Hof van Justitie in DNO Yemen: wanneer betaling van een arbitraal vonnis neerkomt op het indirect ter beschikking stellen van tegoeden aan gesanctioneerden
/Op 15 oktober 2026 heeft de Vijfde kamer van het Hof van Justitie van de Europese Unie arrest gewezen in zaak C‑842/24 (DNO Yemen). De zaak is een prejudiciële procedure die de Franse Cour de cassation op 27 november 2024 aanhangig maakte. De juridische kern is de uitleg van artikel 2, lid 2, van Verordening (EU) nr. 1352/2014 betreffende beperkende maatregelen in verband met de situatie in Jemen, dat verbiedt tegoeden of economische middelen direct of indirect ter beschikking te stellen van personen en entiteiten die op de sanctielijst in bijlage I staan. Aanleiding is een arbitraal vonnis dat oliemaatschappij DNO Yemen AS en twee andere ondernemingen veroordeelt tot betaling van schadevergoeding aan het Jemenitische ministerie van Olie en Mineralen en aan Yemen Oil & Gas Corporation (YOGC), een onderneming die volledig in handen is van de Jemenitische staat. DNO betoogde dat betaling aan YOGC tegoeden indirect ter beschikking zou stellen van gesanctioneerde personen uit de Houthi-beweging, die net als de legitieme regering zeggenschap over YOGC claimt. Het Hof beantwoordt drie vragen: of indirecte terbeschikkingstelling in zo’n situatie mogelijk is, hoe groot het risico moet zijn, en of zeggenschap van de gesanctioneerde personen mag worden vermoed. Advocaat-generaal Szpunar nam op 19 maart 2026 conclusie in deze zaak.
Het geschil: een arbitraal vonnis en een gespleten staatsgezag
In 2014 en 2015 nam de Houthi-beweging de Jemenitische hoofdstad Sana’a in en probeerde zij de legitieme regering eenzijdig te vervangen door een eigen bestuur. De legitieme regering heeft sindsdien haar tijdelijke zetel in Aden. De VN-Veiligheidsraad nam in reactie Resolutie 2140 (2014) en Resolutie 2216 (2015) aan, waarin onder meer een bevriezing van tegoeden is opgenomen voor personen die vrede, veiligheid of stabiliteit in Jemen bedreigen. De Unie heeft die maatregelen omgezet in Besluit 2014/932/GBVB en Verordening nr. 1352/2014. De sanctielijst bevat onder anderen personen die tot de Houthi-beweging behoren of daarmee verbonden zijn. Het ministerie van Olie en Mineralen en YOGC staan er niet op.
Het ministerie en YOGC hadden overeenkomsten gesloten met DNO, Petrolin, Moe en Dove voor de exploitatie van olie en gas. In januari 2015 trokken die ondernemingen zich terug. Het ministerie en YOGC startten een arbitrage onder de vlag van de International Chamber of Commerce, en bij vonnis van 15 juli 2019, gewezen in Parijs, werden DNO, Petrolin en Moe veroordeeld tot betaling van schadevergoeding.
DNO, Petrolin en Moe vorderden vernietiging van het vonnis bij de cour d’appel de Paris, met het argument dat erkenning of tenuitvoerlegging in strijd zou zijn met de internationale openbare orde. De cour d’appel verwierp dat beroep op 5 oktober 2021. Het hof oordeelde dat niet was aangetoond dat het ministerie en YOGC handelden namens, onder zeggenschap van of op instructie van gesanctioneerde personen. Een vermelding van een Houthi-minister op de website van YOGC en een bericht van het nieuwsagentschap Saba over een bijeenkomst met de Houthi-premier vond het hof daarvoor onvoldoende. Het wees daarbij op een brief van 23 augustus 2015 waarin de premier van de legitieme regering buitenlandse oliemaatschappijen had gevraagd uitsluitend zaken te doen met personen onder gezag van die regering en geen betalingen te verrichten zonder nadere instructie.
Parallel daaraan liet het ministerie het vonnis in Noorwegen ten uitvoer leggen. De Oslo tingrett verklaarde het vonnis uitvoerbaar; de rechtsmiddelen van DNO bij het Borgarting lagmannsrett en het Norges Høyesterett werden verworpen. DNO betaalde op 4 december 2023 het verschuldigde bedrag uitsluitend aan het ministerie, nadat YOGC haar rechten uit het vonnis aan het ministerie had overgedragen. Tegen het Franse arrest stelden DNO en Petrolin cassatie in, waarna de Cour de cassation de vragen aan het Hof voorlegde.
