Geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor feitelijk leidinggever bij btw-fraude en gewoontewitwassen wegens zorgwekkende medische situatie
/Gerechtshof Den Haag 3 maart 2026, ECLI:NL:GHDHA:2026:601
Het Gerechtshof Den Haag legt op 3 maart 2026 een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van twaalf maanden op aan een feitelijk leidinggever voor het medeplegen van onjuiste belastingaangiften, valsheid in geschrift en gewoontewitwassen. De verdachte is bestuurder en enig aandeelhouder van een rechtspersoon die ruim een miljoen euro aan onterechte btw-teruggaven heeft ontvangen door valselijk opgemaakte facturen. Het netto schadebedrag voor de Belastingdienst bedraagt na beslaglegging ruim 650.000 euro, voornamelijk besteed aan auto's, winkelen en contante opnames. Het hof bevestigt de bewezenverklaring van de rechtbank Rotterdam maar matigt de eerder opgelegde gevangenisstraf van twintig maanden aanzienlijk. Doorslaggevend zijn de bijzonder zorgelijke medische omstandigheden van de verdachte, die zonder dubbele orgaantransplantatie geen uitzicht meer heeft op herstel. Naast de voorwaardelijke straf wordt de verdachte ontzet uit het recht tot uitoefening van het beroep van bestuurder van een rechtspersoon voor de duur van twee jaren.
Inleiding en context
In deze strafzaak in hoger beroep staat een natuurlijk persoon terecht die in de tenlastegelegde periode bestuurder en enig aandeelhouder is van een besloten vennootschap. Aan hem wordt verweten dat hij feitelijke leiding heeft gegeven aan een reeks fiscale en financiële delicten gepleegd door de rechtspersoon, in de periode van 1 januari 2021 tot en met 1 februari 2022 te Rotterdam en elders in Nederland. De rechtbank Rotterdam heeft de verdachte op 20 december 2023 in eerste aanleg veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 20 maanden, waarvan 10 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, alsmede tot ontzetting uit het recht tot uitoefening van het beroep van bestuurder van een rechtspersoon voor de duur van 2 jaren. De verdachte heeft tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld.
Ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken dat de medische situatie van de verdachte bijzonder zorgelijk is. Zonder een dubbele orgaantransplantatie bestaat geen uitzicht meer op herstel, terwijl het allerminst zeker is dat een dergelijke transplantatie ook daadwerkelijk zal kunnen plaatsvinden. De verdachte is niet meer in staat alledaagse activiteiten en taken uit te voeren en probeert zijn resterende tijd zoveel mogelijk met zijn vrouw en kinderen door te brengen. Deze persoonlijke omstandigheden vormen het kantelpunt in de strafmaatdiscussie in hoger beroep.
Tenlastelegging en wettelijk kader
De verdachte wordt verweten dat hij feitelijke leiding heeft gegeven aan, dan wel opdracht heeft gegeven tot, drie categorieën verboden gedragingen van de rechtspersoon. Onder feit 1 primair gaat het om het medeplegen van het opzettelijk onjuist of onvolledig doen van bij de Belastingwet voorziene aangiften, te weten kwartaalaangiften omzetbelasting over het eerste en tweede kwartaal van 2021 en maandaangiften over juli tot en met november 2021, waarbij telkens een te hoog bedrag aan voorbelasting of terug te vragen omzetbelasting is opgegeven. Het delict strekt ertoe dat te weinig belasting wordt geheven en is strafbaar gesteld in artikel 69 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen.
Onder feit 2 primair is het medeplegen van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd, tenlastegelegd. Het betreft een reeks valselijk opgemaakte facturen, waaronder vijf facturen van een eerste vennootschap en één factuur van een tweede vennootschap aan het bedrijf, alsmede twee uitgaande facturen van het bedrijf aan natuurlijke personen, waaronder een factuur van € 372.196 voor zogenaamd geleverde diensten. Dit feit is strafbaar gesteld in artikel 225 van het Wetboek van Strafrecht.
Onder feit 3 primair gaat het om medeplegen van gewoontewitwassen ex artikel 420ter Sr, betreffende geldbedragen tot een totaalbedrag van € 320.100,53 alsmede tien personenauto's en een scooter, waarvan de verdachte en zijn medeverdachten wisten dat deze onmiddellijk of middellijk afkomstig waren uit enig misdrijf. Het feitelijk leidinggeven door een natuurlijk persoon aan strafbare gedragingen van een rechtspersoon vindt zijn grondslag in artikel 51 Sr.
Standpunt van het Openbaar Ministerie
De advocaat-generaal vordert dat het vonnis waarvan beroep wordt vernietigd en dat de verdachte ter zake van het onder 1 primair, 2 primair en 3 primair tenlastegelegde wordt veroordeeld tot een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, met een proeftijd van 2 jaren. Daarnaast vordert de advocaat-generaal een ontzetting uit het recht om het beroep van bestuurder van een rechtspersoon uit te oefenen voor de duur van 2 jaren. De vordering vormt aldus een aanzienlijke matiging ten opzichte van de in eerste aanleg opgelegde straf en is uitdrukkelijk afgestemd op de bijzondere persoonlijke omstandigheden van de verdachte.
