Geen verschoonbare rechtsdwaling op intern juridisch advies: Hof Den Haag veroordeelt scheepvaartconcern en bestuurders voor EVOA-overtredingen bij sloop in Turkije
/Gerechtshof Den Haag 28 januari 2026, ECLI:NL:GHDHA:2026:105, ECLI:NL:GHDHA:2026:106, ECLI:NL:GHDHA:2026:107 en ECLI:NL:GHDHA:2026:108
Het Gerechtshof Den Haag veroordeelt in vier samenhangende strafzaken een Nederlands scheepvaartconcern, twee daarbinnen actieve vennootschappen en twee bestuurders voor overtredingen van de EVOA bij de overbrenging van twee zeeschepen naar de sloopwerf in Aliaga, Turkije. Het hof oordeelt dat de schepen vanaf het moment dat de directie het besluit nam zich daarvan te ontdoen kwalificeren als afvalstof in de zin van Verordening (EG) nr. 1013/2006, ook al worden zij tussentijds nog commercieel ingezet. Het advies van de bedrijfsjurist dat de EVOA niet van toepassing zou zijn als het schip vanuit een niet-EU-land Turkije zou binnenvaren, levert geen verschoonbare rechtsdwaling op. Ook de inwerkingtreding van de Scheepsrecyclingsverordening leidt niet tot het vervallen van strafbaarheid.
De exploiterende rechtspersoon krijgt een geldboete van € 75.000, de single-purpose vennootschap waarin het G-klasse schip was ondergebracht een geldboete van € 35.000, en beide bestuurders een geheel voorwaardelijke geldboete van € 2.500. Het hof betrekt bij de straftoemeting de forse overschrijding van de redelijke termijn en de aantoonbare voorkeur van verdachten voor een groene sloop.
Inleiding en context
Het Gerechtshof Den Haag, economische kamer, doet in hoger beroep uitspraak in vier samenhangende strafzaken die zien op de exploitatie en sloop van twee zeeschepen door een Nederlands scheepvaartconcern dat zich wereldwijd bezighoudt met het vervoer van zware en moeilijk te vervoeren lading. De eerste verdachte is de single-purpose vennootschap waarin het G-klasse schip uit 1995 was ondergebracht; deze vennootschap is uitsluitend vervolgd ter zake van de overbrenging van dat schip (ECLI:NL:GHDHA:2026:105). De tweede verdachte is de exploiterende besloten vennootschap die binnen het concern het feitelijk management over en de operationele exploitatie van beide schepen voerde (ECLI:NL:GHDHA:2026:106). De derde verdachte is de uiteindelijk belanghebbende en (direct of indirect) bestuurder van alle relevante vennootschappen (ECLI:NL:GHDHA:2026:108). De vierde verdachte is de financieel directeur en medebestuurder (ECLI:NL:GHDHA:2026:107). In eerste aanleg worden beide bestuurders veroordeeld voor feit 1 en vrijgesproken van feit 2; de exploiterende rechtspersoon wordt veroordeeld tot een geldboete van € 25.000 voor feit 1 en eveneens vrijgesproken van feit 2; de single-purpose vennootschap wordt geheel vrijgesproken. Het Openbaar Ministerie stelt in alle vier zaken hoger beroep in. De exploiterende rechtspersoon en de hoofdbestuurder stellen tevens zelf hoger beroep in en worden door het hof niet-ontvankelijk verklaard voor zover hun hoger beroep is gericht tegen de in eerste aanleg gegeven vrijspraak van feit 2. Centraal staan de overbrenging van een E-klasse schip uit 1989 naar Aliaga in maart 2014 en de overbrenging van een G-klasse schip uit 1995 naar dezelfde werf in april 2015. Beide schepen bevatten ten tijde van de sloop nog gevaarlijke stoffen, waaronder dieselolie, fuelolie, sludge, loodaccu's, koelinstallaties met chloorfluorkoolwaterstoffen en bij het tweede schip ook asbest.
Tenlastelegging en wettelijk kader
De rechtspersonen wordt verweten dat zij in vereniging met anderen opzettelijk handelingen hebben verricht als bedoeld in artikel 2, onder 35, van Verordening (EG) nr. 1013/2006 (EVOA), door de schepen als afvalstof bestemd voor nuttige toepassing over te brengen vanuit Nederland respectievelijk Frankrijk en Spanje naar Turkije, zonder kennisgeving aan en toestemming van alle bevoegde betrokken autoriteiten. De twee bestuurders wordt feitelijk leidinggeven aan deze gedragingen verweten. Het wettelijk kader is gelaagd: artikel 10.60, tweede lid, Wet milieubeheer verbiedt de in artikel 2, onder 35, EVOA bedoelde handelingen; overtreding daarvan is strafbaar gesteld in artikel 1a, sub 1°, van de Wet op de economische delicten en levert bij opzet ingevolge artikel 2 WED een misdrijf op. Centraal staan de begrippen afvalstof (artikel 3, aanhef en onder 1, Kaderrichtlijn Afvalstoffen 2008/98/EG), overbrenging (artikel 2, onder 34, EVOA), kennisgever (artikel 2, onder 15, EVOA) en de kennisgevings- en toestemmingsprocedure van artikel 38 juncto artikel 3 EVOA.