Indirect ter beschikking stellen zonder zeggenschap
Het Hof herformuleert de eerste vraag. DNO bestreed in cassatie niet langer dat onvoldoende was aangetoond dat de Houthi-beweging zeggenschap over YOGC had verkregen. Haar klacht was dat de cour d’appel niet had onderzocht of betaling aan YOGC het risico meebracht dat gesanctioneerde personen toch over het geld konden beschikken.
Het Hof stelt voorop dat de woorden direct of indirect in artikel 2, lid 2, ruim moeten worden uitgelegd, evenals het begrip ter beschikking stellen. Dat begrip omvat elke handeling die nodig is om een persoon daadwerkelijk de beschikkingsmacht over tegoeden te verschaffen, en daar valt volgens het Hof ook de erkenning en tenuitvoerlegging van een arbitraal vonnis onder, wanneer die gesanctioneerde personen in staat stelt over de toegekende bedragen te beschikken (r.o. 50 en 51).
Uit eerdere rechtspraak blijkt dat indirecte terbeschikkingstelling kan worden aangenomen als de ontvanger handelt namens, onder zeggenschap van of op instructie van een gesanctioneerde persoon, of als de tegoeden aan die persoon kunnen worden doorgegeven, bijvoorbeeld vanwege juridische of financiële banden. Het Hof oordeelt dat dit slechts relevante omstandigheden zijn. Ontbreken ze, dan is indirecte terbeschikkingstelling daarmee niet uitgesloten (r.o. 53 tot en met 55). Het Hof verwijst daarbij naar punt 55e van de richtsnoeren van de Raad voor de uitvoering van beperkende maatregelen, en naar het preventieve karakter van de Jemen-sancties.
Over de situatie in Jemen overweegt het Hof dat de Houthi-beweging in het door haar beheerste gebied parallelle bestuursstructuren heeft opgezet, zeggenschap claimt over het ministerie en over YOGC, de website van YOGC gebruikt en in staat lijkt instructies te geven aan buitenlandse oliemaatschappijen. De Noorse rechter stelde vast dat DNO na het vonnis verzoeken ontving van zowel de legitieme regering als van actoren die de Houthi-beweging steunen. Personen die namens de beweging optreden, zouden zich volgens het Hof kunnen presenteren als bevoegd om de gelden in ontvangst te nemen. Of de beweging daartoe daadwerkelijk in staat is, moet de nationale rechter beoordelen (r.o. 60 en 61).
Het antwoord op de eerste vraag luidt dat betaling aan een niet-gesanctioneerde publieke entiteit ter uitvoering van een arbitraal vonnis kan neerkomen op indirecte terbeschikkingstelling aan gesanctioneerde personen die, zonder zeggenschap uit te oefenen, zeggenschap claimen, mits zij daadwerkelijk in staat zijn de tegoeden te verkrijgen.
Welk risico volstaat
De derde vraag behandelt het Hof vóór de tweede. De Cour de cassation vroeg of een redelijk risico dat gesanctioneerden uiteindelijk van de tegoeden profiteren voldoende is.
Het Hof oordeelt dat de gesanctioneerden geen directe begunstigden hoeven te zijn; een risico dat zij profiteren kan volstaan. Een zuiver hypothetisch risico rechtvaardigt het verbod echter niet. De onzekere politieke situatie in Jemen mag op zichzelf niet leiden tot een beoordeling op basis van vermoedens over de invloed van gesanctioneerden (r.o. 66). Het Hof wijst op de eis dat beperkende maatregelen op een voldoende solide feitelijke grondslag berusten en op het evenredigheidsbeginsel dat ook voor nationale autoriteiten en rechters geldt bij de uitvoering van sanctieregimes.
Het Hof betrekt daarbij de positie van de legitieme regering. Zij is eigenaar van YOGC, is gelijkelijk begunstigde van de schadevergoeding, wordt door de Veiligheidsraad erkend en gesteund, staat zelf niet op de sanctielijst en werkt niet samen met de Houthi-beweging. Toepassing van het verbod enkel omdat de beweging zeggenschap over YOGC claimt, zou volgens het Hof onevenredig kunnen zijn en zelfs in strijd met de doelstellingen van de verordening. Zo’n benadering zou een groot aantal publieke entiteiten kunnen treffen zonder daadwerkelijke band met de beweging, en zou door de beweging kunnen worden benut om de legitieme regering economische middelen te ontnemen (r.o. 69 tot en met 72).
