Gerecht van de EU vernietigt weigering Europese Rekenkamer om functionarissen te laten getuigen in onderzoek van het Europees Openbaar Ministerie
/Op 10 juni 2026 heeft het Gerecht van de Europese Unie uitspraak gedaan in zaak T-99/25, Europees Openbaar Ministerie tegen Europese Rekenkamer. Het Gerecht vernietigde het standpunt van de Europese Rekenkamer (European Court of Auditors, ECA) waarin deze weigerde de geheimhoudingsplicht op te heffen van twaalf functionarissen die het Europees Openbaar Ministerie (European Public Prosecutor's Office, EOM) als getuige wilde horen. De juridische kern betreft de uitleg van artikel 19 van het Ambtenarenstatuut, dat bepaalt onder welke voorwaarden een instelling een functionaris kan verbieden in gerechtelijke procedures verklaringen af te leggen over informatie verkregen in de uitoefening van zijn functie. Het Gerecht oordeelde dat de Rekenkamer het begrip belang van de Unie onjuist had uitgelegd. De zaak vloeit voort uit een strafrechtelijk onderzoek dat het Europees Openbaar Ministerie eind 2022 opende naar aanleiding van een melding van het Europees Bureau voor fraudebestrijding (European Anti-Fraud Office, OLAF).
De aanduiding van het rechtscollege
Het persbericht van het Europees Openbaar Ministerie spreekt in de kop en in het citaat van de Europese hoofdaanklager Laura Kövesi over het Hof van Justitie van de Europese Unie (Court of Justice of the EU). De tekst van het arrest zelf, en de officiële vindplaats op EUR-Lex onder zaaknummer T-99/25, wijzen de beslissing toe aan het Gerecht van de Europese Unie (General Court), Vierde kamer in uitgebreide samenstelling. Zaaknummers die met de letter T beginnen, betreffen zaken voor het Gerecht. Het arrest is dus afkomstig van het Gerecht. Tegen een arrest van het Gerecht staat hogere voorziening open bij het Hof van Justitie, beperkt tot rechtsvragen. Volgens berichtgeving heeft de Europese Rekenkamer tot medio augustus 2026 om hoger beroep in te stellen.
De achtergrond van het onderzoek
De zaak komt voort uit een melding die OLAF in juli 2022 deed aan het Europees Openbaar Ministerie over mogelijke onregelmatigheden bij de werving en aanstelling van een persoon die later functionaris bij de Europese Rekenkamer werd. Na beoordeling van de informatie concludeerde het Europees Openbaar Ministerie dat er aanwijzingen waren voor een strafbaar feit dat onder zijn bevoegdheid valt op grond van Verordening (EU) 2017/1939, de verordening tot instelling van het Europees Openbaar Ministerie. Een Europese gedelegeerd aanklager in Luxemburg opende het onderzoek in december 2022.
Omdat het onderzoek personen betrof die immuniteiten genieten en omdat de Europese Rekenkamer onschendbaarheid van haar gebouwen en archieven geniet op grond van Protocol nr. 7 betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie (Protocol No 7 on the privileges and immunities of the European Union), verzocht het Europees Openbaar Ministerie de Rekenkamer om medewerking. De Europese hoofdaanklager verzocht de president van de Rekenkamer herhaaldelijk om de onschendbaarheid van de gebouwen en archieven op te heffen en om de immuniteit van de onderzochte personen op te heffen. De president van de Rekenkamer willigde die verzoeken niet in, met als motivering dat het Europees Openbaar Ministerie onvoldoende informatie had verstrekt.
In september 2024 zette de Europese gedelegeerd aanklager een verdere onderzoekshandeling. Hij verzocht de Rekenkamer documenten te verstrekken en de geheimhoudingsplicht van twaalf functionarissen op te heffen zodat zij als getuige konden worden gehoord. Dat verzoek werd gedaan op grond van artikel 19 van het Ambtenarenstatuut. De Rekenkamer weigerde op 9 december 2024. Zij stelde dat het Europees Openbaar Ministerie onvoldoende informatie had verschaft en dat opheffing van de geheimhoudingsplicht in strijd zou zijn met het belang van de Unie. Daarnaast voerde de Rekenkamer aan dat het horen van de twaalf functionarissen feitelijk zou neerkomen op het omzeilen van het gegeven dat de immuniteit van de onderzochte personen niet was opgeheven.
De ontvankelijkheid: een voor beroep vatbare handeling
De Europese Rekenkamer voerde aan dat het beroep niet-ontvankelijk was omdat het bestreden standpunt geen voor beroep vatbare handeling vormde in de zin van artikel 263 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU). Volgens de Rekenkamer lichtte het standpunt slechts haar positie toe en bracht het geen bindende rechtsgevolgen teweeg. Het Gerecht verwierp dit. Het oordeelde dat het standpunt meer deed dan eerdere correspondentie herhalen, omdat het de opheffing van de geheimhoudingsplicht van de twaalf functionarissen weigerde. Zonder die toestemming kon het Europees Openbaar Ministerie hun getuigenverklaringen niet verkrijgen voor het onderzoek. Het standpunt bracht daarmee rechtsgevolgen teweeg voor het Europees Openbaar Ministerie, omdat het de mogelijkheid wegnam om onderzoeksbevoegdheden uit te oefenen op grond van artikel 28, eerste lid, van Verordening 2017/1939.