Standpunt van het Openbaar Ministerie
De advocaat-generaal vordert vernietiging van de vonnissen. Tegen de bestuurders eist het Openbaar Ministerie ter zake van feit 1 primair en feit 2 primair een voorwaardelijke geldboete van € 2.500, subsidiair 35 dagen hechtenis, met een proeftijd van twee jaren. Tegen de exploiterende rechtspersoon vordert het Openbaar Ministerie een geldboete van € 100.000 en tegen de single-purpose vennootschap een geldboete van € 50.000.
Standpunt van de verdediging
De verdediging voert in alle vier zaken een grotendeels identieke set verweren. Zij betwist dat de schepen onder het begrip afvalstof vallen; volgens haar zou een schip pas afvalstof worden zodra concreet tot sloop is besloten of zodra het schip richting de sloopwerf koerst. Voorts stelt zij dat geen kennisgeving of toestemming was vereist omdat de schepen telkens vanuit een niet-EU-land Turkije zijn binnengevaren. Met betrekking tot de feitelijk leidinggevende positie wordt aangevoerd dat met name de hoofdbestuurder onvoldoende wetenschap had van de operationele gang van zaken en dat in elk geval het opzet ontbreekt. Daarnaast doet de verdediging een beroep op verschoonbare rechtsdwaling: de verdachten zouden hebben mogen vertrouwen op het advies van de bedrijfsjurist dat de EVOA niet van toepassing was. Tot slot stelt zij zich op het standpunt dat de inwerkingtreding van Verordening (EU) nr. 1257/2013 (Scheepsrecyclingsverordening) op grond van artikel 1 lid 2 Sr en artikel 7 EVRM (lex mitior) tot ontslag van rechtsvervolging dient te leiden, met een voorwaardelijk verzoek tot het stellen van prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie.
Oordeel gerecht
Het hof verwerpt alle verweren. Onder verwijzing naar het Shell-arrest (HvJ EU 12 september 2013, C-241/12 en C-242/12) overweegt het hof dat het begrip zich ontdoen van en daarmee het begrip afvalstof ruim moet worden uitgelegd. Ook een voorwerp dat voor hergebruik geschikt is, kan een afvalstof zijn; van economisch hergebruik kan slechts sprake zijn indien dat hergebruik niet slechts mogelijk maar zeker is. Het hof stelt vast dat bij de exploiterende vennootschap op 18 november 2013 respectievelijk 16 april 2015 het voornemen ontstaat om zich vanwege commerciële en financiële overwegingen van de schepen te ontdoen. Vanaf die momenten kwalificeren de schepen als afvalstof. De omstandigheid dat zij nadien nog lading hebben vervoerd doet daaraan niet af, nu doorslaggevend is de intentie en het gedrag van de houder. De verplichting tot kennisgeving ontstaat op het moment dat voldoende zeker is dat het voornemen bestaat een afvalstof over te brengen naar een land buiten de Europese Unie. Voor het eerste schip is dat moment 30 januari 2014, voor het tweede schip 16 april 2015, toen werd vastgelegd: we gaan uit van scrappen en zetten alles daarvoor in het werk.