Het risico moet daarom blijken uit objectieve, materiële aanwijzingen over de middelen waarover de gesanctioneerden beschikken om de tegoeden te verkrijgen, en de kans dat het risico zich verwezenlijkt moet voldoende groot zijn om een preventieve maatregel te rechtvaardigen. Bij die beoordeling tellen alle omstandigheden mee, waaronder factoren die het verkrijgen van de tegoeden kunnen belemmeren, zoals maatregelen van de legitieme regering (r.o. 73 en 74).
Geen vermoeden van zeggenschap en de verdeling van de bewijslast
Op de tweede vraag oordeelt het Hof dat gesanctioneerde personen die zeggenschap over een publieke entiteit claimen, zonder die zeggenschap feitelijk uit te oefenen, niet worden vermoed die entiteit te controleren. Het vermoeden dat in de rechtspraak wordt aanvaard voor een entiteit die handelt namens, onder zeggenschap van of op instructie van een gesanctioneerde, is op deze situatie niet van toepassing (r.o. 78 en 79). De nationale rechter moet zonder algemene vermoedens alle bewijs in zijn context beoordelen, en dat bewijs moet een voldoende specifiek, precies en samenhangend geheel van aanwijzingen vormen.
In de Franse vernietigingsprocedure rust de bewijslast volledig op de partij die vernietiging vordert. Het Hof overweegt dat nationale rechters de volle werking van de verordening moeten verzekeren, ook in civiele procedures, en dat dit een aanpassing van de bewijsregels kan rechtvaardigen. Wijst het beschikbare bewijs prima facie op een risico dat betaling het verbod schendt, dan ligt het op de weg van de begunstigden om dat risico naar behoren uit te sluiten. Het Hof noemt als achtergrond dat bewijs over de middelen van gesanctioneerden doorgaans niet beschikbaar is voor een buitenstaander, en dat bewijsgaring in een land in burgeroorlog moeilijk is (r.o. 84 tot en met 86).
Die aanpassing mag volgens het Hof niet leiden tot een omkering van de bewijslast ten nadele van de begunstigden. De partij die zich op schending van artikel 2, lid 2, beroept, moet haar stelling onderbouwen met aanwijzingen die prima facie wijzen op een niet te verwaarlozen kans dat het risico zich verwezenlijkt. De begunstigden hoeven niet te bewijzen dat elk risico ontbreekt. Pas als dat prima facie-bewijs er ligt, is het aan hen het risico uit te sluiten (r.o. 87 en 88). Bestaat ernstige twijfel zonder dat een definitief oordeel mogelijk is, dan kan de rechter binnen het nationale procesrecht en met inachtneming van hoor en wederhoor partijen om opheldering of stukken vragen, en daarbij gebruikmaken van documenten van de VN of de Unie of informatie opvragen bij nationale of Europese autoriteiten (r.o. 89 en 90).
Het ontbreken van samenwerking tussen de legitieme regering en de gesanctioneerden is volgens het Hof een relevante omstandigheid, maar op zichzelf onvoldoende om het risico uit te sluiten. De regering en YOGC moeten aantonen dat zij specifieke maatregelen hebben genomen die het risico daadwerkelijk kunnen voorkomen, bijvoorbeeld tegen de situatie waarin personen namens de gesanctioneerden zich bij de schuldenaar melden als bevoegde ontvangers (r.o. 91 tot en met 93).
Afsluiting
Het Hof van Justitie heeft de drie vragen van de Cour de cassation beantwoord. Betaling ter uitvoering van een arbitraal vonnis aan een niet-gesanctioneerde publieke entiteit kan onder artikel 2, lid 2, van Verordening nr. 1352/2014 vallen als gesanctioneerde personen daadwerkelijk in staat zijn de tegoeden te verkrijgen. Daarvoor is een op objectieve aanwijzingen gebaseerd en voldoende waarschijnlijk risico vereist, zeggenschap wordt niet vermoed, en de bewijslast kan worden aangepast zonder te worden omgekeerd. Naast Frankrijk dienden onder meer Italië, Nederland en de Europese Commissie opmerkingen in. De Cour de cassation moet de zaak nu met inachtneming van het arrest afdoen; de bedragen uit het vonnis zijn in Noorwegen al aan het ministerie voldaan.
Klik hier voor de volledige uitspraak: arrest van 15 oktober 2026, zaak C‑842/24, DNO Yemen.
