Hof matigt straf voor feitelijk leidinggevende aan btw-fraude, valsheid in geschrift en gewoontewitwassen vanwege uitzichtloze medische situatie
/Gerechtshof Den Haag 3 maart 2026, ECLI:NL:GHDHA:2026:601
Het gerechtshof Den Haag bevestigt op 3 maart 2026 de veroordeling van een bestuurder die feitelijke leiding heeft gegeven aan onjuiste aangiften omzetbelasting, valsheid in geschrift en gewoontewitwassen door zijn vennootschap. Op basis van valselijk opgemaakte facturen keert de Belastingdienst ruim één miljoen euro uit, waarvan na beslaglegging ruim € 650.000 als schade resteert. Het hof bevestigt de bewezenverklaring van de rechtbank en kwalificeert de feiten als feitelijk leidinggeven in de zin van artikel 51 lid 2 Sr. Vanwege de uitzichtloze medische situatie van de verdachte en het tijdsverloop wordt een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van twaalf maanden opgelegd met een proeftijd van twee jaren. Daarnaast wordt de verdachte voor twee jaren ontzet uit het recht tot uitoefening van het beroep van bestuurder van een rechtspersoon en worden een mobiele telefoon en een computer verbeurdverklaard.
Inleiding en context
De verdachte is een natuurlijk persoon, geboren in 1987, en optredend als bestuurder en enig aandeelhouder van een vennootschap die in deze procedure als medeverdachte rechtspersoon figureert. Het hof oordeelt in hoger beroep over feiten die zijn gepleegd in de periode van 1 januari 2021 tot en met 1 februari 2022, voornamelijk te Rotterdam. De rechtbank Rotterdam heeft de verdachte op 20 december 2023 in eerste aanleg veroordeeld tot een gevangenisstraf van twintig maanden, waarvan tien maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, alsmede tot een ontzetting uit het recht tot uitoefening van het beroep van bestuurder van een rechtspersoon voor twee jaren. De verdachte heeft tegen dat vonnis hoger beroep ingesteld. Ter terechtzitting in hoger beroep komt vast te staan dat de medische situatie van de verdachte uitzichtloos is geworden, in die zin dat herstel zonder een dubbele orgaantransplantatie niet meer mogelijk is en het bovendien ongewis is of die transplantatie zal kunnen plaatsvinden. De verdachte tracht zijn resterende tijd zo veel mogelijk met zijn echtgenote en kinderen door te brengen. De zaak wordt beoordeeld door de economische kamer van het gerechtshof Den Haag.
Tenlastelegging en wettelijk kader
De verdachte wordt verweten dat hij feitelijke leiding heeft gegeven aan drie strafbare gedragingen van de medeverdachte rechtspersoon, telkens gepleegd tezamen en in vereniging met een ander. Onder feit 1 staat centraal het opzettelijk onjuist of onvolledig doen van bij de Belastingwet voorziene aangiften omzetbelasting over het eerste en tweede kwartaal 2021 en over de maanden juli tot en met november 2021, terwijl die feiten ertoe strekken dat te weinig belasting wordt geheven. Het gaat hier om artikel 69 lid 2 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen in samenhang met artikel 51 Sr. Onder feit 2 wordt de verdachte verweten dat hij feitelijke leiding heeft gegeven aan valsheid in geschrift, meermalen gepleegd, in de zin van artikel 225 Sr. Het betreft diverse facturen, zowel inkoopfacturen van twee externe vennootschappen aan de medeverdachte rechtspersoon als verkoopfacturen van die rechtspersoon aan twee particuliere afnemers, waaronder een factuur ter hoogte van € 372.196. Onder feit 3 ziet de tenlastelegging op gewoontewitwassen ex artikel 420ter Sr, betreffende geldbedragen van in totaal € 320.100,53 alsmede tien personenauto's en een scooter. Telkens is het verwijt primair geconstrueerd via feitelijk leidinggeven aan een verboden gedraging van de rechtspersoon (artikel 51 lid 2 Sr); subsidiair is hetzelfde feit als rechtstreeks daderschap van de verdachte ten laste gelegd.
Standpunt van het Openbaar Ministerie
Het Openbaar Ministerie vordert in hoger beroep, bij monde van de advocaat-generaal, vernietiging van het vonnis en veroordeling van de verdachte ter zake van het onder 1, 2 en 3 primair tenlastegelegde. De gevorderde straf bestaat uit een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden met een proeftijd van twee jaren, alsmede een ontzetting uit het recht tot uitoefening van het beroep van bestuurder van een rechtspersoon voor twee jaren. Het Openbaar Ministerie matigt zijn eis daarmee aanzienlijk ten opzichte van de in eerste aanleg gevorderde en opgelegde straf, en houdt blijkens de inhoud van de eis rekening met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte.
Standpunt van de verdediging
Het arrest bevat geen uitgebreide weergave van afzonderlijke verweren van de verdediging. Het hof verwijst slechts in algemene bewoordingen naar hetgeen door en namens de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep naar voren is gebracht. Uit de strafmotivering blijkt dat de verdediging in elk geval de aandacht heeft gevestigd op de bijzonder zorgelijke medische situatie van de verdachte en op het tijdsverloop sinds de feiten. Bewijsverweren of formele verweren komen in het arrest niet expliciet aan de orde, nu het hof het vonnis op die punten met overneming van gronden bevestigt.
