HR over taakstrafverbod en TUL-vordering
/Hoge Raad 22 september 2026, ECLI:NL:HR:2026:1481
De Hoge Raad vernietigt de beslissing van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden over de vordering tot tenuitvoerlegging van een eerder voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf. Het hof had geoordeeld dat het taakstrafverbod van artikel 22b van het Wetboek van Strafrecht in de weg staat aan omzetting van het voorwaardelijk deel in een taakstraf. De Hoge Raad stelt vast dat het hof hier onjuist heeft geoordeeld. Als een voorwaardelijke gevangenisstraf slechts voorwaardelijk is opgelegd naast een onvoorwaardelijk deel, kan die voorwaardelijke deel bij tenuitvoerlegging wel in een taakstraf worden omgezet, ook al zou het taakstrafverbod bij de originele veroordeling van toepassing zijn geweest. De beoordeling van het taakstrafverbod moet zich richten op het feit waarvoor die straf is opgelegd, niet op eerdere veroordelingen.
Achtergrond
De verdachte is een natuurlijk persoon, geboren in 1994. Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden veroordeelt hem bij arrest van 19 augustus 2024 (parketnummer 21-004969-23) wegens medeplegen van diefstal door twee of meer verenigde personen waarbij geweld is gebruikt (artikel 311 lid 1 onder 4 en 5 Sr) tot een gevangenisstraf van vijf weken. Daarnaast gelast het hof de tenuitvoerlegging van een eerder bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Midden-Nederland van 21 juli 2023 (parketnummer 16-170288-23) voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf voor vier weken, welke voorwaardelijke straf onderdeel was van een totale gevangenisstraf van zes weken waarvan twee weken onvoorwaardelijk.
De rechtbank stelt in haar uittreksel justitiële documentatie vast dat de verdachte eerder, bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Gelderland van 8 oktober 2020, is veroordeeld tot onder meer een taakstraf van zestig uren. Deze taakstraf is niet verricht; in plaats daarvan is vervangende hechtenis van dertig dagen ten uitvoer gelegd van 6 april tot 3 mei 2022.
Cassatiemiddelen
Het cassatiemiddel klaagt over de motivering van het oordeel dat het taakstrafverbod van artikel 22b Sr in de weg staat aan omzetting van de vier weken voorwaardelijke gevangenisstraf in een taakstraf. Het middel stelt dat het hof deze toepassing van het taakstrafverbod onjuist heeft uitgelegd.
Beoordeling Hoge Raad
De Hoge Raad gaat in op de werking van artikel 6:6:21 lid 2 van het Wetboek van Strafvordering, dat bepaalt dat in plaats van beveling van tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf, de rechter tenuitvoerlegging van een taakstraf kan bevelen. Artikel 22b Sr is van overeenkomstige toepassing, zodat het taakstrafverbod ook bij tenuitvoerlegging-vorderingen (TUL-vorderingen) geldt. Dat moet echter juist worden begrepen. Het taakstrafverbod beoogt te voorkomen dat een feit alsnog wordt bestraft met een taakstraf op een manier die strijdig is met dat verbod.
De Hoge Raad benadrukt dat de rechter die over een TUL-vordering beslist zo nodig moet nagaan of omzetting in een taakstraf leidt tot bestraffing die in strijd is met artikel 22b Sr. Bij die beoordeling moet de rechter alle straffen in aanmerking nemen die voor hetzelfde feit zijn opgelegd. Voorts bepaalt artikel 22b lid 3 Sr dat van het taakstrafverbod kan worden afgeweken als naast de taakstraf ook een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel wordt opgelegd.
In deze zaak is aan de verdachte een gevangenisstraf van zes weken opgelegd, waarvan twee weken onvoorwaardelijk. Het hof is kennelijk ervan uitgegaan dat de eerdere taakstraf (uit 2020) een beletsel vormt voor het opleggen van een taakstraf nu. De Hoge Raad stelt vast dat dit een onjuiste rechtsopvatting is. De bepalende factor is dat voor het feit waarvoor de voorwaardelijke gevangenisstraf is opgelegd, een gedeeltelijk onvoorwaardelijke gevangenisstraf is opgelegd. In die situatie staat artikel 22b lid 3 Sr omzetting van het voorwaardelijk deel in een taakstraf toe, mits ook een onvoorwaardelijk deel blijft bestaan.
Het middel slaagt daarom.
Beslissing van de Hoge Raad
De Hoge Raad vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde straf, wijst de zaak terug naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden opdat de zaak in zoverre opnieuw wordt berecht en afgedaan, en verwerpt het beroep voor het overige. De Hoge Raad benadrukt dat meer dan twee jaren zijn verstreken sinds het instellen van het cassatieberoep, waardoor de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM is overschreden, doch volstaat met deze vaststelling zonder daaraan ander rechtsgevolg te verbinden.