Het procesbelang van het Europees Openbaar Ministerie
De Rekenkamer betoogde verder dat het Europees Openbaar Ministerie geen procesbelang had, omdat de immuniteit van de onderzochte personen niet was opgeheven en hun verklaringen daarom niet bruikbaar zouden zijn. Het Gerecht volgde dit niet. Een feitelijk uitgangspunt was dat de Rekenkamer geen formeel besluit had genomen waarbij de opheffing van de immuniteit werd geweigerd. De president had verscheidene brieven gestuurd, maar ter terechtzitting werd aanvaard dat de bevoegde autoriteit geen uitdrukkelijk weigeringsbesluit had genomen. Het Gerecht verwierp ook de stelling dat een brief van 13 oktober 2023 een impliciete weigering inhield.
Het Gerecht oordeelde dat artikel 39 van Verordening 2017/1939 niet meebrengt dat een weigering om immuniteit op te heffen het Europees Openbaar Ministerie automatisch en definitief belet om het onderzoek voort te zetten, of om aanvullend bewijs te vergaren dat een hernieuwd of aangevuld verzoek tot opheffing van de immuniteit kan onderbouwen. Het Europees Openbaar Ministerie mocht dus getuigenverklaringen van de twaalf functionarissen verlangen om te beoordelen of het zijn immuniteitsverzoek verder zou onderbouwen, het onderzoek zou voortzetten, of zou concluderen dat de zaak niet zou worden voortgezet.
Geheimhoudingsplicht en immuniteit als afzonderlijke vraagstukken
Een centraal onderdeel van het arrest betreft het onderscheid tussen de geheimhoudingsplicht van de getuigen en de immuniteit van de onderzochte personen. Het Europees Openbaar Ministerie betoogde dat de Rekenkamer twee verschillende zaken had vermengd. De onderzochte personen genoten immuniteit op grond van Protocol nr. 7. De twaalf functionarissen die het Europees Openbaar Ministerie als getuige wilde horen, genoten die immuniteit niet op dezelfde wijze; zij waren gebonden aan de geheimhoudingsverplichtingen uit het Ambtenarenstatuut.
Het Gerecht volgde het Europees Openbaar Ministerie. Het oordeelde dat het verzoek tot opheffing van de geheimhoudingsplicht uitsluitend de twaalf functionarissen als mogelijke getuigen betrof. Het had niet hetzelfde doel of dezelfde gevolgen als een verzoek tot opheffing van immuniteit. De Rekenkamer kon zich daarom niet beroepen op de onopgeloste immuniteitskwestie om het verzoek over de geheimhoudingsplicht van de getuigen te weigeren. Zij moest een afzonderlijke beoordeling verrichten op grond van artikel 19 van het Ambtenarenstatuut.
Het belang van de Unie restrictief uitgelegd
Artikel 19 van het Ambtenarenstatuut staat een instelling toe een functionaris alleen toestemming te onthouden om in gerechtelijke procedures werkgerelateerde informatie te openbaren wanneer het belang van de Unie dat vereist. Het Gerecht benadrukte dat dit begrip restrictief moet worden uitgelegd. De belangen die een weigering kunnen rechtvaardigen, moeten belangen van aanzienlijk gewicht zijn die van vitaal belang zijn voor de Europese Unie, hetgeen uit het bestreden besluit niet bleek.
Het Gerecht stelde vast dat de Rekenkamer de verkeerde maatstaf had toegepast. Haar opvatting dat het getuigenverhoor de immuniteit van de onderzochte personen zou omzeilen, vormde geen vitaal belang van de Unie. De Rekenkamer kon de immuniteitskwestie evenmin gebruiken als algemene grond om het vergaren van bewijs door het Europees Openbaar Ministerie te blokkeren.
De grenzen van de beoordelingsbevoegdheid van de instelling
Het Gerecht oordeelde dat de bevoegdheid om te beoordelen of immuniteit moet worden opgeheven, de betrokken instelling niet de bevoegdheid verleent om de beoordeling van de feiten door het Europees Openbaar Ministerie of de wijze waarop het onderzoek wordt gevoerd, te toetsen of over te doen. Zou dat anders zijn, dan zou het Europees Openbaar Ministerie de mogelijkheid worden ontnomen om de bevoegdheden die het ontleent aan artikel 28, eerste lid, van Verordening 2017/1939 volledig uit te oefenen. Het Gerecht overwoog dat het toestaan dat instellingen de gegrondheid van vermoede strafbare feiten beoordelen en bepalen wanneer het Europees Openbaar Ministerie bewijs mag vergaren, het risico met zich brengt dat het Europees Openbaar Ministerie de hem door de verordening verleende bevoegdheden worden ontnomen.
Afsluiting
Het Gerecht vernietigde het standpunt van de Europese Rekenkamer van 9 december 2024 wegens schending van artikel 19 van het Ambtenarenstatuut, omdat de Rekenkamer het begrip belang van de Unie onjuist had toegepast. Aan de overige middelen van het Europees Openbaar Ministerie, waaronder misbruik van bevoegdheid en schending van de loyale samenwerking uit artikel 13, tweede lid, van het Verdrag betreffende de Europese Unie, kwam het Gerecht niet toe. Elke partij werd verwezen in de eigen kosten, omdat het Europees Openbaar Ministerie geen kostenveroordeling had gevorderd. Volgens berichtgeving heeft de Europese Rekenkamer aangegeven het arrest te analyseren en kan zij tot medio augustus 2026 hoger beroep instellen bij het Hof van Justitie. Het onderliggende strafrechtelijke onderzoek van het Europees Openbaar Ministerie is nog niet afgerond; de personen op wie dat onderzoek betrekking heeft, worden vermoed onschuldig te zijn zolang hun schuld niet in rechte is komen vast te staan.
Het volledige arrest in zaak T-99/25 is nog niet als losse tekst beschikbaar op EUR-Lex; de directe link leidt vooralsnog naar de oorspronkelijke beroepsmededeling. Klik hier voor de vindplaats van de zaak op EUR-Lex en hier voor het persbericht van het Europees Openbaar Ministerie.
