Rechtbank Oost-Brabant: omkoping boa voor raadplegen kentekenregister rechtvaardigt onvoorwaardelijke gevangenisstraf ondanks first offender en kostwinnerschap

Rechtbank Oost-Brabant 30 april 2026, ECLI:NL:RBOBR:2026:2737 (hoofdzaak) en ECLI:NL:RBOBR:2026:2740 (ontneming)

De rechtbank veroordeelt een verdachte voor omkoping van een bijzonder opsporingsambtenaar en voor het voorhanden hebben van een gasdrukpistool. De verdachte plaatst gedurende ruim een jaar advertenties in Telegramgroepen waarin hij tegen betaling kentekengegevens aanbiedt, die hij verkrijgt via een boa met toegang tot gemeentelijke systemen. De rechtbank acht beide feiten wettig en overtuigend bewezen en legt een gevangenisstraf op van 12 maanden, waarvan 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. In de gelijktijdig behandelde ontnemingsprocedure stelt de rechtbank het wederrechtelijk verkregen voordeel vast op € 2.559,50 en wijst zij de vordering integraal toe. De rechtbank weegt mee dat de verdachte first offender is, openheid van zaken geeft en kostwinner is, maar acht een onvoorwaardelijke gevangenisstraf onontkoombaar gelet op de schending van het publieke vertrouwen en de potentiële gevaarzetting bij het verstrekken van persoonsgegevens.

Inleiding en context

De rechtbank Oost-Brabant doet op 30 april 2026 in twee samenhangende vonnissen uitspraak in de strafzaak en de ontnemingszaak tegen een natuurlijke persoon, geboren in 1990. De verdachte is in de periode van 7 februari 2023 tot en met 8 maart 2024 actief op Telegram, waar hij in diverse groepen advertenties plaatst met de mededeling dat hij tegen betaling van € 80,00 via een kenteken de gegevens van de eigenaar van het betreffende voertuig kan achterhalen. Voor de uitvoering van die aanvragen schakelt hij een medeverdachte in, een buitengewoon opsporingsambtenaar bij de gemeenten Helmond en Meierijstad, die toegang heeft tot de daartoe relevante gemeentelijke systemen. In ruil voor de bevragingen verstuurt de medeverdachte betaalverzoeken aan de verdachte, die deze vervolgens voldoet. De medeverdachte ontvangt aanvankelijk € 20,00 per kenteken, welk bedrag later wordt verhoogd naar € 30,00 per kenteken. Daarnaast wordt op 8 april 2024 in Tilburg bij de verdachte een gasdrukpistool aangetroffen. Beide zaken worden in eerste aanleg op tegenspraak behandeld door de meervoudige strafkamer ter terechtzitting van 16 april 2026.

Tenlastelegging en wettelijk kader

In de hoofdzaak wordt de verdachte onder feit 1 verweten dat hij meermalen aan een ambtenaar, te weten de medeverdachte als bijzonder opsporingsambtenaar bij de gemeenten Helmond en Meierijstad, een gift heeft gedaan in de vorm van geldbedragen tot een totaal van € 1.600,00, telkens met het oogmerk om die ambtenaar te bewegen in zijn bediening iets te doen of na te laten, dan wel ten gevolge of naar aanleiding van het door die ambtenaar in zijn bediening verrichte raadplegen en verstrekken van aan kentekens gekoppelde gegevens. De grondslag is artikel 177 van het Wetboek van Strafrecht. Onder feit 2 wordt de verdachte verweten dat hij op 8 april 2024 te Tilburg een wapen van categorie I, onder 7° van de Wet wapens en munitie voorhanden heeft gehad, te weten een gasdrukpistool, in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wet wapens en munitie. De ontnemingsvordering is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

In de hoofdzaak stelt de officier van justitie zich op het standpunt dat beide feiten wettig en overtuigend bewezen kunnen worden. Hij vordert oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, met aftrek van het voorarrest, waarvan 4 maanden voorwaardelijk en met een proeftijd van 3 jaren. Daarbij houdt de officier van justitie reeds rekening met de overschrijding van de redelijke termijn. In de ontnemingsprocedure vordert de officier van justitie bij vordering van 3 maart 2026 oplegging van de verplichting tot betaling aan de Staat van € 2.559,50 ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, gestoeld op het financieel onderzoek van de Rijksrecherche van 22 juli 2024.

Standpunt van de verdediging

In de hoofdzaak refereert de raadsman zich ten aanzien van de bewezenverklaring aan het oordeel van de rechtbank. Wat betreft de strafmaat verzoekt de raadsman rekening te houden met de overschrijding van de redelijke termijn. Voorts wijst hij erop dat de verdachte first offender is, vanaf het eerste verhoor openheid van zaken heeft gegeven en kostwinner is voor zijn gezin. De verdediging bepleit een voorwaardelijke gevangenisstraf in combinatie met een forse taakstraf en een proeftijd van 2 jaren. In de ontnemingsprocedure refereert de raadsman zich integraal aan het oordeel van de rechtbank, waarbij de verdachte ter terechtzitting bevestigt dat de berekening van de Rijksrecherche correct is.

