EHRM stelt vragen aan Nederland over schadevergoeding na vrijspraak: is het oordeel 'laakbaar handelen' verenigbaar met de onschuldpresumptie?

Op 30 maart 2026 heeft het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) de zaak Koopmans tegen Nederland (no. 32183/24) gepubliceerd. De zaak was op 12 maart 2026 al gecommuniceerd aan de Nederlandse regering, wat betekent dat Den Haag de gelegenheid krijgt om te reageren op de klacht. Centraal staat de vraag of het gerechtshof Den Haag de onschuldpresumptie van artikel 6 lid 2 EVRM heeft geschonden door een verzoek om schadevergoeding na een onherroepelijke vrijspraak af te wijzen met de overweging dat het handelen van de verzoeker 'laakbaar' was. De zaak raakt aan een terugkerend spanningsveld in de Nederlandse strafrechtspraktijk: de billijkheidstoets bij verzoeken op grond van de artikelen 530 en 533 van het Wetboek van Strafvordering en de grenzen die de onschuldpresumptie daaraan stelt. Het EHRM verwijst bij de communicatie naar recente Grote Kamer-rechtspraak, waaronder het arrest Nealon en Hallam tegen het Verenigd Koninkrijk van 11 juni 2024.

De feiten: van veroordeling tot vrijspraak

De verzoeker werd verdacht van betrokkenheid bij het aankopen van wapens in Slowakije die vervolgens naar Nederland werden gebracht. De tenlastelegging was gebaseerd op de Wet wapens en munitie en omvatte medeplichtigheid aan het binnenbrengen, overdragen en voorhanden hebben van een grote hoeveelheid wapens in Nederland.

Op 14 december 2021 veroordeelde de rechtbank Rotterdam de verzoeker tot 36 maanden gevangenisstraf, waarvan 6 maanden voorwaardelijk. In hoger beroep kwam het gerechtshof Den Haag op 21 april 2023 tot een integrale vrijspraak. Het hof oordeelde dat niet bewezen kon worden dat de verzoeker in Nederland wapens had overgedragen of voorhanden had gehad. Ten aanzien van de medeplichtigheid aan het binnenbrengen van wapens stelde het hof vast dat de verzoeker weliswaar negen keer naar Slowakije was gereden en daar wapens had gekocht die hij aan anderen had overhandigd, maar dat er geen bewijs was dat hij wist wat er vervolgens met die wapens zou gebeuren. De vrijspraak werd onherroepelijk.

De afgewezen schadevergoedingsverzoeken

Na de vrijspraak diende de verzoeker twee verzoekschriften in: een op grond van artikel 533 lid 1 Sv (schadevergoeding voor ondergane voorlopige hechtenis) en een op grond van artikel 530 Sv (vergoeding van advocaatkosten en proceskosten). Dit zijn de gebruikelijke strafvorderlijke mogelijkheden die openstaan voor een gewezen verdachte wiens zaak eindigt zonder oplegging van straf of maatregel. De toekenning geschiedt op gronden van billijkheid.

Op 11 juli 2024 wees het gerechtshof Den Haag beide verzoeken af in afzonderlijke beschikkingen. In beide beslissingen citeerde het hof uit zijn eigen vrijspraak van 21 april 2023 en overwoog vervolgens dat het handelen van de verzoeker naar het oordeel van het hof "laakbaar" was, maar dat dit "gelet op de wijze van ten laste leggen" niet tot een veroordeling had geleid. De verzoeker had de detentie aan zijn eigen laakbare handelen te wijten, aldus het hof, en er waren daarom geen gronden van billijkheid voor toewijzing.

De kern van de klacht: schending van de onschuldpresumptie

De verzoeker klaagt bij het EHRM over schending van artikel 6 lid 2 EVRM. Zijn betoog komt erop neer dat de overwegingen van het gerechtshof in de schadevergoedingsprocedure in feite inhouden: u bent weliswaar vrijgesproken, maar eigenlijk hebt u het tenlastegelegde, of in elk geval iets verkeerds, wel gedaan. De formulering dat de verzoeker niet is veroordeeld vanwege "de wijze van ten laste leggen" suggereert dat het hof van oordeel is dat de strafzaak bij een andere tenlastelegging anders had moeten aflopen. Dat staat op gespannen voet met het verbod om na een onherroepelijke vrijspraak uitingen te doen die de indruk wekken dat de vrijgesprokene toch schuldig is.

Het EHRM heeft naar aanleiding van de klacht één concrete vraag aan partijen voorgelegd: waren de beschikkingen van het gerechtshof van 11 juli 2024 verenigbaar met de onschuldpresumptie? Meer in het bijzonder vraagt het Hof of de motivering van het gerechtshof blijk geeft van het oordeel dat de verzoeker naar de strafrechtelijke maatstaf schuldig was aan een strafbaar feit, en daarmee suggereert dat de strafzaak anders had moeten worden beslist.

