Hof Den Haag veroordeelt voor gebruik vals MBO-diploma in zorgsector: alternatief scenario van te goeder trouw handelen ongeloofwaardig
/Gerechtshof Den Haag 30 april 2026, ECLI:NL:GHDHA:2026:1287
Het gerechtshof Den Haag veroordeelt op 30 april 2026 een verdachte wegens het opzettelijk gebruik maken van een vals MBO-diploma. De verdachte heeft het valse diploma tegen betaling verkregen en overgelegd aan een uitzendbureau in de zorgsector. In eerste aanleg is de verdachte door de politierechter in de rechtbank Rotterdam vrijgesproken, waarna het Openbaar Ministerie hoger beroep heeft ingesteld. Het hof acht het alternatieve scenario van de verdachte, inhoudende dat hij te goeder trouw zou hebben gehandeld, niet aannemelijk. De evidente onjuistheden op het diploma en de overeenstemming met intakeformulier en cv wegen daarbij zwaar mee. Het hof legt op grond van artikel 225 Sr een voorwaardelijke taakstraf van vijftig uren op met een proeftijd van twee jaren.
Inleiding en context
Het gerechtshof Den Haag wijst arrest in een strafzaak waarin de verdachte, een in 1979 geboren natuurlijk persoon, wordt vervolgd wegens valsheid in geschrift. De verdachte heeft in de periode van 22 oktober 2019 tot en met 14 september 2022 een vals diploma overgelegd aan een uitzendbureau voor zorgpersoneel. De zaak speelt in hoger beroep, nadat de politierechter in de rechtbank Rotterdam de verdachte op 5 september 2024 heeft vrijgesproken van het tenlastegelegde. De officier van justitie heeft tegen die vrijspraak hoger beroep ingesteld, hetgeen heeft geleid tot het onderhavige arrest.
De achtergrond van de zaak laat zich als volgt schetsen. De verdachte heeft in 2002 een MBO-2 diploma behaald aan een college. In 2019 heeft hij voor een sollicitatie in de zorgsector behoefte aan een diploma. Zijn originele diploma blijkt echter zoek door meerdere verhuizingen in de tussenliggende periode. De Dienst Uitvoering Onderwijs heeft geen registratie van mbo-diploma's van vóór 2006, waardoor het langs reguliere weg verkrijgen van een afschrift niet mogelijk is. Vervolgens komt een diploma in zijn bezit dat een hoger opleidingsniveau en een onjuiste afstudeerdatum vermeldt, en dat hij overlegt aan zijn toenmalige werkgever.
Tenlastelegging en wettelijk kader
De verdachte wordt verweten dat hij in voornoemde periode te Arnhem en/of Leiden, althans in Nederland, opzettelijk gebruik heeft gemaakt van een geschrift dat bestemd is om tot bewijs van enig feit te dienen. Het gaat om een diploma op naam van de verdachte, gedateerd 11 augustus 2004, dat hij overlegt aan het uitzendbureau als ware dit geschrift echt en onvervalst. De valsheid bestaat hierin dat op het document in strijd met de waarheid wordt vermeld dat de verdachte het diploma heeft behaald aan het college.
Het juridisch kader wordt gevormd door artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht. Op grond van die bepaling is strafbaar degene die opzettelijk gebruik maakt van een vals of vervalst geschrift dat bestemd is om tot bewijs van enig feit te dienen, als ware het echt en onvervalst. Centraal staat in deze zaak het opzetvereiste, in het bijzonder de vraag of de verdachte weet dat het diploma vals is dan wel of dit hem redelijkerwijs niet kan zijn ontgaan.
Standpunt van het Openbaar Ministerie
De advocaat-generaal vordert vernietiging van het vonnis waarvan beroep en bewezenverklaring van het tenlastegelegde. Gevorderd wordt een geheel voorwaardelijke taakstraf van vijftig uren, met een proeftijd van twee jaren. Het Openbaar Ministerie houdt aldus vast aan de stelling dat het opzet op het gebruik van een vals geschrift kan worden bewezen, maar acht een onvoorwaardelijke sanctie niet aangewezen.
Standpunt van de verdediging
De raadsman bepleit vrijspraak. De verdediging voert aan dat het tenlastegelegde feit niet kan worden bewezen, omdat de verdachte een aannemelijke verklaring heeft gegeven voor de wijze waarop hij aan het diploma is gekomen en het, naar later blijkt valse, diploma te goeder trouw heeft gebruikt. Het opzet zou daarom ontbreken.
