank Noord-Holland 2 april 2026, ECLI:NL:RBNHO:2026:3479

De veroordeelt een gemeenteambtenaar voor valsheid in geschrift en oplichting, beide begaan als ambtenaar. De verdachte laat als medewerker van de gemeente Zandvoort het bestemmingsplan van Bentveld valselijk wijzigen van "groen" naar "wonen en tuin" en verkoopt het perceel vervolgens voor een fractie van de marktwaarde aan zijn moeder, met gebruikmaking van valse volmachten en een valse koopovereenkomst. De objectieve waarde van het perceel bedraagt op het moment van levering € 330.000, terwijl de verkoopprijs slechts € 15.000 is. De rechtbank wijkt af van de LOVS-orientatiepunten omdat het beoogde voordeel van € 315.000 nooit daadwerkelijk is gerealiseerd en het perceel is teruggeleverd aan de gemeente. De verdachte krijgt een gevangenisstraf van vijf maanden voorwaardelijk en een taakstraf van 240 uren opgelegd, aanzienlijk minder dan de door het Openbaar Ministerie gevorderde 24 maanden gevangenisstraf.

Inleiding en context

Een ambtenaar van de gemeente Zandvoort/Haarlem wordt door de meervoudige strafkamer van de rechtbank Noord-Holland veroordeeld voor ambtelijke valsheid in geschrift en ambtelijke oplichting. De verdachte, een natuurlijk persoon geboren in 1988, is werkzaam als medewerker bij de gemeente Zandvoort wanneer hij gedurende een periode van ruim anderhalf jaar, van mei 2021 tot en met november 2022, een omvangrijk fraudetraject opzet rondom een perceel grond in Bentveld. De zaak komt aan het licht in januari 2024 dankzij de oplettendheid van een collega. Het betreft een behandeling in eerste aanleg. De verdachte verschijnt ter terechtzitting op 19 maart 2026 en wordt bijgestaan door zijn raadsvrouw mr. B. van Straaten, advocaat te Amsterdam. De officier van justitie is mr. M.A. Oudendijk.

Tenlastelegging en wettelijk kader

De verdachte wordt verweten dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan twee feiten. Feit 1 betreft valsheid in geschrift begaan als ambtenaar, strafbaar gesteld in artikel 225 van het Wetboek van Strafrecht, met strafverzwaring op grond van artikel 44 van het Wetboek van Strafrecht wegens de ambtenarenstatus. De verdachte wordt verweten dat hij in de periode van 17 september 2021 tot en met 21 november 2022 meerdere geschriften valselijk heeft opgemaakt of doen opmaken: het conceptbestemmingsplan van Bentveld inclusief verbeelding, een verkoopovereenkomst betreffende een perceel aan een straat te Bentveld, en twee gemeentelijke volmachten op naam van een collega. De valsheid bestaat erin dat de verdachte een wijziging aan de kadastrale kaart van het bestemmingsplan heeft laten toevoegen, geschriften uit naam van zijn collega heeft opgesteld en diens handtekening en paraaf heeft geplaatst.

Feit 2 betreft oplichting begaan als ambtenaar, strafbaar gesteld in artikel 326 van het Wetboek van Strafrecht, eveneens met strafverzwaring ex artikel 44 van het Wetboek van Strafrecht. De verdachte wordt verweten dat hij door listige kunstgrepen en een samenweefsel van verdichtsels de gemeente Zandvoort heeft bewogen tot de overdracht van het perceel. Het wettelijk kader omvat verder de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d en 55 van het Wetboek van Strafrecht, waarbij artikel 55 ziet op de eendaadse samenloop van beide feiten.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

Het Openbaar Ministerie rekwireert tot bewezenverklaring van beide ten laste gelegde feiten. De officier van justitie vordert een gevangenisstraf van 24 maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. Daarnaast vordert het Openbaar Ministerie primair als bijkomende straf een ontzetting uit het recht tot het uitoefenen van het beroep van juridisch adviseur bij overheidsinstellingen voor een periode van vijf jaar. Subsidiair vordert de officier van justitie een verbod op het uitoefenen van dat beroep als bijzondere voorwaarde gekoppeld aan het voorwaardelijk deel van de gevangenisstraf.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw refereert zich ten aanzien van de bewezenverklaring aan het oordeel van de rechtbank. Ten aanzien van de strafmaat verzoekt de raadsvrouw de rechtbank een geldboete op te leggen. De raadsvrouw acht de oplegging van een gevangenisstraf niet aangewezen en verwijst daarbij naar een aantal eerdere uitspraken van rechtbanken en gerechtshoven. De raadsvrouw verzoekt de rechtbank eveneens geen onvoorwaardelijke taakstraf op te leggen, aangezien een onttrekking aan de arbeidsmarkt nadelige gevolgen heeft voor de alimentatieverplichting van de verdachte jegens zijn ex-partner en dochter, alsmede voor de tijd die hij met zijn dochter kan doorbrengen. Ten slotte verzoekt de raadsvrouw geen beroepsverbod op te leggen, noch als bijkomende straf noch als bijzondere voorwaarde, omdat de verwachting is dat de verdachte als gevolg van een veroordeling geen Verklaring Omtrent het Gedrag zal verkrijgen, waarmee het beoogde doel van een beroepsverbod reeds is ondervangen.