Het juridische kader: artikel 6 lid 2 EVRM na Nealon en Hallam

De onschuldpresumptie van artikel 6 lid 2 EVRM functioneert niet alleen als waarborg tijdens het strafproces zelf, maar heeft ook een zogenoemde 'tweede dimensie' die doorwerkt in procedures die na afloop van de strafzaak plaatsvinden. Wanneer een strafzaak eindigt zonder veroordeling, moet de gewezen verdachte in opvolgende procedures als onschuldig worden behandeld. Het weigeren van schadevergoeding is op zichzelf niet in strijd met deze bepaling, maar de motivering waarmee die weigering gepaard gaat, kan dat wel zijn.

In het arrest Nealon en Hallam tegen het Verenigd Koninkrijk van 11 juni 2024 heeft de Grote Kamer van het EHRM deze rechtspraak verder verduidelijkt. De Grote Kamer oordeelde dat in alle zaken, ongeacht of de strafzaak is geëindigd met een vrijspraak of een sepot, de centrale vraag is of de beslissingen en de motivering van de nationale rechter, in hun geheel bezien en in de context van de procedure, blijk geven van een oordeel over de schuld van de verzoeker dat zich niet verdraagt met de onschuldpresumptie. Het Hof liet daarbij het eerder gehanteerde onderscheid tussen vrijspraken en sepotbeslissingen los en formuleerde één uniform toetsingscriterium.

Het EHRM verwijst in de communicatie van Koopmans ook naar de zaak Gomes Costa tegen Portugal van 25 februari 2025, waarin het Hof nader invulling gaf aan dit toetsingskader.

De Nederlandse praktijk: billijkheidstoets onder druk

De zaak Koopmans raakt aan een breder discussiepunt in de Nederlandse strafrechtspraktijk. Op grond van de artikelen 530 en 533 Sv kan de strafrechter na een vrijspraak of sepot een schadevergoeding toekennen als daarvoor "gronden van billijkheid" aanwezig zijn (artikel 534 Sv). In de praktijk betekent dit dat een vrijspraak niet automatisch leidt tot toekenning van schadevergoeding. De raadkamer die over het verzoek beslist, beschikt over beoordelingsruimte.

Die beoordelingsruimte leidt er in de praktijk toe dat raadkamers soms verwijzen naar het gedrag van de verzoeker of naar de omstandigheden van de strafzaak om te motiveren waarom de billijkheid zich tegen toekenning verzet. In de vakliteratuur is meermaals gesignaleerd dat deze billijkheidstoets kan uitmonden in een beoordeling die feitelijk neerkomt op een herbeoordeling van de schuld van de vrijgesproken verzoeker. In een artikel in Tijdschrift Bijzonder Strafrecht & Handhaving (TBS&H 2022, nr. 1) stelden Demandt en Janssen al dat de gehanteerde toetsing in bepaalde gevallen in strijd is of kan komen met de onschuldpresumptie.

BijzonderStrafrecht.nl berichtte eerder al over een vergelijkbare zaak waarin een verzoek om schadevergoeding was afgewezen na wat de raadkamer een 'technische vrijspraak' noemde. Die zaak leidde tot een klacht bij het EHRM en werd uiteindelijk met een minnelijke schikking afgedaan.

De Hoge Raad heeft zich in 2020 uitgesproken over een verwant vraagstuk in de civielrechtelijke context (ECLI:NL:HR:2020:1526). In dat arrest oordeelde de Hoge Raad dat het 'gebleken onschuld'-criterium als zodanig niet onverenigbaar is met artikel 6 lid 2 EVRM, maar dat de motivering van een afwijzende beslissing niet mag neerkomen op een verkapte schuldigverklaring.

Afsluiting

De communicatie van Koopmans tegen Nederland door het EHRM onderstreept dat de spanning tussen de Nederlandse billijkheidstoets en de Straatsburgse onschuldpresumptie niet is verdwenen. De zaak is niet de eerste waarin Nederland op dit punt wordt aangesproken, en de verwijzing door het EHRM naar de recente Grote Kamer-rechtspraak uit Nealon en Hallam en Gomes Costa geeft aan dat het Hof de kwestie in het licht van zijn meest actuele jurisprudentie zal beoordelen. De Nederlandse regering zal nu moeten toelichten hoe de overwegingen van het gerechtshof Den Haag zich verhouden tot het verbod om na een onherroepelijke vrijspraak uitingen te doen die op een schuldoordeel neerkomen. Het antwoord van de regering en het vervolg van de procedure zullen uitwijzen of de Nederlandse praktijk op dit punt bijstelling behoeft.

Print Friendly and PDF ^