"Veilig stellen" van geld is al toe-eigenen
/De rechtbank Midden-Nederland heeft op 29 april 2026 een boekhouder veroordeeld voor verduistering in dienstbetrekking van een geldbedrag van € 72.500 en drie bedrijfsauto's, gepleegd in april 2016. De rechtbank legt een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf op van vier maanden met een proeftijd van twee jaar, naast een taakstraf van 120 uur. Daarmee gaat de rechtbank verder dan de eis van het Openbaar Ministerie, dat alleen een taakstraf had gevorderd. De zaak biedt een handzame illustratie van drie thema's die in de praktijk van het financieel-economisch strafrecht regelmatig terugkomen: de invulling van het bestanddeel wederrechtelijke toe-eigening, de strafmaatcompensatie bij overschrijding van de redelijke termijn en de behandeling van advocaatkosten in de vordering benadeelde partij.
Feitencomplex en bewezenverklaring
De verdachte verzorgde de financiële boekhouding voor een eenmanszaak van aangeefster en had toegang tot de bedrijfsbankrekening. Op 13 april 2016 ontstond er onenigheid tussen aangeefster en de verdachte. Diezelfde dag liet aangeefster de bankpassen blokkeren, omdat zij wilde voorkomen dat er nog over de bankrekening zou worden beschikt. Via internetbankieren bleek het echter nog mogelijk om bedragen over te boeken. Op 13 en 14 april 2016 werd in totaal € 72.500 weggesluisd naar een rekening van de ex-partner van de verdachte, met betalingsomschrijvingen die verwezen naar de bouw van een resort in Suriname. Daarnaast werden in dezelfde week drie voertuigen, twee Volkswagen Polo's en een Volkswagen Transporter, op naam van twee derden gezet zonder toestemming van aangeefster.
De rechtbank acht beide feiten wettig en overtuigend bewezen als verduistering gepleegd door hem die het goed uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking onder zich heeft (artikel 322 Sr), meermalen gepleegd. Voor de invulling van het begrip persoonlijke dienstbetrekking sluit de rechtbank uitdrukkelijk aan bij de Hoge Raad van 24 november 2015: of sprake is van werkzaamheid in ondergeschiktheid hangt af van de omstandigheden van het geval. Dat de verdachte zelfstandig betalingen kon doen, doet daar niet aan af. Hij verrichtte specifieke werkzaamheden in opdracht van de eigenaar van de eenmanszaak, en daarmee was sprake van ondergeschiktheid in de zin van artikel 322 Sr.
"Veilig stellen" als heer en meester beschikken
Het meest in het oog springende bewijsoordeel ziet op de wederrechtelijke toe-eigening. De verdachte voerde aan dat hij de € 72.500 had overgeboekt om dit bedrag "veilig te stellen", onder meer ten behoeve van schuldeisers. De rechtbank gebruikt die verklaring tegen hem: uit het feit dat de verdachte het geld stelt te hebben overgeboekt om het veilig te stellen, volgt reeds dat hij zich het geld heeft toegeëigend. Vanaf het moment van overboeking kon hij er immers als heer en meester over beschikken.
Daarmee past de rechtbank het klassieke toetsingskader toe dat de Hoge Raad sinds 13 januari 2015 standaard hanteert: van wederrechtelijke toe-eigening is sprake indien een persoon zonder daartoe gerechtigd te zijn als heer en meester beschikt over een aan een ander toebehorend goed. De rechtbank benadrukt dat het procesdossier geen enkel aanknopingspunt biedt voor de gestelde toestemming van aangeefster, en evenmin voor een blanco volmacht om naar eigen inzicht over de bedrijfsmiddelen te beschikken. Voor de praktijk bevestigt deze overweging dat het verweer "ik beheerde het slechts tijdelijk" niet snel slaagt zodra de feitelijke beschikkingsmacht is overgegaan naar een rekening of een tenaamstelling buiten het bereik van de rechthebbende.
Strafmaat: afwijking van de eis en compensatie redelijke termijn
Bij de strafmaat hanteert de rechtbank als uitgangspunt dat in vergelijkbare zaken in beginsel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf wordt opgelegd. Tegelijk constateert de rechtbank dat in deze zaak sprake is van een forse overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM. De feiten dateren uit april 2016, terwijl het inhoudelijk vonnis pas tien jaar later volgt. De rechtbank merkt op dat een deel van de vertraging is veroorzaakt door de zogenoemde artikel 12 Sv-procedure en doordat de verdachte een periode niet traceerbaar was voor de politie.
