Hof 's-Hertogenbosch stelt prejudiciele vragen aan Hoge Raad over extraterritoriale rechtsmacht bij valsheid in geschrift in nareisprocedure
/Gerechtshof 's-Hertogenbosch 17 maart 2026, ECLI:NL:GHSHE:2026:724
Het gerechtshof 's-Hertogenbosch legt bij tussenarrest van 17 maart 2026 prejudiciele vragen voor aan de Hoge Raad over de reikwijdte van artikel 4, aanhef en onderdeel d, van het Wetboek van Strafrecht. De zaak betreft een verdachte met de Syrische nationaliteit die in Turkije een formulier van de IND valselijk zou hebben opgemaakt in het kader van een nareisprocedure strekkende tot gezinshereniging. Centraal staat de vraag of Nederland extraterritoriale rechtsmacht heeft wanneer valsheid in geschrift wordt gepleegd jegens een formulier van de IND, buiten Nederlands grondgebied, door een niet-Nederlander. Het hof verwijst naar twee onherroepelijke arresten van het gerechtshof Den Haag waarin die rechtsmacht werd ontkend, omdat de valsheid niet zou zijn gepleegd "tegen" een Nederlandse overheidsinstelling in de zin van het beschermingsbeginsel. Beide procespartijen hebben zich op het standpunt gesteld dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. Het hof schorst het onderzoek voor onbepaalde tijd in afwachting van de beantwoording door de Hoge Raad.
Inleiding en context
De verdachte is een in 1997 geboren man met de Syrische nationaliteit. Zijn broer is als minderjarige alleenstaande asielzoeker naar Nederland gereisd en heeft een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd verkregen. Op grond van die vergunning heeft de broer een nareisverzoek ingediend, strekkende tot gezinshereniging. In dat kader heeft de verdachte op 12 januari 2021 in Turkije een formulier Bijlage Verklaring burgerlijke staat van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) ingevuld en ondertekend. De IND heeft op 6 december 2022 aangifte gedaan van het opzettelijk opgeven van onjuiste gegevens. De politierechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft de verdachte op 17 januari 2025 veroordeeld tot een gevangenisstraf van twee maanden wegens valsheid in geschrift. De verdachte heeft tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld. Het betreft een tussenarrest waarin het hof prejudiciele vragen aan de Hoge Raad voorlegt op grond van artikel 553 van het Wetboek van Strafvordering.
Tenlastelegging en wettelijk kader
Aan de verdachte wordt verweten dat hij op of omstreeks 12 januari 2021 te Istanboel, althans in Turkije, en/of in Syrie, en/of in Nederland een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen valselijk heeft opgemaakt en/of heeft vervalst. Het betreft het formulier Bijlage Verklaring burgerlijke staat van de IND. De verdachte zou in strijd met de waarheid hebben vermeld dat hij ongehuwd was en nimmer gehuwd was geweest, geen duurzame of exclusieve relatie met een partner had en niet de zorg had over kinderen, met het oogmerk om het geschrift als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken. Het tenlastegelegde feit betreft valsheid in geschrift als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht. De kernvraag in deze zaak is echter niet de bewijsbaarheid van het feit, maar de vraag of Nederland extraterritoriale rechtsmacht heeft op grond van artikel 4, aanhef en onderdeel d, Sr. Die bepaling vestigt rechtsmacht voor valsheidsdelicten als bedoeld in de artikelen 225 tot en met 227b en 232 Sr indien het strafbare feit is gepleegd tegen een Nederlandse overheidsinstelling. Aan deze bepaling ligt het beschermingsbeginsel ten grondslag, dat erop is gericht gewichtige algemene nationale rechtsbelangen te beschermen.
Standpunt van het Openbaar Ministerie
De advocaat-generaal vordert dat het hof het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk verklaart in de vervolging. De advocaat-generaal sluit zich daarmee aan bij de overwegingen van het gerechtshof Den Haag in het arrest van 22 mei 2025 (ECLI:NL:GHDHA:2025:1080), waarin is geoordeeld dat de extraterritoriale rechtsmacht niet kan worden gebaseerd op artikel 4, aanhef en onderdeel d, Sr in vergelijkbare gevallen van valsheid in een IND-formulier in het kader van een nareisprocedure.
Standpunt van de verdediging
De verdediging bepleit eveneens dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk is in de strafvervolging wegens het ontbreken van rechtsmacht. De raadsvrouw volgt daarbij dezelfde lijn als de advocaat-generaal en sluit zich aan bij de overwegingen van het gerechtshof Den Haag.