Oordeel gerecht
Het hof is van oordeel dat de rechtbank op juiste gronden heeft geoordeeld en op juiste wijze heeft beslist, zodat het vonnis met overneming van gronden wordt bevestigd, met uitzondering van de strafoplegging en de motivering daarvan. Daarmee staat ook in hoger beroep vast dat de medeverdachte rechtspersoon zich schuldig heeft gemaakt aan het opzettelijk onjuist doen van aangiften omzetbelasting over de tenlastegelegde tijdvakken in 2021, en dat de verdachte aan deze verboden gedragingen feitelijke leiding heeft gegeven in de zin van artikel 51 lid 2 Sr. Het hof bevestigt eveneens de bewezenverklaring van het meermalen plegen van valsheid in geschrift, bestaande uit het valselijk opmaken van inkoopfacturen op naam van twee externe vennootschappen en van verkoopfacturen aan twee particulieren, telkens met het oogmerk de geschriften als echt en onvervalst te gebruiken of te doen gebruiken. Voorts blijft de bewezenverklaring van gewoontewitwassen in stand, betreffende geldbedragen van in totaal € 320.100,53 alsmede een wagenpark van tien auto's en een scooter, terwijl de medeverdachte rechtspersoon en haar mededader wisten dat deze voorwerpen onmiddellijk of middellijk uit misdrijf afkomstig waren. Het hof oordeelt dat de verdachte berekenend te werk is gegaan, dat de Belastingdienst op basis van de valse facturen ruim één miljoen euro aan de medeverdachte rechtspersoon heeft uitgekeerd en dat na beslaglegging een schadepost van ruim € 650.000 resteert. De verdachte heeft het verkregen geld voornamelijk besteed aan auto's, winkelen, giften aan naasten en contante opnames. Met deze handelwijze heeft de verdachte misbruik gemaakt van en een ernstige inbreuk gemaakt op het op vertrouwen gebaseerde systeem van belastingheffing.
Bewezenverklaring
Het hof bevestigt de bewezenverklaring zoals door de rechtbank gedaan, met dien verstande dat bewezen wordt verklaard dat de verdachte:
feitelijke leiding heeft gegeven aan het door de rechtspersoon, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk onjuist of onvolledig doen van bij de Belastingwet voorziene aangiften omzetbelasting over het eerste en tweede kwartaal 2021 en over de maanden juli tot en met november 2021, terwijl die feiten ertoe strekten dat te weinig belasting werd geheven;
feitelijke leiding heeft gegeven aan het door de rechtspersoon, tezamen en in vereniging met een ander, meermalen valselijk opmaken of doen opmaken van geschriften die bestemd waren om tot bewijs van enig feit te dienen, te weten meerdere inkoopfacturen op naam van twee externe vennootschappen aan de rechtspersoon en verkoopfacturen van de rechtspersoon aan twee particuliere afnemers, telkens met het oogmerk deze als echt en onvervalst te gebruiken of te doen gebruiken;
feitelijke leiding heeft gegeven aan het door de rechtspersoon, tezamen en in vereniging met een ander, gewoontewitwassen van geldbedragen van in totaal € 320.100,53, alsmede van tien personenauto's en een scooter, terwijl de rechtspersoon en haar mededader wisten dat deze voorwerpen onmiddellijk of middellijk geheel of gedeeltelijk uit enig misdrijf afkomstig waren.
Van afzonderlijke vrijspraken op onderdelen blijkt uit het arrest niet.
Strafoplegging en maatregelen
Het hof bepaalt de op te leggen straffen op grond van de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder zij zijn begaan en de persoon en persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Het hof acht de fiscale benadeling aanzienlijk, nu door de bewezenverklaarde belastingfraude te weinig belasting is geheven en gemeenschapsgeld ten onrechte is uitbetaald, waardoor zowel de Belastingdienst als de maatschappij ernstig zijn benadeeld. Uit het uittreksel Justitiële Documentatie van 17 februari 2026 blijkt dat de verdachte niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor soortgelijke feiten. Doorslaggevend voor de strafmaat acht het hof de bijzonder zorgelijke medische situatie van de verdachte, die zonder een ongewisse dubbele orgaantransplantatie geen uitzicht meer heeft op herstel, en het tijdsverloop sinds de feiten. Op basis daarvan acht het hof, conform de eis van het Openbaar Ministerie, een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van twaalf maanden met een proeftijd van twee jaren een passende en geboden reactie. Daarnaast wordt de verdachte voor twee jaren ontzet uit het recht tot uitoefening van het beroep van bestuurder van een rechtspersoon. Het hof verklaart voorts twee inbeslaggenomen voorwerpen verbeurd, te weten een mobiele telefoon van het merk Samsung en een computer, met behulp waarvan het bewezenverklaarde is begaan. Bij de verbeurdverklaring houdt het hof rekening met de draagkracht van de verdachte. Het hof past artikel 69 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen toe alsmede de artikelen 14a, 14b, 14c, 24, 28, 31, 33, 33a, 47, 51, 57, 63, 225 en 420ter van het Wetboek van Strafrecht. Ten opzichte van het vonnis in eerste aanleg, waarbij een gevangenisstraf van twintig maanden met tien maanden voorwaardelijk werd opgelegd, wordt de hoofdstraf in zijn geheel voorwaardelijk gemaakt en in duur verminderd, terwijl de bijkomende straf van ontzetting uit het bestuurdersberoep ongewijzigd blijft.
Lees hier de volledige uitspraak.
