Gevangenisstraf voor valsheid in geschrift en het in valse vorm beschikbaar stellen van inkoopfacturen aan de Belastingdienst in de handel in katalysatoren
/Rechtbank Oost-Brabant 14 oktober 2026, ECLI:NL:RBOBR:2026:7300
De rechtbank Oost-Brabant veroordeelt een handelaar in katalysatoren voor het meermalen valselijk opmaken van inkoopfacturen en het opzettelijk in valse vorm beschikbaar laten stellen van twee van die facturen aan de Belastingdienst. Op de facturen staan onjuiste of niet bestaande leveranciersgegevens, of inkopen die in werkelijkheid niet zijn overeengekomen. De verdachte erkent dat hij de facturen heeft opgemaakt en dat zijn boekhouder ze aan de Belastingdienst heeft overhandigd, maar betwist opzet op benadeling van de Belastingdienst. De rechtbank leidt het opzet af uit de werkwijze en de schaal: in het dossier zitten 108 facturen met niet bestaande leveranciers, onjuiste adressen of getuigen die verklaren niet aan de verdachte te hebben verkocht. Van medeplegen wordt de verdachte vrijgesproken. De rechtbank legt een gevangenisstraf van 18 maanden op, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, wat zij zelf aanmerkt als zwaarder dan de eis van 14 maanden, en houdt geen rekening met de lopende fiscale procedure.
Inleiding en context
De verdachte is een natuurlijk persoon, geboren in 1994. Hij handelt in katalysatoren en werkt daarbij met voorgedrukte selfbilling-facturen op naam van het bedrijf, die volgens de rechtbank voor het overgrote deel contant zijn betaald. Na onderzoek van de FIOD is de zaak aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 24 maart 2026 en behandeld ter terechtzitting van 30 september 2026 door de meervoudige strafkamer, zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch. Het vonnis is in eerste aanleg en op tegenspraak gewezen, onder parketnummer 82.216909.23. Naast de strafzaak loopt een fiscale procedure. De verdachte is blijkens zijn justitiële documentatie eerder veroordeeld voor strafbare feiten; het vonnis vermeldt niet waarvoor.
Tenlastelegging en wettelijk kader
Onder feit 1 wordt de verdachte verweten dat hij in de periode van 1 januari 2022 tot en met 30 juni 2023 te Helmond, al dan niet samen met een ander, tien inkoopfacturen op naam van het bedrijf valselijk heeft opgemaakt, met bedragen tussen € 1.900 en € 9.410 en omschrijvingen als “katalysator mix”, “Kat mix” en “Printplaat mix”. In vijf facturen zouden onjuiste of niet bestaande persoons- of adresgegevens van een leverancier zijn opgenomen, in vijf andere een inkoop die in werkelijkheid niet is overeengekomen. Dit is ten laste gelegd als valsheid in geschrift (art. 225 lid 1 Sr).
Onder feit 2 wordt hem verweten dat hij op of omstreeks 15 juni 2022 te Apeldoorn, als degene die op grond van de belastingwet verplicht was boeken en bescheiden voor raadpleging beschikbaar te stellen, twee valse inkoopfacturen van € 9.080 en € 9.750 opzettelijk aan de Belastingdienst ter beschikking heeft doen of laten stellen, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven (art. 68 jo. art. 69 AWR). Centraal staan het opzet op het verstrekken in valse vorm en het strekkingsvereiste.
Standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie vordert bewezenverklaring van beide feiten, met partiële vrijspraak van het medeplegen. Hij eist een gevangenisstraf van 14 maanden; het vonnis vermeldt geen voorwaardelijk deel. Ook vordert hij onttrekking aan het verkeer van de in beslag genomen administratie, die volgens hem al is vernietigd.
Standpunt van de verdediging
Ten aanzien van feit 1 refereert de verdediging zich aan het oordeel van de rechtbank. Voor feit 2 bepleit zij vrijspraak, omdat de verdachte geen opzet had op het benadelen van de Belastingdienst. Formele verweren worden niet gevoerd.
Over de strafmaat verzoekt de verdediging af te zien van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf en te volstaan met een voorwaardelijke gevangenisstraf en een taakstraf, en rekening te houden met de lopende fiscale procedure. Over het beslag voert zij aan dat de verdachte vanwege die fiscale procedure formeel geen afstand kan doen van de administratie.
Oordeel gerecht
De dagvaarding is geldig en de officier van justitie is ontvankelijk. Feit 1 acht de rechtbank bewezen op grond van de bewijsmiddelen in de bewijsbijlage, zonder nadere overwegingen.
Voor feit 2 stelt de rechtbank vast dat de verdachte ter zitting erkent de facturen te hebben opgemaakt en dat zijn boekhouder ze aan de Belastingdienst heeft overhandigd. Uit het FIOD-onderzoek blijkt dat de getuigen op wier naam die facturen staan verklaren niet aan de verdachte te hebben verkocht. De facturen zijn daarmee vals.