Oordeel rechtbank

De rechtbank stelt in de hoofdzaak vast dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is en dat de officier van justitie ontvankelijk is. Op basis van de bekennende verklaring van de verdachte ter terechtzitting en de processen-verbaal in het dossier acht de rechtbank beide feiten wettig en overtuigend bewezen. De rechtbank kwalificeert het bewezenverklaarde onder feit 1 als het meermalen doen van een gift aan een ambtenaar met het oogmerk hem te bewegen in zijn bediening iets te doen, en onder feit 2 als handelen in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.

Bij de strafmotivering benadrukt de rechtbank dat omkoping van een ambtenaar een ernstig strafbaar feit is dat het publieke vertrouwen in de overheid schaadt en een bedreiging vormt voor de integriteit van handhavers. De rechtbank weegt zwaar mee dat het verstrekken van NAW-gegevens aan veelal onbekende aanvragers aanzienlijke gevaarzetting met zich brengt. In het dossier komt naar voren dat een door de medeverdachte uitgevoerde bevraging vermoedelijk heeft bijgedragen aan de uitvoering van een ernstig misdrijf: op het adres van een van de bevraagde kentekenhouders heeft enkele dagen na de bevraging een explosie plaatsgevonden, en die bevraging is aangetroffen op de telefoon van de verdachte van die explosie. De rechtbank betrekt daarbij dat de verdachte ter zitting heeft verklaard niet bij die gevaarzetting te hebben stilgestaan en dat hij enkel oog heeft gehad voor zijn financiële gewin. In het voordeel van de verdachte weegt de rechtbank diens openheid van zaken vanaf het eerste verhoor, het feit dat hij niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten, dat de voorlopige hechtenis veel indruk op hem heeft gemaakt en dat hij kostwinner is voor zijn gezin met drie kinderen. De rechtbank constateert voorts dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM met ruim drie weken is overschreden en betrekt dit bij de strafoplegging.

In de ontnemingsprocedure acht de rechtbank aannemelijk dat het bewezenverklaarde misdrijf wederrechtelijk voordeel heeft opgeleverd. Zij sluit voor de schatting aan bij het proces-verbaal wederrechtelijk verkregen voordeel van de Rijksrecherche van 22 juli 2024 en bij de verklaring van de verdachte ter terechtzitting. De verdachte ontvangt € 890,00 op zijn bankrekening en in totaal USD 1.627,57 op zijn Bitcoinwallet, omgerekend € 1.507,01. De gemiddelde vergoeding per bevraging bedraagt € 70,50, berekend door de gezamenlijke opbrengst van € 2.397,01 te delen door 34 doorbetaalde bevragingen. Op basis van het aantal door de verdachte aan de medeverdachte verrichte betalingen is aannemelijk dat 59 kentekens zijn bevraagd, hetgeen leidt tot een totale opbrengst van € 4.159,50. Na aftrek van de aan de medeverdachte betaalde kosten van € 1.600,00 stelt de rechtbank het wederrechtelijk verkregen voordeel vast op € 2.559,50.

Bewezenverklaring

De rechtbank verklaart bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan:

  • het in de periode van 7 februari 2023 tot en met 8 maart 2024 in Nederland aan een ambtenaar, te weten de medeverdachte als bijzonder opsporingsambtenaar bij de gemeenten Helmond en Meierijstad, telkens een gift doen in de vorm van geldbedragen tot een totaal van € 1.600,00, telkens met het oogmerk hem te bewegen in zijn bediening iets te doen, namelijk het bevragen en raadplegen van aan kentekens gekoppelde gegevens en het verstrekken daarvan aan de verdachte;

  • het op 8 april 2024 te Tilburg voorhanden hebben van een wapen van categorie I, onder 7° van de Wet wapens en munitie, te weten een gasdrukpistool.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan bewezen verklaard, wordt niet bewezen verklaard en de verdachte wordt daarvan vrijgesproken.

Strafoplegging en maatregelen

De rechtbank oordeelt dat in het kader van een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met een andere of lichtere straf dan een deels onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Een voorwaardelijke gevangenisstraf in combinatie met een forse taakstraf, zoals door de verdediging bepleit, doet naar het oordeel van de rechtbank geen recht aan de ernst van de feiten. De rechtbank legt een gevangenisstraf op voor de duur van 12 maanden, met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht, waarvan 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. Het voorwaardelijk deel wordt opgelegd om de verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen. De rechtbank ziet, mede gelet op het tijdsverloop waarin geen nieuwe strafbare feiten zijn gepleegd, geen reden voor een langere proeftijd dan 2 jaren. Daarmee wijkt de rechtbank op het punt van de proeftijd af van de eis van de officier van justitie, die een proeftijd van 3 jaren vordert.

In de ontnemingsprocedure legt de rechtbank aan de verdachte de verplichting op tot betaling aan de Staat van een geldbedrag van € 2.559,50 ter ontneming van het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel. De rechtbank wijst de vordering daarmee integraal toe. De duur van de gijzeling die met toepassing van artikel 6:6:25 van het Wetboek van Strafvordering ten hoogste kan worden gevorderd, wordt bepaald op 25 dagen. De toepasselijke wetsartikelen in de hoofdzaak zijn de artikelen 14a, 14b, 14c, 57 en 177 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 13 en 55 van de Wet wapens en munitie. De ontnemingsmaatregel is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.

Lees hier de volledige uitspraak in de hoofdzaak en hier de volledige uitspraak in de ontnemingszaak.

Print Friendly and PDF ^