Geldboete voor rechtspersoon wegens het niet onverwijld melden van ongewone voorvallen en het overschrijden van lozingsvoorschriften uit een omgevingsvergunning
/Rechtbank Oost-Brabant 11 september 2026, ECLI:NL:RBOBR:2026:6592
De rechtbank Oost-Brabant veroordeelt een levensmiddelenproducent in Maarheeze tot een geldboete van € 80.000 voor twee economische delicten. Op 9 juni 2024 lekt door een openstaande klep circa 25.000 liter suikerwater uit een suikertank, dat gedeeltelijk in het vuilwaterriool terechtkomt, en de rechtspersoon meldt dit pas ruim een uur en twintig minuten later aan de gemeente. De rechtbank oordeelt dat het begrip onverwijld geen ruimte laat om eerst onderzoek te doen naar de oorzaak van een lekkage en dat een dreiging van nadelige gevolgen voor het milieu voldoende is voor een ongewoon voorval. Ook op 28 december 2024 wordt een ongewoon voorval niet onverwijld gemeld, wat de rechtspersoon bekent. Daarnaast loost de rechtspersoon op 14 november en 28 december 2024 een CZV-vracht van respectievelijk 5.493,5 en 9.362,9 kilogram per etmaal op het vuilwaterriool, waar de vergunning 2.700 kilogram toestaat. De rechtbank wijkt naar beneden af van de geëiste € 130.000 vanwege de na de feiten getroffen maatregelen, maar constateert bij de eerder veroordeelde rechtspersoon een patroon in het niet snel melden van voorvallen.
Inleiding en context
De verdachte is een rechtspersoon die in Maarheeze, gemeente Cranendonck, een IPPC-installatie exploiteert voor het bewerken en verwerken van dierlijke of plantaardige grondstoffen voor het maken van levensmiddelen. De meervoudige economische kamer van de rechtbank Oost-Brabant behandelt de zaak in eerste aanleg op tegenspraak. De zitting vindt plaats op 28 augustus 2026. De zaak betreft twee incidenten uit 2024. Op 9 juni 2024 lekt om 09:30 uur door een openstaande klep van een suikertank gedurende twee uur circa 25.000 liter suikerwater weg, dat gedeeltelijk in het vuilwaterriool wordt geloosd. Op 14 november en 28 december 2024 loost de rechtspersoon bedrijfsafvalwater met een CZV-vracht die de vergunde norm ruim overschrijdt. Uit de justitiële documentatie blijkt dat de rechtspersoon in 2020 is veroordeeld tot een geldboete van € 10.000 voor overtreding van artikel 17.2 lid 1 Wet milieubeheer en daarvoor al eens voor het meermalen niet onverwijld melden van een ongewoon voorval.
Tenlastelegging en wettelijk kader
Onder feit 1 wordt de rechtspersoon verweten dat zij op 9 juni 2024 en 28 december 2024 als degene die een milieubelastende activiteit verricht als bedoeld in artikel 3.128 lid 1 onder a Besluit activiteiten leefomgeving, in strijd met artikel 2.21 van dat besluit, het bevoegd gezag, het college van burgemeester en wethouders van Cranendonck, niet onverwijld heeft geïnformeerd over ongewone voorvallen. Onder feit 2 wordt haar verweten dat zij op 14 november 2024 en 28 december 2024 in strijd heeft gehandeld met een lozingsvoorschrift van haar omgevingsvergunning met kenmerk MA 20080016, gewijzigd op 28 december 2017, door respectievelijk ongeveer 5.493,5 en ongeveer 9.362,9 kilogram CZV-vracht per etmaal van bedrijfsafvalwater op het vuilwaterriool te lozen, waar het voorschrift maximaal 2.700 kilogram per etmaal toestaat. Beide feiten zijn al dan niet opzettelijk en meermalen ten laste gelegd. De tenlastelegging noemt bij feit 2 zowel lozingsvoorschrift 4 als lozingsvoorschrift 1 van bijlage I bij de vergunning; de uitspraak licht dit verschil niet toe. De rechtbank kwalificeert de feiten als opzettelijke overtreding van voorschriften gesteld krachtens artikel 4.3 lid 1 en bij artikel 5.5 lid 1 van de Wet milieubeheer, terwijl de opsomming van toegepaste wettelijke voorschriften en de strafmotivering verwijzen naar de artikelen 4.3, 5.1 en 5.5 van de Omgevingswet. De uitspraak verklaart deze discrepantie niet. Het wettelijk kader wordt verder gevormd door de artikelen 1a, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten en de artikelen 23 en 51 Sr.
Standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie vordert veroordeling voor beide feiten en eist een geldboete van € 130.000.
Standpunt van de verdediging
De verdediging bepleit ten aanzien van feit 1 vrijspraak voor het incident van 9 juni 2024. Primair betwist zij dat dit incident een ongewoon voorval is, omdat het dossier onvoldoende aanknopingspunten biedt voor significante nadelige gevolgen van de lekkage voor de fysieke leefomgeving. Subsidiair voert zij aan dat wel onverwijld is gemeld, omdat de melding is gedaan vijftien minuten nadat de oorzaak van de lekkage was ontdekt. Voor het overige voert de verdediging geen bewijsverweren. Ten aanzien van de straf voert de verdediging aan dat het incident van 28 december 2024 beperkte financiële gevolgen heeft gehad voor de rioolwaterzuiveringsinstallatie en geen gevolgen voor de fysieke leefomgeving of het drink- en oppervlaktewater, en dat de rechtspersoon na de incidenten haar beleid en productieproces verder heeft aangescherpt.
