Veroordeling voor oplichting van zestien opdrachtgevers door zich voor te doen als bonafide aannemer, met schakelbewijs voor drie van de vijf zaken

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 2 september 2026, ECLI:NL:GHARL:2026:5670

Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden veroordeelt een man tot een gevangenisstraf van 20 maanden, waarvan 8 maanden voorwaardelijk, voor oplichting van zestien opdrachtgevers. De verdachte biedt zich via kluswebsites aan als aannemer, vraagt aanbetalingen voor materiaal en verricht de werkzaamheden vervolgens niet of gebrekkig. Het hof stelt vast dat hij een valse naam, een valse hoedanigheid en een samenweefsel van verdichtsels heeft gebruikt en dat de aanbetalingen direct naar privérekeningen zijn doorgestort. In drie zaken waarin geen aantoonbare onwaarheden vooraf zijn gebruikt, komt het hof tot een bewezenverklaring via schakelbewijs op grond van de kenmerkende modus operandi. De vorderingen van de benadeelde partijen worden toegewezen voor zover zij de aanbetalingen betreffen; herstelkosten en immateriële schade blijven buiten de strafprocedure. Het hof weegt een overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg strafmatigend mee.

Inleiding en context

De verdachte is een natuurlijk persoon, geboren in 1965. Hij neemt in de periode van juli 2021 tot en met oktober 2023 onder wisselende bedrijfsnamen bouw-, sloop- en renovatiewerkzaamheden aan bij particulieren. Twee van die bedrijven staan niet op zijn naam maar op die van een derde, die daarvoor volgens zijn verklaring € 500 per week zou ontvangen. De verdachte komt met opdrachtgevers in contact via kluswebsites, presenteert zich als kundig aannemer met personeel en een bedrijf in Duitsland, stuurt offertes en overeenkomsten en vraagt een aanbetaling voor materiaal. Na ontvangst van de aanbetaling volgen uitstelberichten met uiteenlopende redenen, zoals ziekte, een overleden collega, corona binnen het bedrijf, autopech en vertraagde leveringen. Bij een deel van de opdrachtgevers begint hij niet; bij anderen sloopt hij ruimten en laat hij het werk onafgemaakt of ondeugdelijk achter. Toegezegde terugbetalingen blijven uit. Op 13 september 2022 wordt de verdachte in verzekering gesteld en gehoord over een groot aantal aangiften. Ook daarna neemt hij nieuwe klussen aan.

De rechtbank Noord-Nederland, zittingsplaats Groningen, veroordeelt de verdachte op 10 april 2025 in vijf gevoegde zaken tot een gevangenisstraf van 24 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaar, en wijst de vorderingen van de benadeelde partijen grotendeels toe. De verdachte stelt hoger beroep in.

Tenlastelegging en wettelijk kader

De verdachte wordt in vijf zaken verweten dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan oplichting (artikel 326 Sr), in twee zaken tezamen en in vereniging met anderen. In de eerste zaak gaat het om tien opdrachtgevers en een totaalbedrag van ongeveer € 51.845, in de tweede zaak om twee opdrachtgevers en ongeveer € 7.019,40, in de derde zaak om één opdrachtgever en € 1.605, in de vierde zaak om twee opdrachtgevers en ongeveer € 3.264,48 en in de vijfde zaak om één opdrachtgever en bedragen van € 1.950, € 1.000 en € 1.750. De oplichtingsmiddelen die ten laste zijn gelegd, zijn het aannemen van een valse naam, het aannemen van een valse hoedanigheid, listige kunstgrepen en een samenweefsel van verdichtsels.

Het hof schetst het toetsingskader. Voor oplichting is vereist dat de verdachte bij een ander door een specifieke, voldoende ernstige vorm van bedrieglijk handelen een onjuiste voorstelling van zaken in het leven heeft willen roepen met het doel daarvan misbruik te maken, en dat die ander daardoor is bewogen tot afgifte van een goed. Of het slachtoffer daadwerkelijk door het oplichtingsmiddel is bewogen, hangt af van de omstandigheden van het geval, waaronder de in het maatschappelijk verkeer vereiste omzichtigheid en de persoonlijkheid van het slachtoffer. Bij een samenweefsel van verdichtsels spelen de vertrouwenwekkende aard, het aantal en de indringendheid van de leugenachtige mededelingen in hun onderlinge samenhang een rol.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De advocaat-generaal stelt dat alle tenlastegelegde feiten wettig en overtuigend bewezen kunnen worden en vordert vernietiging van het vonnis, veroordeling tot een gevangenisstraf van 20 maanden, waarvan 8 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar en aftrek van voorarrest, en toewijzing van de vorderingen van de benadeelde partijen overeenkomstig de beslissing van de rechtbank.