Volgens vaste jurisprudentie sinds het overzichtsarrest Hoge Raad 17 juni 2008 wordt overschrijding van de redelijke termijn in beginsel gecompenseerd door strafvermindering, waarbij ook de oplegging van een (gedeeltelijk) voorwaardelijke straf als zodanige strafvermindering kan gelden. De rechtbank kiest in dit geval voor die laatste route: een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van vier maanden in combinatie met een onvoorwaardelijke taakstraf van 120 uur. Daarmee gaat de rechtbank, ondanks de termijnoverschrijding, hoger zitten dan het Openbaar Ministerie, dat had volstaan met een taakstraf. De motivering is dat de ernst van de feiten en de proceshouding van de verdachte, die zijn handelen ter zitting trachtte te vergoelijken, een stok achter de deur rechtvaardigen om recidive te voorkomen.
Vordering benadeelde partij: advocaatkosten artikel 12-procedure als rechtstreekse schade
Ook bij de behandeling van de vordering benadeelde partij maakt de rechtbank een opmerkelijke keuze. De aangeefster vorderde, naast vergoeding voor het verduisterde geld en de auto's, een bedrag aan advocaatkosten als materiële schade. Vaste rechtspraak van de Hoge Raad is dat kosten van rechtsbijstand niet als rechtstreekse schade in de zin van artikel 51f Sv kunnen worden aangemerkt. Dergelijke kosten horen thuis in de proceskostenveroordeling op grond van artikel 532 Sv (voorheen artikel 592a Sv), en niet in de vordering tot schadevergoeding zelf.
De rechtbank houdt aan dat onderscheid vast voor het overgrote deel van de gevorderde advocaatkosten, en verklaart de benadeelde partij in zoverre niet-ontvankelijk wegens het ontbreken van een urenspecificatie. Voor de kosten die specifiek zien op de artikel 12 Sv-procedure maakt de rechtbank echter een uitzondering. Die kosten staan volgens de rechtbank in zodanig nauw verband met de gepleegde strafbare feiten dat zij wél als rechtstreekse schade kunnen worden aangemerkt. De redenering: zonder de artikel 12-procedure had deze strafprocedure geen doorgang gevonden. Daarmee plaatst de rechtbank advocaatkosten van een succesvolle artikel 12 Sv-procedure binnen de civielrechtelijke causaliteitssfeer van het bewezen verklaarde feit, in plaats van louter binnen het processuele kader van de proceskostenveroordeling.
In totaal wijst de rechtbank € 80.510,22 aan materiële schade toe, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 18 april 2016. De gevorderde immateriële schadevergoeding van € 2.500 wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens onvoldoende onderbouwing van het gestelde geestelijk letsel. Dat sluit aan bij het overzichtsarrest van de Hoge Raad van 28 mei 2019, waarin is bevestigd dat een aantasting in de persoon "op andere wijze" met concrete gegevens moet worden onderbouwd.
Afsluiting
De uitspraak laat zien hoe een ogenschijnlijk overzichtelijke verduisteringszaak verschillende leerstukken samenbrengt. Het bewijsoordeel illustreert dat de stelling "ik wilde het geld slechts veilig stellen" zich tegen een verdachte kan keren, omdat zij het feitelijk als heer en meester beschikken bevestigt. De strafoplegging toont dat een forse overschrijding van de redelijke termijn niet vanzelfsprekend leidt tot een lichtere modaliteit dan die welke door het Openbaar Ministerie is gevorderd: de rechtbank kan een voorwaardelijke vrijheidsstraf opleggen die als strafvermindering geldt en tegelijk een steviger signaal afgeeft dan de eis. Ten slotte biedt de behandeling van de vordering benadeelde partij een voorbeeld van een rechtbank die de ruimte tussen rechtstreekse schade en proceskosten benut om kosten van een artikel 12 Sv-procedure binnen het bereik van artikel 51f Sv te brengen. Of die laatste lijn in hoger beroep of cassatie standhoudt, zal moeten blijken.
