Grote Kamer EHRM verklaart klacht over reservistenpraktijk bij de Hoge Raad niet-ontvankelijk
/De Grote Kamer van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) heeft op 23 september 2026 de klacht in de zaak Kuijt tegen Nederland (verzoekschrift nr. 19365/19) bij meerderheid niet-ontvankelijk verklaard. De zaak betrof de praktijk bij de Hoge Raad der Nederlanden waarbij raadsheren van de strafkamer die geen deel uitmaken van de zetel waaraan een zaak is toegewezen, de zogeheten reservisten, kunnen deelnemen aan de beraadslaging in raadkamer zonder aan de stemming deel te nemen. Deze werkwijze dient volgens de Hoge Raad de rechtseenheid. Verzoekster Johanna Kuijt klaagde dat deze praktijk onverenigbaar is met artikel 6 EVRM, omdat haar cassatieberoep daardoor niet zou zijn behandeld door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat bij de wet is ingesteld. Het EHRM komt aan een inhoudelijke beoordeling van die klacht niet toe: het oordeelt dat op nationaal niveau een rechtsgang beschikbaar was om de bezwaren aan de orde te stellen, namelijk in de cassatieprocedure zelf, maar dat verzoekster daarvan geen gebruik heeft gemaakt. Beslissingen van de Grote Kamer zijn op grond van artikel 44 EVRM definitief.
De reservistenpraktijk bij de Hoge Raad
Cassatieberoepen in strafzaken worden op grond van artikel 75 van de Wet op de rechterlijke organisatie behandeld en beslist door een combinatie van drie of vijf raadsheren, de zetel. In de praktijk van de Hoge Raad kunnen ook de overige raadsheren van de strafkamer als reservist deelnemen aan de beraadslaging in raadkamer. Hun rol is beschreven in het Protocol deelname aan behandeling en beraadslaging, dat de Hoge Raad op 28 augustus 2017 heeft vastgesteld en op zijn website heeft gepubliceerd. Volgens dat protocol nemen reservisten deel aan de beraadslaging met het oog op het bewaken van de rechtseenheid binnen de kamer; zij beslissen niet mee. De Hoge Raad heeft er in dat verband op gewezen dat consistentie van zijn rechtspraak van belang is voor het vertrouwen in de rechtspraak en voor de rechtszekerheid.
Het procesverloop in Nederland
Kuijt werd in 2015 veroordeeld wegens het verstoren van een gemeenteraadsvergadering en het niet voldoen aan een bevel van een ambtenaar om de raadszaal onmiddellijk te verlaten. Het gerechtshof legde haar in 2016 een gevangenisstraf van twee weken op en gelastte daarnaast de tenuitvoerlegging van een eerder voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf van twee maanden. Zij stelde cassatieberoep in. Haar advocaat vroeg de Hoge Raad om de namen van de raadsheren die haar zaak zouden behandelen; de namen van de drie leden van de zetel werden verstrekt. Op de vervolgvraag of ook reservisten aan de beraadslaging zouden deelnemen, verwees de griffie naar het protocol.
Daarop verzocht Kuijt de wraking van de drie aan haar zaak toegewezen raadsheren en van de overige leden van de strafkamer. Zij voerde aan dat zij geen berechting zou krijgen door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat bij de wet is ingesteld, in strijd met artikel 6 lid 1 EVRM, omdat een of meer reservisten aan de beraadslaging zouden kunnen deelnemen. De wrakingskamer van de Hoge Raad, samengesteld uit raadsheren van een andere kamer, wees het verzoek op 21 december 2018 af (HR 21 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2397), overeenkomstig de conclusie van procureur-generaal Silvis. De wrakingskamer overwoog dat wraking op grond van artikel 512 van het Wetboek van Strafvordering ziet op de rechterlijke onpartijdigheid en dat de deelname van reservisten aan de beraadslaging, gelet op HR 25 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1770, als het behandelen van een zaak in de zin van die bepaling geldt, zodat ook reservisten kunnen worden gewraakt. Aanwijzingen voor vooringenomenheid zag de wrakingskamer niet. De klachten over de vereisten van een bij de wet ingesteld en onafhankelijk gerecht konden volgens de wrakingskamer niet in de wrakingsprocedure worden beoordeeld, maar hadden in de cassatieprocedure zelf naar voren moeten worden gebracht. Bij arrest van 8 januari 2019 verwierp de Hoge Raad het cassatieberoep.