Standpunt van de verdediging

De raadsman voert als bewijsverweer aan dat de verdachte van alle oplichtingen moet worden vrijgesproken omdat het oogmerk van wederrechtelijke bevoordeling ontbreekt. Ter zitting wordt aangevoerd dat de verdachte bij het aangaan van de opdrachten de intentie had die daadwerkelijk uit te voeren.

Als strafmaatverweer voert de raadsman aan dat een gevangenisstraf geen passende afdoening is voor het enkel leveren van slecht werk. Hij wijst op de gezondheidssituatie van de verdachte, die een driedubbele bypass heeft ondergaan, en op het tijdsverloop. Hij verzoekt een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van 12 maanden in combinatie met een taakstraf van 240 uur, of het dubbele daarvan of meer.

Ten aanzien van de benadeelde partijen bepleit de raadsman primair niet-ontvankelijkheid wegens de bepleite vrijspraak. Subsidiair refereert hij zich aan het oordeel van het hof.

Oordeel gerecht

Het hof vernietigt het vonnis omdat het deels tot andere bewezenverklaringen en een andere strafoplegging komt. Het bezigt voor alle zaken dezelfde bewijsmiddelen: de aangiften van zestien opdrachtgevers, verhoren van een aantal van hen door de raadsheer-commissaris, bankgegevens, verklaringen van de echtgenote, de zoon en de stroman van de verdachte, en de verklaringen van de verdachte zelf bij de politie, bij de rechtbank en ter zitting in hoger beroep.

In de eerste twee zaken oordeelt het hof dat de verdachte een valse hoedanigheid heeft aangenomen, namelijk die van een bonafide aannemer die de gevraagde werkzaamheden kon en wilde uitvoeren. In nagenoeg alle gevallen gebruikt hij een valse naam, waardoor opdrachtgevers negatieve recensies niet kunnen vinden. Hij doet zich voor als aannemer met personeel die alle soorten opdrachten kan uitvoeren, terwijl hij ter zitting verklaart dat hij geen mensen in dienst had, in feite voor een ander werkte, alleen of met twee man was en dat stukadoren zijn hoofdwerkzaamheid is. Zijn zoon verklaart dat hij enkel stukadoor is. Uit de aangifte van een van de opdrachtgevers blijkt dat leidingen zonder knelkoppelingen zijn aangesloten. Dat er een grote klus was uitgevallen waardoor hij snel kon beginnen, is het hof niet gebleken en is in tegenspraak met zijn eigen verklaring dat hij qua werk overliep. Zijn echtgenote verklaart dat hij thuis geen klussen meer afmaakt omdat hij daar de kracht niet voor heeft. Verder gebruikt de verdachte op overeenkomsten een leegstaand pand als vestigingsadres, een niet-bestaand adres en een niet-bestaand KvK-nummer, waardoor hij onvindbaar wordt. Zijn mededeling dat hij recent een bedrijf in Duitsland had, strookt niet met zijn verklaring dat hij tot zijn 45e of 50e in Duitsland werkte, terwijl hij ten tijde van de feiten ongeveer 55 jaar oud was. Uit de bankgegevens blijkt niet van materiaalaankopen ter grootte van de aanbetalingen, maar van directe doorstortingen naar eigen rekeningen en die van gezinsleden en van besteding aan huur en boodschappen. De verdachte verklaart zelf dat hij het ene gat met het andere vulde. Het hof concludeert dat sprake is van een samenweefsel van verdichtsels, het aannemen van een valse naam en het aannemen van een valse hoedanigheid.

Het hof overweegt dat het in het maatschappelijk verkeer gebruikelijk is om op basis van goed vertrouwen een aanbetaling te doen voorafgaand aan bouwwerkzaamheden, omdat de aannemer vooraf materiaalkosten maakt. Bedrieglijk handelen in strijd met dat verwachtingspatroon levert het aannemen van een valse hoedanigheid op. Zonder de voorgewende betrouwbaarheid en vakbekwaamheid zouden de opdrachtgevers het geld niet hebben afgegeven.