De gedragingen van de leidinggevenden worden redelijkerwijs aan zowel de exploiterende vennootschap als aan de single-purpose vennootschappen toegerekend, nu de leidinggevenden in dienst waren van deze rechtspersonen dan wel direct of indirect bestuurder waren, de gedragingen passen in de sfeer van de rechtspersonen en deze dienstig zijn geweest. Het opzet kan eveneens aan de rechtspersonen worden toegerekend. Ten aanzien van de bestuurders oordeelt het hof dat beiden bevoegd en redelijkerwijs gehouden waren in te grijpen, doch zulks hebben nagelaten. De financieel directeur was intensief betrokken bij de voorbereidingen en werd in vele relevante e-mails ingekopieerd. De hoofdbestuurder achtte het hof, gelet op zijn beleidsbepalende positie en zijn eigen verklaring ter terechtzitting dat de EVOA-implicaties heel even ter sprake zijn gekomen, eveneens op de hoogte. Het beroep op rechtsdwaling slaagt niet: noch de bedrijfsjurist, noch de redersvereniging, noch de geraadpleegde derde was beroepshalve gespecialiseerd in de EVOA, en de gehanteerde uitleg van het begrip voornemen tot overbrenging doet voor een professionele scheepvaartexploitant kenbaar geen recht aan de bedoelingen van de regelgeving. Ook het beroep op de Scheepsrecyclingsverordening wordt verworpen: de schepen zijn nimmer aan die regeling onderworpen geweest, zodat geen sprake is van een te vermijden doublure als bedoeld in overweging 10. Subsidiair, indien al sprake zou zijn van dezelfde norm, blijkt geen gewijzigd inzicht van de Uniewetgever omtrent de strafwaardigheid; per saldo is veeleer sprake van een verzwaring van het regelcomplex bij scheepsrecycling. Het voorwaardelijk verzoek tot het stellen van prejudiciële vragen wordt afgewezen.
Bewezenverklaring
Bewezen wordt verklaard dat de exploiterende rechtspersoon, in vereniging met anderen, opzettelijk:
het eerste schip in de periode van 24 oktober 2013 tot en met 6 maart 2014 als afvalstof heeft overgebracht vanuit Nederland en Frankrijk naar Turkije, zonder kennisgeving aan en toestemming van alle bevoegde betrokken autoriteiten;
het tweede schip in de periode van 27 januari 2015 tot en met 28 april 2015 als afvalstof heeft overgebracht vanuit Spanje naar Turkije, zonder kennisgeving aan en toestemming van alle bevoegde betrokken autoriteiten.
Ten aanzien van de single-purpose vennootschap wordt bewezen verklaard dat zij in vereniging met anderen opzettelijk het tweede schip heeft overgebracht naar Turkije zonder de vereiste kennisgeving en toestemming. Ten aanzien van de bestuurders wordt bewezen verklaard dat zij feitelijk leiding hebben gegeven aan deze door de betrokken rechtspersonen gepleegde verboden gedragingen. Ten aanzien van beide rechtspersonen kwalificeert het bewezenverklaarde als medeplegen van opzettelijke overtreding van een voorschrift gesteld krachtens artikel 10.60, tweede lid, Wet milieubeheer, gepleegd door een rechtspersoon, ten aanzien van de exploiterende rechtspersoon meermalen gepleegd. Ten aanzien van de financieel directeur kwalificeert het hof het bewezenverklaarde als feitelijk leidinggeven aan deze overtreding, en ten aanzien van de hoofdbestuurder als medeplegen van feitelijk leidinggeven aan deze overtreding, beide meermalen gepleegd.
Strafoplegging en maatregelen
Het hof legt aan de exploiterende rechtspersoon een onvoorwaardelijke geldboete op van € 75.000. In beginsel acht het hof voor deze rechtspersoon een geldboete van € 100.000 passend en geboden, doch wegens de forse overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM wordt deze gematigd. Aan de single-purpose vennootschap legt het hof een onvoorwaardelijke geldboete op van € 35.000, eveneens gematigd vanaf het in beginsel passend geachte bedrag van € 50.000. Aan beide bestuurders legt het hof een geheel voorwaardelijke geldboete op van € 2.500, subsidiair 35 dagen hechtenis, met een proeftijd van twee jaren. Het hof betrekt bij de strafoplegging het hoofddoel van de EVOA, namelijk de bescherming van mens en milieu via toezicht op afvaltransporten, alsmede het feit dat verdachten dat toezicht door hun keuzes onmogelijk hebben gemaakt. In matigende zin wegen mee de aantoonbare voorkeur voor een zo groen mogelijke sloop, het inspectiebezoek aan de werf in Aliaga, het a-typische karakter van een schip als afvalstof, het ontbreken van eerdere veroordelingen en de persoonlijke en financiële omstandigheden van verdachten. Toepassing van het rechterlijk pardon ex artikel 9a Sr acht het hof niet aangewezen.
Lees hier de volledige uitspraken
Gerechtshof Den Haag 28 januari 2026, ECLI:NL:GHDHA:2026:105 (de single-purpose vennootschap waarin het G-klasse schip was ondergebracht)
Gerechtshof Den Haag 28 januari 2026, ECLI:NL:GHDHA:2026:106 (de exploiterende rechtspersoon)
Gerechtshof Den Haag 28 januari 2026, ECLI:NL:GHDHA:2026:107 (de financieel directeur)
Gerechtshof Den Haag 28 januari 2026, ECLI:NL:GHDHA:2026:108 (de hoofdbestuurder en uiteindelijk belanghebbende)
