Nieuw Wetboek van Strafvordering: nota's ingediend over procesafspraken, rechterlijke toetsing van hoge transacties en wederrechtelijk verkregen voordeel
/Op 22 september 2026 heeft de regering de nota naar aanleiding van het verslag en een nota van wijziging bij de eerste aanvullingswet nieuw Wetboek van Strafvordering (Kamerstukken II 2025/26, 36913) ingediend bij de Tweede Kamer. In de nota naar aanleiding van het verslag beantwoordt de regering de 202 vragen die de vaste commissie voor Justitie en Veiligheid in het verslag van 29 juni 2026 heeft gesteld, met de leden Ellian en Mutluer als rapporteurs. De commissie liet zich daarbij ondersteunen door een consortium van vier universiteiten dat een inhoudelijke rapportage over het wetsvoorstel opstelde. De eerste aanvullingswet bevat wijzigingen en aanvullingen op de twee vaststellingswetten met de Boeken 1 tot en met 8 van het nieuwe wetboek, die in maart 2026 in het Staatsblad zijn gepubliceerd (Stb. 2026, 56 en 57). De nota van wijziging past onder meer de regeling van de rechterlijke toetsing van hoge transacties aan: voor transacties en ontnemingsschikkingen gaat één drempelwaarde van € 200.000 gelden. Voor de financieel-economische strafrechtpraktijk raken de stukken daarnaast aan de wettelijke regeling van procesafspraken en de buitengerechtelijke afdoening.
Plaats in het wetgevingsprogramma
Het wetgevingsprogramma nieuw Wetboek van Strafvordering bestaat uit meerdere wetsvoorstellen. De twee vaststellingswetten vormen de kern en zijn door beide Kamers aanvaard. De eerste aanvullingswet, in maart 2026 ingediend bij de Tweede Kamer, bevat wijzigingen, verbeteringen en aanvullingen op die vaststellingswetten, waaronder de wettelijke regeling van procesafspraken en aanpassingen in de regeling van de buitengerechtelijke afdoening. Binnen het programma volgen nog een tweede aanvullingswet, die in mei 2026 in formele consultatie is gegeven, en een invoeringswet, die in ambtelijke voorbereiding is. Met de nu ingediende nota's is de schriftelijke behandeling van de eerste aanvullingswet in de Tweede Kamer afgerond en kan de mondelinge behandeling worden voorbereid.
Eén drempelwaarde van € 200.000 voor rechterlijke toetsing van hoge transacties
Het wetsvoorstel zoals ingediend voorzag in een verlofprocedure bij hoge transacties vanaf € 200.000 wanneer het totale bedrag uitsluitend een boetecomponent kent, en vanaf € 1.000.000 wanneer het totale bedrag de optelsom is van meerdere geldelijke componenten, waaronder de voldoening van een bedrag ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Daarmee was aangesloten bij de drempelbedragen uit de Aanwijzing hoge transacties van het openbaar ministerie (Stcrt. 2020, 46166). De rapporteurs vroegen, in navolging van de inhoudelijke rapportage van de samenwerkende universiteiten, of de drempelwaarde van € 200.000 niet ook zou moeten gelden bij transacties met meerdere financiële componenten. In die rapportage werd erop gewezen dat de voorgestelde regeling ertoe zou leiden dat rechterlijk verlof is vereist om via een ontnemingsschikking € 700.000 aan wederrechtelijk verkregen voordeel te ontnemen, terwijl diezelfde voordeelsontneming zonder rechterlijk verlof via een transactie kan plaatsvinden als de boetecomponent lager is dan € 200.000. De regering merkt in antwoord 101 op dat deze uitkomst niet is beoogd en niet wenselijk is. De nota van wijziging past artikel 3.4.5 daarom zo aan dat bij de transactie, ongeacht de aard van de financiële componenten, steeds de drempelwaarde van € 200.000 voor rechterlijke toetsing geldt, dezelfde drempel die in artikel 4.4.25 al gold voor de hoge ontnemingsschikking.
Geen korting op het wederrechtelijk verkregen voordeel
De nota van wijziging voegt aan artikel 3.4.5 verder een lid toe dat bepaalt dat bij hoge transacties een voorwaarde die ziet op het ontnemen van wederrechtelijk verkregen voordeel alleen kan worden gesteld voor zover de aanvaarding van die voorwaarde geen zelfstandige grond is voor het lager vaststellen van het te betalen bedrag dan het geschatte voordeel. Volgens de toelichting verzekert dit dat de verdachte via het accepteren van een hoge transactie geen korting krijgt op het vastgestelde wederrechtelijk verkregen voordeel. Daarmee wordt aangesloten bij de begrenzing die het wetsvoorstel al bevatte voor procesafspraken (artikel 4.2.26b, vierde lid) en voor de hoge ontnemingsschikking (artikel 4.4.25, tweede lid), mede ter uitvoering van de motie-Van Nispen/Ellian (Kamerstukken II 2024/25, 36327, nr. 62). In antwoord 13 licht de regering toe dat afspraken over te ontnemen voordeel alleen mogen zien op de vereenvoudigde wijze waarop de omvang van het voordeel wordt geschat en het daaruit voortvloeiende ontnemingsbedrag, in lijn met het reparatoire karakter van de ontnemingsmaatregel.