Over het oogmerk van wederrechtelijke bevoordeling overweegt het hof dat de verdachte zelf actief opdrachtgevers benaderde terwijl hij wist dat hij de werkzaamheden binnen de afgesproken termijn niet kon uitvoeren en geen personeel had, en toch aanbetalingen liet doen die vrijwel direct voor privédoeleinden zijn aangewend. De stelling dat de aanbetalingen aan bouwmaterialen zijn besteed, acht het hof onvoldoende onderbouwd; de enkele aankopen bij een bouwmarkt dekken de omvang van de aanbetalingen niet. De gestelde intentie om de opdrachten daadwerkelijk uit te voeren, acht het hof geheel ongeloofwaardig gelet op het patroon over een lange periode bij een groot aantal opdrachtgevers. Het hof onderkent dat de smoezen over ziekte en sterfgevallen zijn geuit nadat de aanbetalingen al waren gedaan, zodat de opdrachtgevers daardoor niet zijn bewogen, maar leidt uit het stelselmatige gebruik daarvan direct na de aanbetaling af dat de verdachte nooit van plan of in staat is geweest de werkzaamheden uit te voeren.

In de derde, vierde en vijfde zaak heeft de verdachte voorafgaand aan de aanbetalingen niet aantoonbaar een valse naam of feitelijke onwaarheden gebruikt. Het hof past daar schakelbewijs toe. Het verwijst naar de rechtspraak van de Hoge Raad dat bewijsmateriaal van andere bewezen geachte, soortgelijke feiten als ondersteunend bewijs kan dienen als dat op essentiële punten overeenkomsten vertoont en duidt op een specifiek patroon in het gedrag van de verdachte dat herkenbaar aanwezig is in het bewijsmateriaal van het te bewijzen feit. Het hof stelt zulke overeenkomsten vast: contact via internet, presentatie als betrouwbare aannemer, de mededeling dat een grote klus was uitgevallen, professionele offertes en overeenkomsten, het ontbreken van de vereiste expertise, een aanbetaling voor materiaal, vrijwel direct daarna smoezen, niet of onvolledig uitgevoerde werkzaamheden zonder terugbetaling, en besteding van het geld aan privédoeleinden. Dat een van de opdrachtgevers de samenwerking zelf vroegtijdig beëindigde, doet daaraan niet af, omdat de verdachte ook daar voor de eerste afspraak een smoes gebruikte. Het hof acht deze modus operandi voldoende specifiek en bewijst in deze drie zaken het aannemen van de valse hoedanigheid van een betrouwbare aannemer.

Van het tenlastegelegde medeplegen in de eerste twee zaken spreekt het hof vrij, omdat uit de dossiers niet van een nauwe en bewuste samenwerking met anderen blijkt.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan:

  • oplichting, meermalen gepleegd, van tien opdrachtgevers in de periode van 16 november 2021 tot en met 12 augustus 2022, door het aannemen van een valse naam, een valse hoedanigheid en een samenweefsel van verdichtsels (parketnummer 18-109188-23);

  • oplichting, meermalen gepleegd, van twee opdrachtgevers in de periode van 2 augustus 2022 tot en met 3 maart 2023, door het aannemen van een valse naam, een valse hoedanigheid en een samenweefsel van verdichtsels (parketnummer 18-086108-23);

  • oplichting van één opdrachtgever in de periode van 9 juli tot en met 23 augustus 2021, door het aannemen van een valse hoedanigheid (parketnummer 18-248628-23);

  • oplichting, meermalen gepleegd, van twee opdrachtgevers in de periode van 15 februari 2023 tot en met 9 oktober 2023, door het aannemen van een valse hoedanigheid (parketnummer 18-024748-24);

  • oplichting van één opdrachtgever in de periode van 20 februari tot en met 5 juli 2023, door het aannemen van een valse hoedanigheid (parketnummer 18-071833-24).

Het hof spreekt de verdachte vrij van het medeplegen en van de overige onderdelen van de tenlastelegging die niet bewezen zijn verklaard.

Strafoplegging en maatregelen

Het hof legt een gevangenisstraf op van 20 maanden, waarvan 8 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar en aftrek van voorarrest. Dat is conform de vordering van de advocaat-generaal en lager dan de door de rechtbank opgelegde straf.

