Gevangenisstraf voor feitelijk leidinggeven aan onjuiste aangiften omzetbelasting en valsheid in geschrift bij twee palletondernemingen

Rechtbank Rotterdam 20 juli 2026, ECLI:NL:RBROT:2026:10526

De rechtbank Rotterdam veroordeelt een verdachte tot een gevangenisstraf van zestien maanden voor belastingfraude met omzetbelasting en valsheid in geschrift. De verdachte geeft feitelijke leiding aan twee vennootschappen die zich presenteren als handelsondernemingen in pallets, maar in werkelijkheid nauwelijks handel drijven. In de maandelijkse aangiften omzetbelasting worden verzonnen inkopen als voorbelasting in aftrek gebracht en verzonnen verkopen aan ondernemers in andere EU-landen opgevoerd, waardoor de vennootschappen recht op teruggave krijgen. De Belastingdienst betaalt in totaal 519.708 euro uit op de zakelijke rekeningen, waarna geld contant wordt opgenomen of naar privérekeningen wordt overgeboekt. De verdachte maakt daarnaast valse verkoopfacturen op om de fraude af te dekken. De rechtbank legt zestien maanden gevangenisstraf op na aftrek van twee maanden wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Inleiding en context

De verdachte is een natuurlijk persoon, geboren in 1984, met een adres in het buitenland als niet-ingezetene. De zaak wordt in eerste aanleg behandeld door de meervoudige kamer strafzaken van de rechtbank Rotterdam. De verdachte is niet ter terechtzitting verschenen; de zaak wordt bij verstek behandeld. Hij geeft feitelijke leiding aan twee besloten vennootschappen die naar buiten toe optreden als handelsondernemingen in pallets. Om gezondheidsredenen is de behandeling van de zaak in november 2025 aangehouden. Over de huidige toestand van de verdachte is niets bekend.

Tenlastelegging en wettelijk kader

De verdachte wordt verweten dat hij belastingfraude en valsheid in geschrift heeft gepleegd, verdeeld over vier feiten. Feit 1 betreft het feitelijke leidinggeven aan het door de eerste vennootschap opzettelijk onjuist doen van aangiften omzetbelasting over elf tijdvakken in de periode van 31 augustus 2019 tot en met 2 juli 2020, terwijl die feiten ertoe strekken dat te weinig belasting wordt geheven. Feit 2 betreft het medeplegen van valsheid in geschrift door het valselijk opmaken van vijf verkoopfacturen op naam van diezelfde vennootschap. Feit 3 betreft het feitelijke leidinggeven aan het door de tweede vennootschap opzettelijk onjuist doen van aangiften omzetbelasting over acht tijdvakken in de periode van 5 maart 2020 tot en met 8 november 2020. Feit 4 betreft valsheid in geschrift door het valselijk opmaken van vier verkoopfacturen op naam van de tweede vennootschap. De fiscale feiten zijn strafbaar gesteld in artikel 69 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, in verbinding met artikel 51 van het Wetboek van Strafrecht; de valsheid in geschrift in artikel 225 van het Wetboek van Strafrecht.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie vordert veroordeling voor de vier feiten en een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van achttien maanden met aftrek van voorarrest. Wegens de overschrijding van de redelijke termijn die de verdachte niet valt te verwijten, moet volgens de officier van justitie twee maanden daarvan voorwaardelijk worden opgelegd. Ten aanzien van het beslag vordert de officier van justitie dat de valse facturen onder de nummers 2 tot en met 32 op de beslaglijst verbeurd worden verklaard en dat de MacBook Air en de administratie aan de verdachte worden teruggegeven.

Standpunt van de verdediging

De verdachte is niet verschenen en het verkorte vonnis bevat geen door de verdediging gevoerde verweren.

Oordeel rechtbank

De rechtbank acht de vier feiten bewezen op basis van de inhoud van de bewijsmiddelen. Het verkorte vonnis bevat geen bewijsmiddelen; bij het instellen van hoger beroep wordt het vonnis aangevuld met een bijlage met de inhoud daarvan. De rechtbank stelt vast dat de handel van beide vennootschappen in werkelijkheid vrijwel niets voorstelt, terwijl in de aangiften omzetbelasting een miljoenenomzet wordt opgenomen. Er worden hoge inkopen opgegeven die niet zijn gedaan, waarvan de btw als voorbelasting in aftrek wordt gebracht. Daartegenover worden verzonnen verkopen gesteld aan ondernemers in andere EU-landen, waarover geen btw hoeft te worden afgedragen, zodat bij de maandelijkse aangiften recht op teruggave ontstaat. Bij de eerste vennootschap wordt 570.663 euro teruggevraagd, waarvan de Belastingdienst 442.827 euro uitbetaalt; bij de tweede vennootschap wordt 223.104 euro teruggevraagd, waarvan 76.881 euro wordt uitbetaald. In totaal betaalt de Belastingdienst 519.708 euro uit op de zakelijke bankrekeningen, waarna bedragen contant worden opgenomen of naar de privérekening van de verdachte en zijn handlangers worden overgeboekt. De rechtbank overweegt dat de verdachte misbruik heeft gemaakt van het aangiftesysteem, dat berust op vertrouwen in de juistheid van de aangiften, en dat hij door valse facturen op te maken het vertrouwen in de echtheid van dergelijke geschriften heeft ondermijnd.

Bewezenverklaring

De rechtbank verklaart bewezen:

  • feit 1: feitelijke leidinggeven aan het opzettelijk onjuist doen van aangiften omzetbelasting door de eerste vennootschap, meermalen gepleegd

  • feit 2: medeplegen van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd

  • feit 3: feitelijke leidinggeven aan het opzettelijk onjuist doen van aangiften omzetbelasting door de tweede vennootschap, meermalen gepleegd

  • feit 4: valsheid in geschrift, meermalen gepleegd

Strafoplegging en maatregelen

De rechtbank oordeelt dat gelet op de ernst van de feiten een gevangenisstraf moet worden opgelegd en dat een andere strafsoort vanuit preventief en punitief oogpunt niet passend is. Bij de bepaling van de duur houdt de rechtbank rekening met straffen in soortgelijke zaken, waarbij de hoogte van het benadelingsbedrag een grote rol speelt. Uit het uittreksel justitiële documentatie van 11 mei 2026 blijkt dat de verdachte eerder, op 15 november 2022, onherroepelijk is veroordeeld door het gerechtshof 's-Hertogenbosch voor vermogensdelicten. De redelijke termijn is gestart op 11 juli 2022, de datum van de inverzekeringstelling. Tot aan het vonnis is achtenveertig maanden verstreken, zodat de redelijke termijn is overschreden. De rechtbank acht een gevangenisstraf van achttien maanden passend en brengt daarop twee maanden in mindering wegens de overschrijding van de redelijke termijn, wat neerkomt op een gevangenisstraf van zestien maanden met aftrek van voorarrest. Als bijkomende straf voor de feiten 2 en 4 verklaart de rechtbank de in beslag genomen facturen onder de nummers 2 tot en met 32 op de beslaglijst verbeurd, omdat de feiten met betrekking tot deze facturen zijn gepleegd en ze aan de verdachte toebehoren. De rechtbank gelast de teruggave van de MacBook Air en de administratie onder de nummers 33 tot en met 61 aan de verdachte. De strafoplegging berust op de artikelen 33, 33a, 47, 51, 57 en 225 van het Wetboek van Strafrecht en artikel 69 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen.

Lees hier de volledige uitspraak. hier

Print Friendly and PDF ^