Standpunt van de verdediging
Het arrest vermeldt dat het hof kennis heeft genomen van hetgeen door en namens de verdachte ter terechtzitting naar voren is gebracht. De inhoudelijke verweren van de verdediging worden in het arrest zelf niet uitgewerkt, nu het hof het vonnis van de rechtbank op de bewezenverklaring, kwalificatie en strafbaarheid integraal bevestigt en uitsluitend opnieuw recht doet ten aanzien van de strafoplegging. Uit het arrest blijkt dat de verdediging op de zitting in hoger beroep nadrukkelijk de medische situatie van de verdachte onder de aandacht heeft gebracht, welke omstandigheid een beslissende rol speelt in de strafmaat.
Oordeel gerecht
Het hof oordeelt dat de eerste rechter op juiste gronden heeft geoordeeld en op juiste wijze heeft beslist. Het vonnis wordt met overneming van gronden bevestigd, behoudens voor wat betreft de opgelegde straf en de motivering daarvan. In zoverre wordt het vonnis vernietigd en doet het hof opnieuw recht.
Inhoudelijk neemt het hof in aanmerking dat de verdachte zich, in zijn hoedanigheid van bestuurder en enig aandeelhouder van het bedrijf, samen met een ander schuldig heeft gemaakt aan het opzettelijk doen van onjuiste belastingaangiften. Hij is daarbij berekenend te werk gegaan en heeft valsheid in geschrift gepleegd door ter onderbouwing van meerdere aangiften omzetbelasting facturen valselijk op te maken. Op basis daarvan heeft de Belastingdienst een bedrag van ruim € 1.000.000 uitgekeerd aan het bedrijf. Door beslaglegging bedraagt het uiteindelijke schadebedrag voor de Belastingdienst ruim € 650.000. De verdachte heeft het wederrechtelijk verkregen vermogen voornamelijk uitgegeven aan auto's, winkelen, giften aan naasten en contante opnames, en heeft zich daarmee tevens schuldig gemaakt aan gewoontewitwassen. Het hof benadrukt dat door de bewezenverklaarde belastingfraude aanzienlijk te weinig belasting is geheven en gemeenschapsgeld ten onrechte is uitbetaald, waardoor de Belastingdienst en de maatschappij ernstig zijn benadeeld. De verdachte heeft daarmee misbruik gemaakt van en een ernstige inbreuk gemaakt op het vertrouwen waarop het systeem van belastingheffing is gebaseerd.
Het hof slaat acht op een uittreksel Justitiële Documentatie van 17 februari 2026, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor soortgelijke feiten.
Bewezenverklaring
Met overneming van gronden bevestigt het hof de bewezenverklaring van de rechtbank ten aanzien van het primair tenlastegelegde, te weten:
het medeplegen van opzettelijk een bij de Belastingwet voorziene aangifte onjuist doen, begaan door een rechtspersoon, terwijl de verdachte feitelijke leiding heeft gegeven aan de verboden gedragingen;
valsheid in geschrift, meermalen gepleegd, begaan door een rechtspersoon, terwijl de verdachte feitelijke leiding heeft gegeven aan de verboden gedragingen;
gewoontewitwassen, begaan door een rechtspersoon, terwijl de verdachte feitelijke leiding heeft gegeven aan de verboden gedragingen.
Strafoplegging en maatregelen
Het hof acht, alles afwegende en in het bijzonder gelet op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en het tijdsverloop, een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf alsmede een geheel onvoorwaardelijke beroepsontzetting passend en geboden. Het hof veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, geheel voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. Daarmee wijkt het hof zowel naar duur als naar modaliteit substantieel af van de in eerste aanleg opgelegde straf van 20 maanden waarvan 10 maanden voorwaardelijk, en volgt het hof in essentie de vordering van de advocaat-generaal.
Daarnaast ontzet het hof de verdachte uit het recht tot uitoefening van het beroep van bestuurder van een rechtspersoon voor de duur van 2 jaren. Op grond van de artikelen 33 en 33a Sr verklaart het hof voorts twee in beslag genomen voorwerpen verbeurd, te weten een mobiele telefoon van het merk Samsung en een computer, omdat het voorwerpen zijn met behulp waarvan het bewezenverklaarde is begaan. Bij de oplegging van deze sancties houdt het hof rekening met de draagkracht van de verdachte. Het hof past de artikelen 14a, 14b, 14c, 24, 28, 31, 33, 33a, 47, 51, 57, 63, 225 en 420ter Sr toe alsmede artikel 69 AWR.
Lees hier de volledige uitspraak.