Het hof weegt de aard en ernst van de feiten: oplichting van zestien personen over een periode van ruim twee jaar, waarbij opdrachtgevers zijn achtergelaten met gesloopte ruimten, herstelkosten en valse hoop op terugbetaling. De verdachte heeft misbruik gemaakt van het vertrouwen dat in het maatschappelijk verkeer aan aannemers wordt gegeven en heeft zich enkel laten leiden door geldelijk gewin. Het hof rekent hem zwaar aan dat hij na zijn inverzekeringstelling op 13 september 2022 en het verhoor over een groot aantal zaken doorging en nieuwe slachtoffers maakte.

Het strafblad van 21 juli 2026 vermeldt een oude onherroepelijke veroordeling voor soortgelijke en andersoortige feiten, waarmee het hof gelet op het tijdsverloop geen rekening houdt. Wegens latere onherroepelijke veroordelingen voor overtredingen past het hof artikel 63 Sr toe. Uit het reclasseringsrapport van 12 april 2024 volgt dat de reclassering door de ontkennende houding van de verdachte geen inzicht in zijn problematiek heeft gekregen en geen mogelijkheden ziet voor interventies of toezicht. Het hof betrekt de persoonlijke omstandigheden: de verdachte woont met zijn vrouw en twee kinderen, heeft veel schulden, zit twee jaar in de schuldsanering, verklaart geen hartproblemen meer te hebben maar wel een operatie aan zijn benen te moeten ondergaan.

Het hof stelt vast dat de redelijke termijn van artikel 6 lid 1 EVRM in eerste aanleg met bijna zeven maanden is overschreden: het vonnis volgt twee jaar en bijna zeven maanden na de inverzekeringstelling. Dit weegt het hof strafmatigend mee. De ernst en hoeveelheid van de feiten rechtvaardigen volgens het hof een forse onvoorwaardelijke gevangenisstraf; de door de raadsman voorgestelde combinatie van een taakstraf en een voorwaardelijke gevangenisstraf acht het hof geen passende afdoening. Het voorwaardelijke deel dient om de verdachte van nieuwe strafbare feiten te weerhouden.

Ten aanzien van de benadeelde partijen wijst het hof de vorderingen toe tot het bedrag van de aanbetalingen, telkens vermeerderd met wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Het gaat om bedragen van € 2.300, € 3.040, € 2.530, € 840, € 9.450, € 9.390, € 9.800, € 5.600 en € 7.245 in de eerste zaak, € 714,40 en € 6.670 in de tweede zaak, € 1.605 in de derde zaak en € 500 en € 3.404,90 in de vierde zaak. Bij een van de benadeelde partijen in de tweede zaak wijst het hof daarmee meer toe dan de rechtbank. Bij de eerste benadeelde partij wijst het hof € 200 aan meer gevorderde aanbetaling af.

Gevorderde herstelkosten voor stucwerk, leidingwerk, betegeling of andere schade aan de woning verklaart het hof niet-ontvankelijk. De strafrechter kan alleen schade toewijzen die het rechtstreekse gevolg is van het bewezenverklaarde feit. De oplichting leidt tot de aanbetaling; een veroordeling voor oplichting is geen veroordeling voor bijvoorbeeld vernieling door ondeugdelijk werk, zodat die gevolgschade bij de burgerlijke rechter moet worden aangebracht. Gevorderde immateriële schade verklaart het hof eveneens niet-ontvankelijk. Zonder lichamelijk letsel kan op grond van artikel 6:106 lid 1 BW alleen vergoeding worden toegekend bij aantasting in eer of goede naam of een andere aantasting in de persoon, waaronder geestelijk letsel dat voldoende ernstig is en meer behelst dan ongemak en spanningen. Dergelijke schade is niet aangevoerd. Gevorderde incassokosten van € 411,40 en invorderingskosten van € 2.259,95 wijst het hof af, omdat deze niet in de strafzaak zijn gemaakt en dus geen proceskosten zijn. De benadeelde partij in de vijfde zaak, die ook in hoger beroep geen bedragen heeft ingevuld, is niet-ontvankelijk; het bieden van gelegenheid tot aanvulling zou een onevenredige belasting van de strafprocedure opleveren. Deze benadeelde partij wordt veroordeeld in de kosten van de verdachte, begroot op nihil.

Bij het bepalen van de gijzeling houdt het hof rekening met het wettelijke maximum van 365 dagen voor alle schadevergoedingsmaatregelen samen en verdeelt het de dagen naar evenredigheid, variërend van 3 tot 57 dagen per maatregel. De verdachte wordt veroordeeld in de proceskosten van de benadeelde partijen, tot op heden begroot op nihil.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^