Oordeel gerecht

De rechtbank stelt vast dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

Ten aanzien van het bewijs stelt de rechtbank vast dat sprake is van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste volzin, van het Wetboek van Strafvordering. De rechtbank volstaat daarom met een opgave van de bewijsmiddelen. De bewezenverklaring steunt op de bekennende verklaring van de verdachte ter terechtzitting van 19 maart 2026, een proces-verbaal van aangifte van 5 februari 2024 en een groot aantal schriftelijke bescheiden, waaronder het conceptbestemmingsplan, de verkoopovereenkomst, de twee valse volmachten, diverse e-mailcorrespondentie en een inschrijving bij het Kadaster.

De rechtbank kwalificeert de bewezen verklaarde feiten als eendaadse samenloop van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd, en oplichting, meermalen gepleegd, telkens terwijl door het begaan van het feit de bijzondere ambtsplicht is geschonden. De rechtbank acht geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezen verklaarde zou ontbreken, noch enige omstandigheid die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

Bewezenverklaring

De rechtbank verklaart bewezen dat de verdachte:

  • in de periode van 17 september 2021 tot en met 21 november 2022 als ambtenaar meerdere geschriften valselijk heeft opgemaakt of doen opmaken, te weten het conceptbestemmingsplan van Bentveld inclusief verbeelding, een verkoopovereenkomst betreffende het perceel, en twee gemeentelijke volmachten op naam van een collega, door een wijziging aan de kadastrale kaart te laten toevoegen, geschriften uit naam van die collega op te stellen en diens handtekening en paraaf te plaatsen

  • in de periode van 4 mei 2021 tot en met 21 november 2022 deels als ambtenaar door listige kunstgrepen en een samenweefsel van verdichtsels de gemeente Zandvoort heeft bewogen tot de overdracht van het perceel te Bentveld aan zijn moeder, door onder meer het neerleggen van een valse verkoopconstructie, het laten wijzigen van het bestemmingsplan, het verzwijgen van de bestemmingswijziging in het raadsstuk, het opstellen van valse volmachten en het bewerken van de notariele levering

De verdachte wordt vrijgesproken van hetgeen hem meer of anders ten laste is gelegd.

Strafoplegging en maatregelen

De rechtbank laat zich bij de strafoplegging leiden door de aard en ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan. De rechtbank overweegt dat de verdachte als ambtenaar gedurende ruim anderhalf jaar stelselmatig het in hem gestelde vertrouwen heeft beschaamd en zijn positie heeft misbruikt voor persoonlijk voordeel. Het perceel heeft op het moment van levering als aanbouwgrond met de bestemming "wonen en tuin" een objectieve waarde van € 330.000. De verdachte laat het perceel voor € 15.000 aan zijn moeder verkopen, zodat het bevoordelingsbedrag € 315.000 bedraagt.

De LOVS-orientatiepunten adviseren bij een benadelingsbedrag tussen € 250.000 en € 500.000 een gevangenisstraf van 12 tot 18 maanden. De rechtbank wijkt echter van dit uitgangspunt af. De rechtbank overweegt dat de feitelijke economische bevoordeling nooit is gerealiseerd, omdat het strafbaar handelen is ontdekt voordat de verdachte van het beoogde voordeel heeft kunnen genieten. De benodigde kadastrale inmeting loopt vast en kort daarna wordt het handelen van de verdachte ontdekt. De verdachte levert het perceel terug aan de gemeente en vergoedt een deel van de door de gemeente gemaakte kosten tot een bedrag van € 43.493,18. De rechtbank acht verder van belang dat de feiten inmiddels meer dan drie jaar geleden hebben plaatsgevonden en dat de verdachte niet eerder voor een strafbaar feit is veroordeeld. In strafverzwarende zin overweegt de rechtbank dat de verdachte het laakbare van zijn handelen niet volledig lijkt in te zien en dat de rechtbank twijfels heeft over het zelfreflecterend vermogen van de verdachte. De verdachte lijkt zich onvoldoende bewust te zijn van de nadelige gevolgen voor zijn toenmalige collega's en de gemeenschap en is na de verdenking als zelfstandig ondernemer werkzaam geweest bij een andere gemeente binnen hetzelfde werkgebied.

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van vijf maanden geheel voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en een taakstraf van 240 uren, bij niet naar behoren verrichten te vervangen door 120 dagen hechtenis. De rechtbank acht het opleggen van een beroepsverbod als bijkomende straf of als bijzondere voorwaarde niet noodzakelijk, omdat het systeem van de Verklaring Omtrent het Gedrag het beoogde doel voldoende ondervangt. De rechtbank wijkt daarmee aanzienlijk af van de eis van het Openbaar Ministerie, dat een gevangenisstraf van 24 maanden waarvan zes voorwaardelijk en een beroepsverbod heeft gevorderd.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^