Het door de verdediging geschetste alternatieve scenario houdt in dat de verdachte het diploma heeft verkregen via een persoon die zich presenteert als oud-medewerker van de IB-Groep en aanbiedt te helpen het diploma alsnog via DUO te verkrijgen. Hiervoor heeft de verdachte een geldbedrag van ongeveer € 250 betaald, hoewel hij op dit punt wisselend verklaart. Hij beschikt enkel over een mobiel telefoonnummer van deze persoon, kent diens naam niet en heeft hem nooit ontmoet. Volgens de verdediging is de verdachte slechts naïef geweest, gaat hij ervan uit dat hij een echte kopie ontvangt en valt hem bij ontvangst niets vreemds op aan het document, ook niet dat de op het diploma geplaatste handtekening niet de zijne is.
Oordeel gerecht
Het hof acht het door de verdediging geschetste alternatieve scenario niet aannemelijk geworden. Daartoe overweegt het hof dat de verdachte het diploma stelt te hebben verkregen nadat hem reeds is gebleken dat DUO geen registratie heeft van mbo-diploma's van vóór 2006. Tegen die achtergrond zou hij toch een diploma hebben kunnen verkrijgen, tegen betaling van een aanzienlijk bedrag aan een onbekend gebleven persoon die zich via een mobiel nummer presenteert als oud-medewerker van de IB-Groep en het diploma uit de systemen van DUO kan halen.
Dat de verdachte vervolgens het ontvangen document zonder enige controle aan een uitzendbureau overlegt, terwijl daarop evidente onjuistheden staan die een gemiddeld oplettende gebruiker niet zouden zijn ontgaan, acht het hof ongeloofwaardig. Het hof wijst in dat verband op een onjuist opleidingsniveau, een onjuiste afstudeerdatum en een handtekening die volgens de verdachte zelf niet van hem afkomstig is.
Het hof kent voorts betekenis toe aan de omstandigheid dat de inhoud van het valse diploma overeenkomt met informatie uit een door de verdachte ondertekend intakeformulier en een door hem opgemaakt curriculum vitae. Op het intakeformulier staat hetzelfde onjuiste opleidingsniveau vermeld en in het cv staat dat de verdachte in de periode 2000-2004 aan het college een opleiding heeft gevolgd en daar een diploma heeft behaald. Bij confrontatie met deze omstandigheid heeft de verdachte wisselend verklaard. In zijn eerste verhoor stelt hij gemotiveerd dat sprake is van een typefout, terwijl hij ter terechtzitting in hoger beroep verklaart dat de vermelding op zijn cv ziet op de jaren waarin hij de opleiding heeft gevolgd en niet op het jaar van het behalen van een diploma.
Op grond van het voorgaande acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte opzettelijk een vals diploma heeft overgelegd aan zijn toenmalige werkgever. Het bewezenverklaarde wordt door het hof gekwalificeerd als opzettelijk gebruik maken van een vals geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst. Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit, zodat hij strafbaar is.
Bewezenverklaring
Het hof verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan:
Het opzettelijk gebruikmaken van een vals geschrift in de periode van 22 oktober 2019 tot en met 14 september 2022 te Arnhem en/of Leiden, in elk geval in Nederland.
Het overleggen, verzenden of doen toekomen van een vals diploma op naam van de verdachte, gedateerd 11 augustus 2004, aan een uitzendbureau, als ware dit geschrift echt en onvervalst.
Het in strijd met de waarheid vermelden op dit diploma dat de verdachte het diploma aan het college heeft behaald.
Strafoplegging en maatregelen
Het hof legt de verdachte een geheel voorwaardelijke taakstraf op van vijftig uren, subsidiair vijfentwintig dagen hechtenis, met een proeftijd van twee jaren. Daarmee komt de strafoplegging overeen met de eis van de advocaat-generaal.
Bij de strafmotivering benadrukt het hof de ernst van het feit. Een diploma bewijst dat de gediplomeerde over de juiste kennis en vaardigheden beschikt om het werk op een deskundige en verantwoorde wijze uit te voeren. Juist in een sector als de zorg, waarin veelvuldig met kwetsbare cliënten wordt gewerkt, kan een gebrek aan de juiste kennis en vaardigheden tot onwenselijke situaties leiden. De maatschappij moet kunnen vertrouwen op de juistheid van diploma's, nu dergelijke geschriften de aanwezigheid van bepaalde kennis en vaardigheden veronderstellen bij de bezitter ervan. De verdachte heeft door zijn handelen dat vertrouwen geschaad en anderen, die de opleiding wel met succes hebben afgerond, benadeeld.
In strafmatigende zin neemt het hof in aanmerking dat de verdachte blijkens een uittreksel Justitiële Documentatie van 3 april 2026, op een enkel feit na, niet recent onherroepelijk is veroordeeld voor andersoortige strafbare feiten, zodat deze documentatie geen rol van betekenis speelt bij de strafbepaling. Voorts slaat het hof acht op het tijdsverloop sinds de bewezenverklaring en op de toelichting op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, waarvan het hof ter terechtzitting een positieve indruk heeft gekregen. Het hof past de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d en 225 van het Wetboek van Strafrecht toe.