Overige wijzigingen in de nota van wijziging
De nota van wijziging bevat daarnaast een aantal kleinere aanpassingen. De definitiebepaling van procesafspraken in artikel 1.1.19 wordt aangevuld met de beslissing op de vordering van de benadeelde partij, ter verduidelijking dat ook die vordering onder de wettelijke regeling van procesafspraken valt; dergelijke afspraken kunnen alleen worden gemaakt als de benadeelde partij daarmee instemt. Artikel 4.1.2 wordt zo aangepast dat voor een verdachte die de Nederlandse taal niet of onvoldoende beheerst ook de in de procesinleiding opgenomen procesafspraken moeten worden vertaald. In artikel 6.4.12 wordt geregeld dat de rechter bij onttrekking aan het verkeer van een gegevensdrager of geautomatiseerd werk op verzoek van de belanghebbende kan bevelen dat gegevens op dat voorwerp aan de belanghebbende worden verstrekt. Het voorgestelde artikel 36d van het Wetboek van Strafrecht, over het vernietigen van ontoegankelijk gemaakte gegevens, wordt geherformuleerd zonder inhoudelijke wijziging, ter verduidelijking dat het noodzakelijkheidsvereiste voor beide onderdelen van de bepaling geldt. Tot slot wordt artikel 8.11a van de Wet dieren, over het houdverbod, aangepast: de formulering van het gebiedsverbod wordt gelijkgetrokken met vergelijkbare bepalingen en er wordt geëxpliciteerd dat de officier van justitie een reclasseringsinstelling of een andere instelling of persoon opdracht kan geven toezicht te houden op de naleving van de maatregel.
Procesafspraken in de nota naar aanleiding van het verslag
Een aanzienlijk deel van de nota naar aanleiding van het verslag gaat over de voorgestelde wettelijke regeling van procesafspraken. De regering wijst erop dat de bestaande praktijk berust op de kaders uit het arrest van de Hoge Raad van 27 september 2022, ECLI:NL:HR:2022:1252, en de OM-Aanwijzing procesafspraken in strafzaken (Stcrt. 2023, 22351). Naar schatting van het openbaar ministerie zijn sinds dat arrest tot 26 augustus 2026 688 rechterlijke uitspraken gepubliceerd waarin procesafspraken zijn gemaakt. Op de vraag waarom de regering vasthoudt aan codificatie, terwijl onder meer de Raad voor de rechtspraak, het openbaar ministerie, de Nederlandse orde van advocaten en de Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak pleitten voor afsplitsing van dit onderdeel, antwoordt de regering dat principiële vragen over procesafspraken door de wetgever moeten worden beantwoord, mede gelet op het strafvorderlijk legaliteitsbeginsel. De voorgestelde regeling sluit procesafspraken uit bij zeer ernstige geweldsmisdrijven en zeer ernstige seksuele misdrijven en maximeert de strafvermindering op een derde van de straf die de rechtbank zonder procesafspraken overwoog op te leggen (artikel 4.3.4). De regering verwacht dat procesafspraken vooral aantrekkelijk zijn in complexe of omvangrijke zaken die een groot beslag op de zittingscapaciteit leggen, en noemt daarbij grote of ingewikkelde opiumwetzaken, fraudezaken en milieuzaken. Over de buitengerechtelijke afdoening kwam eerder op BijzonderStrafrecht.nl al aan de orde dat het openbaar ministerie blijkens de nota werkt aan beleidsregels voor de inzet van de hoge strafbeschikking.
Vragen over de inwerkingtreding
In de nota gaat de regering ook in op vragen over de beoogde inwerkingtredingsdatum van het nieuwe wetboek, 1 april 2029. Het Adviescollege ICT-toetsing heeft op 12 mei 2026 een eerste advies uitgebracht over de benodigde ICT-aanpassingen; de beleidsreactie daarop is op 30 juni 2026 aan beide Kamers gestuurd (Kamerstukken II 2025/26, 29279, nr. 1062). Daarin is aangegeven dat het College van procureurs-generaal concludeert dat het openbaar ministerie realistisch gezien niet in staat zal zijn om met ingang van 1 april 2029 met het nieuwe wetboek te werken. De regering meldt dat met de ketenpartners wordt onderzocht wat haalbaar is en dat het Adviescollege in opdracht van de Eerste Kamer vervolgonderzoek doet bij het openbaar ministerie. De onderzoeken moeten inzicht geven in verschillende invoeringsscenario's en zijn naar streven van de regering voor het einde van het jaar afgerond, waarna de verdere implementatiestrategie wordt bepaald.
Afsluiting
Met de nota naar aanleiding van het verslag en de nota van wijziging is de schriftelijke voorbereiding van de eerste aanvullingswet in de Tweede Kamer afgerond. De nota van wijziging brengt de drempelwaarde voor rechterlijke toetsing van hoge transacties en ontnemingsschikkingen op een uniform bedrag van € 200.000 en legt vast dat aanvaarding van een hoge transactie geen zelfstandige grond mag zijn voor een lager ontnemingsbedrag dan het geschatte voordeel. De mondelinge behandeling van het wetsvoorstel moet nog plaatsvinden. Parallel daaraan lopen de onderzoeken naar de haalbaarheid van de inwerkingtreding per 1 april 2029; beide Kamers worden over de uitkomsten geïnformeerd.