Het verweer dat opzet ontbreekt, verwerpt de rechtbank. Het opzet blijkt volgens haar uit de handelswijze en de schaal: er zijn 108 facturen aangetroffen met niet bestaande leveranciers, onjuiste adressen of getuigen die de verdachte niet kennen, en er is niet op de voorgeschreven wijze gefactureerd. Daarmee heeft de verdachte de transacties verhuld en is niet vast te stellen of de inkoop werkelijk heeft plaatsgevonden. De facturen zijn daardoor mogelijk onterecht als inkoopkosten opgevoerd. Omdat de verdachte opzettelijk valse facturen in zijn administratie heeft laten verwerken en die administratie richting de Belastingdienst wordt gebruikt, heeft hij volgens de rechtbank het risico op de koop toe genomen dat de Belastingdienst benadeeld zou worden. Aan het strekkingsvereiste is voldaan.
Dat de verdachte de feiten samen met een ander heeft gepleegd, is niet komen vast te staan. De rechtbank kwalificeert feit 1 als valsheid in geschrift, meermalen gepleegd, en feit 2 als het opzettelijk in valse vorm beschikbaar stellen van boeken en bescheiden, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, meermalen gepleegd.
Bewezenverklaring
Feit 1: in de periode van 1 januari 2022 tot en met 30 juni 2023 in Nederland meermalen tien inkoopfacturen op naam van het bedrijf valselijk opmaken, door in vijf facturen onjuiste of niet bestaande persoons- of adresgegevens van een leverancier op te nemen en in vijf facturen een inkoop van katalysatoren of andere goederen te vermelden terwijl geen transactie met de leverancier was overeengekomen, telkens met het oogmerk ze als echt en onvervalst te gebruiken.
Feit 2: op 15 juni 2022 in Nederland, als degene die op grond van de belastingwet verplicht was boeken en bescheiden voor raadpleging beschikbaar te stellen, opzettelijk twee valse inkoopfacturen van € 9.080 en € 9.750 ter beschikking laten stellen aan een ambtenaar van de Belastingdienst, terwijl dat telkens ertoe strekte dat te weinig belasting wordt geheven.
Vrijspraak van het medeplegen bij beide feiten en van wat verder meer of anders is ten laste gelegd.
Strafoplegging en maatregelen
De rechtbank weegt mee dat de verdachte bij de selfbilling-facturen niet aan de wettelijke eisen heeft voldaan, onjuiste klantgegevens heeft vermeld en de facturen aan de Belastingdienst heeft laten overhandigen, waardoor de Belastingdienst hoogstwaarschijnlijk is benadeeld. De werkwijze vergroot volgens de rechtbank het risico dat gestolen katalysatoren worden verhuld en criminele geldstromen worden vermengd met reguliere. In elk geval is voor € 785.440 aan inkoop verhuld; het werkelijke benadelingsbedrag is niet vast te stellen en de verdachte geeft daar geen inzicht in. De rechtbank rekent het hem aan dat hij geen controle uitvoerde op verkopers en herkomst, een ondoorzichtig systeem optuigde en geen verantwoordelijkheid neemt. Met de lopende fiscale procedure houdt zij geen rekening: die mag naast de strafzaak bestaan, de verdachte heeft haar zelf nodig gemaakt en de uitkomst is onbekend.
Op grond van de oriëntatiepunten neemt de rechtbank bij dit bedrag een gevangenisstraf van 18 tot 24 maanden als vertrekpunt en komt zij uit op 20 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk. Zij legt bewust een zwaardere straf op dan gevorderd, gelet op het belang van een voorwaardelijk deel ter voorkoming van recidive, de omvang van het geheel en de justitiële documentatie. Wegens overschrijding van de redelijke termijn, aangevangen op 5 september 2023, matigt zij de straf; de omvang van de overschrijding vermeldt het vonnis niet.
De rechtbank legt een gevangenisstraf op van 18 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren onder de algemene voorwaarde. Als maatregel wordt de in beslag genomen administratie onttrokken aan het verkeer, omdat het grotendeels gaat om valselijk opgemaakte documenten waarvan het ongecontroleerde bezit in strijd is met de wet en het algemeen belang. Het vonnis vermeldt dat die administratie al is vernietigd. De beslissing is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36b, 36c, 57, 63 en 225 Sr en 68 en 69 AWR.
Lees hier de volledige uitspraak.
Gerelateerde berichten
Aanhoudingen vanwege vervalste inkoopfacturen, 9 juni 2026
Autohandelaar veroordeeld voor BTW-fraude, valsheid in geschrift en witwassen, 16 januari 2025