Oordeel gerecht
De rechtbank verklaart de dagvaarding geldig, acht zich bevoegd en acht de officier van justitie ontvankelijk. Voor feit 1 beoordeelt de rechtbank eerst of de lekkage van 9 juni 2024 een ongewoon voorval is in de zin van artikel 2.21 Besluit activiteiten leefomgeving. Daarvan is sprake bij een gebeurtenis die afwijkt van de normale bedrijfsactiviteiten en waarbij significante nadelige gevolgen voor het milieu ontstaan of dreigen te ontstaan. De afwijking van de normale bedrijfsvoering staat vast: de vertegenwoordiger van de rechtspersoon verklaart ter zitting dat lekkage van suikerwater niet vaak voorkomt, dat een klep werd aangestuurd die normaal niet wordt aangestuurd en dat 25.000 liter absoluut veel is. Het verweer dat daadwerkelijke nadelige gevolgen niet zijn vastgesteld verwerpt de rechtbank, omdat een dreiging van die gevolgen volstaat. Uit het dossier blijkt dat afvalwater van de rechtspersoon er ongeveer een uur over doet om de waterzuiveringsinstallatie te bereiken. Door het lekken van 25.000 liter suikerwater in het vuilwaterriool ontstond op dat moment een dreiging van nadelige gevolgen buiten de inrichting en trad de meldplicht direct in werking. Dat de exacte samenstelling van het suikerwater toen niet bekend was, doet daaraan niet af. De rechtbank stelt bovendien vast dat de rechtspersoon het voorval zelf ook heeft gemeld en kennelijk dus zelf als meldingsplichtig ongewoon voorval heeft gezien.
Over het onverwijld melden overweegt de rechtbank dat de lekkage om 09:30 uur ontstond, om 09:45 uur aan de teamleider is gemeld, dat deze monteurs op de oorzaak heeft gezet en dat het bevoegd gezag pas om 10:51 uur is geïnformeerd. De melding volgt daarmee ruim een uur en twintig minuten na het ontstaan van de lekkage, terwijl de teamleider na een kwartier op de hoogte was en direct het bevoegd gezag had moeten informeren. Het begrip onverwijld laat naar het oordeel van de rechtbank geen ruimte om eerst onderzoek te doen naar de oorzaak. Alleen handelingen die de nadelige gevolgen van het voorval kunnen beperken mogen aan de melding voorafgaan, waarna het bevoegd gezag direct moet worden geïnformeerd. Daarvan is hier geen sprake. Voor 28 december 2024 acht de rechtbank op basis van de bewijsmiddelen, waaronder de bekennende verklaring van de rechtspersoon, bewezen dat zich een ongewoon voorval heeft voorgedaan dat evenmin onverwijld is gemeld. Feit 2 is bekend en de verdediging bepleit daarvoor geen vrijspraak; de rechtbank volstaat met een opgave van de bewijsmiddelen. Beide feiten zijn strafbaar en de rechtspersoon is strafbaar.
Bewezenverklaring
De rechtbank verklaart bewezen:
Feit 1: het op 9 juni 2024 en 28 december 2024 te Maarheeze opzettelijk en meermalen, als degene die een milieubelastende activiteit verricht, in strijd met artikel 2.21 Besluit activiteiten leefomgeving niet onverwijld informeren van het college van burgemeester en wethouders van Cranendonck over ongewone voorvallen.
Feit 2: het op 14 november 2024 en 28 december 2024 te Maarheeze opzettelijk en meermalen handelen in strijd met een lozingsvoorschrift van de omgevingsvergunning door respectievelijk ongeveer 5.493,5 en ongeveer 9.362,9 kilogram CZV-vracht per etmaal van bedrijfsafvalwater te lozen op het vuilwaterriool.
Er volgt geen vrijspraak.
Strafoplegging en maatregelen
De rechtbank legt een geldboete van € 80.000 op. Zij overweegt dat binnen het bedrijf meerdere ongewone voorvallen hebben plaatsgevonden die twee keer niet onverwijld zijn gemeld, en dat de rechtspersoon tweemaal te veel CZV-vracht heeft geloosd. De rechtbank licht toe dat CZV, het chemisch zuurstofverbruik, een maat is voor de hoeveelheid zuurstof die nodig is om organische stoffen in water chemisch te oxideren, dat een hoog CZV wijst op veel organische vervuiling en dat dit kan leiden tot zuurstoftekort en negatieve effecten op het ecosysteem. Gelet op de eerdere veroordelingen stelt de rechtbank vast dat de rechtspersoon kennelijk nog steeds onvoldoende in staat is een bedrijfscultuur te creëren waarin snel en effectief met ongewone voorvallen en de melding daarvan wordt omgegaan, waardoor verantwoordelijke diensten niet adequaat kunnen reageren op dreigingen voor het milieu, zoals het in stand houden van een ongestoorde waterzuivering. Er lijkt sprake van een patroon. Toch legt de rechtbank een lagere geldboete op dan geëist, omdat de rechtspersoon na de feiten diverse maatregelen heeft genomen en nog neemt om herhaling te voorkomen en omdat de rechtbank aansluiting zoekt bij straffen in soortgelijke zaken. Bijkomende straffen of maatregelen worden niet opgelegd.
Lees hier de volledige uitspraak.