De procedure in Straatsburg
Het verzoekschrift werd op 4 april 2019 bij het EHRM ingediend en op 15 april 2020 aan de Nederlandse regering gecommuniceerd. Op 26 augustus 2025 heeft de kamer waaraan de zaak was toegewezen de zaak verwezen naar de Grote Kamer op de voet van artikel 30 EVRM. De president van het EHRM nodigde de Consultative Council of European Judges (Adviesraad van Europese rechters) en de European Commission for Democracy through Law (de Venetië-Commissie) uit om schriftelijke interventies in te dienen; de Franse regering kreeg verlof om als derde partij te interveniëren. Op 21 januari 2026 vond een hoorzitting van de Grote Kamer plaats. De beslissing is gegeven door een Grote Kamer van zeventien rechters onder voorzitterschap van president Mattias Guyomar, met Jolien Schukking als Nederlandse rechter, en is beschikbaar in het Engels en het Frans.
Het oordeel van de Grote Kamer
Het EHRM beoordeelt het verweer van de regering dat verzoekster niet alle nationale rechtsmiddelen heeft uitgeput als bedoeld in artikel 35 lid 1 EVRM. Voor het aspect van de onpartijdigheid stelt het EHRM vast dat de wrakingskamer, binnen de grenzen van haar bevoegdheid, dat vereiste zorgvuldig en gemotiveerd heeft onderzocht. In zoverre heeft verzoekster een relevante rechtsgang benut, maar acht het EHRM de klacht kennelijk ongegrond.
De overige aspecten, de onafhankelijkheid van de beslissende rechters en het vereiste van een bij de wet ingesteld gerecht, vielen buiten het bereik van de wrakingsprocedure. De wrakingskamer had aangegeven dat verzoekster die punten in de cassatieprocedure zelf aan de orde kon stellen. Op het argument van verzoekster dat deze rechtsgang geen basis heeft in het wettelijk kader en op procedurele belemmeringen stuit, antwoordt het EHRM dat het aan de Hoge Raad zou zijn geweest om daarover te oordelen. Gelet op de rechtstreekse werking van het EVRM in de Nederlandse rechtsorde en de ontvankelijkheid van de Hoge Raad voor argumenten die op het verdrag zijn gebaseerd, aanvaardt het EHRM dat op nationaal niveau, in elk geval in theorie, een effectieve rechtsgang bestond. Een praktijkvoorbeeld daarvan is er niet: sinds de behandeling van het cassatieberoep van verzoekster is de reservistenpraktijk in geen enkele hoofdzaak aangevochten, zodat de Hoge Raad de argumenten die verzoekster nu in Straatsburg heeft aangevoerd nooit heeft kunnen horen en beoordelen. Het EHRM noemt dat geen bevredigende stand van zaken, temeer omdat de klacht is gericht tegen een bekende en langlopende praktijk die de Hoge Raad heeft aanvaard om de uniforme toepassing van het recht te verzekeren. Onder verwijzing naar een later, niet met deze zaak samenhangend arrest waarin de Hoge Raad heeft laten zien bereid en in staat te zijn zijn eigen praktijk te toetsen aan internationale mensenrechtenverdragen, overweegt het EHRM dat het des te belangrijker zou zijn geweest om de Hoge Raad de gelegenheid te geven op de kritiek van verzoekster te reageren.
Het EHRM concludeert dat een nationale rechtsgang beschikbaar was, maar dat verzoekster die niet heeft benut, en verklaart de klacht bij meerderheid niet-ontvankelijk. Het EHRM plaatst dit oordeel in de sleutel van de gedeelde verantwoordelijkheid van nationale rechters en het EHRM en het subsidiariteitsbeginsel, en tekent daarbij aan dat de serieuze zorgen die aan de klacht ten grondslag liggen een zorgvuldige beoordeling door de Hoge Raad zouden verdienen. Het EHRM heeft over de uitputting van nationale rechtsmiddelen een vragen-en-antwoordendocument gepubliceerd.
Afsluiting
De Grote Kamer van het EHRM heeft de klacht in Kuijt tegen Nederland op 23 september 2026 bij meerderheid niet-ontvankelijk verklaard wegens het niet benutten van een beschikbare nationale rechtsgang. Een inhoudelijk oordeel over de verenigbaarheid van de reservistenpraktijk bij de Hoge Raad met artikel 6 EVRM ligt er daarmee niet. Volgens het EHRM kunnen de bezwaren tegen de praktijk in een cassatieprocedure aan de Hoge Raad worden voorgelegd; sinds de zaak van verzoekster is dat in geen enkele hoofdzaak gebeurd. De beslissing is definitief. Een juridische samenvatting van de zaak wordt volgens het persbericht opgenomen in de HUDOC-databank van het EHRM.