Oordeel gerecht
Het hof komt niet toe aan een inhoudelijk oordeel over de bewijsvraag of de strafmaat, maar wijdt zijn overwegingen aan de rechtsmachtkwestie en het belang van het stellen van prejudiciele vragen aan de Hoge Raad.
Het hof schetst uitvoerig het juridische debat over de reikwijdte van artikel 4, aanhef en onderdeel d, Sr. Het verwijst naar het onherroepelijke arrest van het gerechtshof Den Haag van 22 mei 2025 (ECLI:NL:GHDHA:2025:1080), gevolgd door het eveneens onherroepelijke arrest van 28 juli 2025 (ECLI:NL:GHDHA:2025:1566). In die arresten oordeelt het gerechtshof Den Haag dat aan het woord "tegen" in artikel 4, aanhef en onderdeel d, Sr een bijzondere betekenis toekomt. Valsheidsdelicten zijn volgens die uitleg pas "tegen" een Nederlandse overheidsinstelling gepleegd wanneer zij naar hun strekking en uitvoering op een lijn staan met de valsheidsdelicten uit de oude wettekst van artikel 4, onderdeel 3 (oud), Sr. Die oude bepaling zag uitsluitend op geschriften met een financieel karakter, zoals schuldbrieven en certificaten van schuld, waarbij de valsheid doorgaans een min of meer directe financiele benadeling van de overheid tot gevolg heeft. Het gerechtshof Den Haag overweegt daarbij dat uit de parlementaire geschiedenis niet blijkt dat de wetgever met de tekstwijziging van artikel 4 Sr een inhoudelijke wijziging heeft beoogd, dat een ruimere uitleg niet verklaart waarom artikel 231 Sr (valsheid in reisdocumenten) niet in de bepaling is opgenomen, en dat een onbeperkte toepassing op ieder overheidsformulier niet te rijmen valt met de zwaarwegendheid van de belangen die het beschermingsbeginsel beoogt te beschermen.
Het hof 's-Hertogenbosch merkt op dat in de onderhavige zaak, anders dan in de Haagse zaken, ook Nederland als pleegplaats in de tenlastelegging is opgenomen. Het hof stelt echter voorop dat de aanwezigheid van rechtsmacht moet worden beoordeeld op grondslag van de tenlastelegging en dat de rechter, indien na beantwoording van de bewijsvraag geen enkel aanknopingspunt met Nederland bestaat, alsnog kan concluderen dat rechtsmacht ontbreekt. Het hof constateert voorts dat de situatie als bedoeld in artikel 7, derde lid, Sr zich niet voordoet, nu de verdachte ten tijde van het feit niet de Nederlandse nationaliteit bezat.
Het hof overweegt dat de rechtsvraag die hier aan de orde is voldoet aan de voorwaarden van artikel 553 Sv en dat er een zaaksoverstijgend belang bestaat bij beantwoording ervan, nu op dit moment soortgelijke zaken aanhangig zijn. Het hof verwijst daarbij naar het commentaar van R. van Elst in Tekst en Commentaar Strafrecht, die opmerkt dat de parlementaire voorbereiding er niet op wijst dat de wetgever goed heeft doordacht wat de betekenis zou zijn van het resterende artikel 4 Sr na de herziening, en die de vraag opwerpt of het vervalsen van een IND-geschrift in het kader van een nareisverzoek niet toch zou kunnen worden aangemerkt als bescherming van gewichtige algemene nationale rechtsbelangen.
Prejudiciele vragen
Het hof legt twee prejudiciele vragen voor aan de Hoge Raad. De eerste vraag is of de belangen die in het geding zijn bij het vervalsen van een door de IND verstrekt geschrift in het kader van een nareisverzoek strekkende tot gezinshereniging kunnen worden aangemerkt als gewichtige algemene nationale rechtsbelangen ter bescherming waarvan een grondslag voor rechtsmacht is opgenomen in artikel 4 Sr. De tweede vraag is of daarmee sprake is van een strafbaar feit gepleegd tegen een Nederlandse overheidsinstelling als bedoeld in artikel 4, aanhef en onderdeel d, Sr wanneer een formulier Bijlage Verklaring burgerlijke staat van de IND niet naar waarheid wordt ingevuld met het oogmerk om dit als echt en onvervalst te doen gebruiken in een nareisprocedure.
Beslissing
Het hof heropent het onderzoek ter terechtzitting en schorst dit voor onbepaalde tijd in afwachting van de beantwoording door de Hoge Raad. Er wordt geen inhoudelijke beslissing genomen over de bewijsvraag, de kwalificatie of de strafmaat. Het hof beveelt de oproeping van de verdachte en een tolk Arabisch (Syrisch-Libanees) voor de nog nader te bepalen terechtzitting.
Lees hier de volledige uitspraak.
