Hoge Raad over de vraag of artikel 38 lid 3 Sr bij een latere berechting in de weg staat aan oplegging van een vrijheidsstraf
/Hoge Raad 27 oktober 2026, ECLI:NL:HR:2026:1723
De Hoge Raad vernietigt in het belang der wet een vonnis van de rechtbank Oost-Brabant waarin een verdachte voor belaging, smaadschrift en vernieling schuldig is verklaard zonder oplegging van straf. De verdachte is eerder, op 16 oktober 2024, veroordeeld tot een gevangenisstraf van vijf jaren en TBS met voorwaarden, de maximale vrijheidsstraf die artikel 38 lid 3 Sr naast die maatregel toestaat. De rechtbank oordeelt dat artikel 38 lid 3 Sr, gelet op artikel 63 (oud) Sr, zich verzet tegen oplegging van een vrijheidsstraf voor de in 2022 gepleegde feiten en past artikel 9a Sr toe. De advocaat-generaal Keulen stelt tegen dat vonnis cassatie in het belang der wet in. De Hoge Raad overweegt dat artikel 63 (oud) Sr alleen de samenloopbepalingen van de artikelen 55 tot en met 62 Sr van toepassing verklaart, zodat daaruit niet volgt dat artikel 38 lid 3 Sr bij de latere berechting mede geldt, al moet de rechter bij het bepalen van het strafmaximum wel acht slaan op de eerder opgelegde gevangenisstraf van vijf jaren. Het oordeel van de rechtbank is daarom onjuist en het cassatiemiddel slaagt.
Achtergrond
De verdachte is een natuurlijk persoon, geboren in 1982. De rechtbank Oost-Brabant verklaart hem op 30 januari 2026 schuldig aan belaging (parketnummer 01-332654-22) en aan smaadschrift en vernieling (parketnummer 01-003372-22), alle in 2022 gepleegd. De delictsartikelen worden in de uitspraak niet genoemd. Met toepassing van artikel 9a Sr legt de rechtbank geen straf op. Zij heft het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis op, wijst de vordering van de benadeelde partij toe en legt een schadevergoedingsmaatregel op. Tegen het vonnis is geen rechtsmiddel aangewend, zodat het onherroepelijk is.
De rechtbank betrekt daarbij dat de verdachte op 16 oktober 2024 is veroordeeld tot een gevangenisstraf van vijf jaren en TBS met voorwaarden. Omdat de feiten op grond van artikel 63 Sr gelijktijdig met die zaak berecht hadden kunnen worden en de verdachte toen tot de maximale combinatie van maatregel en vrijheidsstraf is veroordeeld, ziet de rechtbank geen ruimte meer voor een vrijheidsstraf.
Cassatiemiddelen
De advocaat-generaal B.F. Keulen stelt op grond van artikel 78 lid 1 RO in verbinding met artikel 456 Sv cassatie in het belang der wet in. Centraal staat de vraag of artikel 38 lid 3 Sr gevolgen heeft voor de mogelijkheid om bij een volgende berechting een gevangenisstraf op te leggen en voor de maximale hoogte daarvan. Het enige cassatiemiddel klaagt over het oordeel van de rechtbank dat artikel 38 lid 3 Sr, gelet op artikel 63 (oud) Sr, zich verzet tegen oplegging van een vrijheidsstraf.
Beoordeling Hoge Raad
De Hoge Raad herhaalt in rechtsoverweging 5.2 de maatstaf uit HR 19 april 2005, ECLI:NL:HR:2005:AS5556. De rechter gaat na wat de maximale tijdelijke gevangenisstraf zou zijn geweest bij gevoegde behandeling, legt geen hogere straf op dan dat maximum verminderd met de eerder opgelegde straffen en blijft binnen het strafmaximum van het door hem berechte feit.
In rechtsoverweging 5.3 overweegt de Hoge Raad dat artikel 63 (oud) Sr slechts bepaalt dat de artikelen 55 tot en met 62 Sr van toepassing zijn. Daaruit kan niet worden afgeleid dat artikel 38 lid 3 Sr mede van toepassing is wanneer iemand na een veroordeling tot TBS met voorwaarden en vijf jaren gevangenisstraf opnieuw wordt veroordeeld voor een eerder gepleegd feit. De Hoge Raad verwijst ter vergelijking naar HR 15 april 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC5952, overweging 4.3 onder b, over de ISD-maatregel. Bij de beoordeling van het strafmaximum moet de rechter wel acht slaan op de opgelegde gevangenisstraf van vijf jaren. Het oordeel van de rechtbank is onjuist en het cassatiemiddel slaagt.
Beslissing van de Hoge Raad
De Hoge Raad vernietigt in het belang der wet het vonnis van de rechtbank.
Lees hier de volledige uitspraak.
Gerelateerde berichten
Hoge Raad over de verboden combinatie van gevangenisstraf en taakstraf onder artikel 9 lid 4 Sr en de rol van de voorlopige hechtenis, 3 september 2026
Wetswijzigingen 2026: meerdaadse samenloop, eEvidence, douanegegevens en vier andere regelingen, 2 juli 2026
Herziening regeling meerdaadse samenloop in strafzaken door de Eerste Kamer, 30 januari 2026
