Lava Jato in Nederland: rechtbank sluit Braziliaans bewijsmateriaal uit maar veroordeelt kartrekker en medeverdachten voor internationale corruptiestructuur rondom Braziliaans bouwconcern
/Rechtbank Overijssel 20 april 2026, ECLI:NL:RBOVE:2026:2183 (kartrekker), ECLI:NL:RBOVE:2026:2197 (broer/feitelijk leidinggevende derde vennootschap) en ECLI:NL:RBOVE:2026:2190 (derde vennootschap als rechtspersoon)
De Rechtbank wijst drie vonnissen in onderzoek Maquina, gericht tegen twee broers en drie Nederlandse vennootschappen die als doorstroomlichamen fungeren in een internationale fraudestructuur met een Zuid-Amerikaans bouwconglomeraat. De vennootschappen sluiten geantedateerde en fictieve contracten waarmee miljoenen aan geldstromen worden afgedekt, terwijl het concern blijkens een plea agreement met de Amerikaanse Department of Justice met deze constructie wereldwijd steekpenningen aan overheidsfunctionarissen kan betalen. De rechtbank sluit Braziliaans bewijsmateriaal uit het Lava Jato-onderzoek uit wegens onherroepelijk vastgestelde structurele vormverzuimen, maar acht het Openbaar Ministerie ontvankelijk omdat de Nederlandse opsporing op eigen kracht een redelijk vermoeden van schuld kon aannemen.
Inleiding en context
De rechtbank wijst op 20 april 2026 drie samenhangende vonnissen in onderzoek Maquina. Dit onderzoek richt zich op twee broers en drie Nederlandse vennootschappen die in de tenlastegelegde periode 2012 tot en met 2015 als doorstroomschakels fungeren in een internationale contractenstructuur met een Zuid-Amerikaans conglomeraat van bouwbedrijven. De eerste vennootschap is opgericht op 29 januari 2008 en ontbonden op 31 december 2015. De tweede vennootschap is op 12 januari 2012 specifiek voor de samenwerking met het Braziliaanse concern opgericht en ontbonden op 23 oktober 2015. De derde vennootschap is opgericht op 31 januari 2011 en houdt zich blijkens het Handelsregister bezig met handelsbemiddeling, advisering en buitenlandse handelsconsultancy. De kartrekker (geboren in 1970) bestuurt de eerste vennootschap tot 30 juni 2013 en de tweede vennootschap middellijk tot 1 juli 2013 en daarna onmiddellijk tot 23 oktober 2015. Zijn broer (geboren in 1974) bestuurt vanaf 1 juni 2011 de derde vennootschap. Beiden houden via persoonlijke houdstervennootschappen aandelenbelangen in de betrokken rechtspersonen. Onderzoek Maquina is op 6 juni 2018 gestart na meldingen van de Financial Intelligence Unit en de Belastingdienst over verdachte transacties. De zaak speelt tegen de achtergrond van het Braziliaanse strafrechtelijk onderzoek Lava Jato, waarin het Braziliaanse hooggerechtshof (Supremo Tribunal Federal) onherroepelijk heeft geoordeeld dat ernstige, structurele en onherstelbare inbreuken zijn gemaakt op het recht op een eerlijk proces, met collusie tussen opsporingsambtenaren en de onderzoeksrechter en schendingen van de bewijsketen.
Tenlastelegging en wettelijk kader
De kartrekker wordt verweten dat hij feitelijk leiding heeft gegeven aan het door alle drie de vennootschappen plegen van valsheid in geschrift in de periode van 1 januari 2012 tot en met 31 december 2015 (artikel 225 lid 1 Sr in samenhang met artikel 51 lid 2 Sr), aan het door de derde vennootschap opzettelijk gebruiken van valse geschriften door deze in de periode van 5 februari 2018 tot en met 1 november 2018 aan de ING-Bank toe te zenden in het kader van een KYC-procedure (artikel 225 lid 2 Sr) en dat hij heeft deelgenomen aan een criminele organisatie (artikel 140 Sr). Zijn broer wordt verweten dat hij feitelijk leiding heeft gegeven aan deze gedragingen voor zover het de derde vennootschap betreft, en dat hij heeft deelgenomen aan een criminele organisatie. De derde vennootschap zelf wordt verweten dat zij telkens tezamen en in vereniging met anderen valsheid in geschrift heeft gepleegd, opzettelijk gebruik heeft gemaakt van valse geschriften en heeft deelgenomen aan een criminele organisatie. Centraal staan de delictsbestanddelen intellectuele valsheid, oogmerk tot misleiding, opzet, daderschap van de rechtspersoon, feitelijk leidinggeven en duurzaam en gestructureerd samenwerkingsverband.
Standpunt van het Openbaar Ministerie
Het Openbaar Ministerie acht alle tenlastegelegde feiten in alle drie de zaken wettig en overtuigend bewezen. Tegen de kartrekker vordert het een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van vijf jaar. Tegen zijn broer vordert het een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van één jaar en een taakstraf van 300 uren. Tegen de derde vennootschap vordert het schuldigverklaring zonder oplegging van straf of maatregel, gelet op het ontbreken van financiële middelen om een geldboete te kunnen voldoen. In alle gevallen is rekening gehouden met overschrijding van de redelijke termijn.
Standpunt van de verdediging
De verdediging bepleit in alle drie de zaken primair niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie en subsidiair bewijsuitsluiting van de uit Brazilië afkomstige stukken wegens onherstelbare vormverzuimen in Lava Jato. Inhoudelijk bepleit zij integrale vrijspraak. De contracten en facturen zouden niet vals zijn, de datering zou aansluiten bij eerder gemaakte mondelinge afspraken naar Braziliaans recht en opzet zou ontbreken. Ten aanzien van het toezenden van stukken aan de ING-Bank stelt de verdediging dat niet bewezen is dat dit daadwerkelijk is gebeurd. Voor de broer voert de verdediging aanvullend aan dat zijn rol zich beperkte tot het ondertekenen van contracten als formeel tekenbevoegde en dat hij geen feitelijk leidinggevende was. Voor de criminele organisatie stelt de verdediging dat opzet ontbreekt omdat de verdachten uitgingen van fiscale planning. Ten aanzien van het opnemen van valse geschriften in de bedrijfsadministratie beroept de verdediging zich op de strafuitsluitingsgrond van artikel 42 Sr in samenhang met de bewaarplicht van artikel 52 AWR. Bij de strafmaat verzoekt de verdediging rekening te houden met de overschrijding van de redelijke termijn.
Oordeel gerecht
De rechtbank stelt onder verwijzing naar Hoge Raad 1 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:1889, vast dat sterke aanwijzingen bestaan dat aan Lava Jato vormverzuimen kleven en dat de door de Braziliaanse autoriteiten overgedragen informatie onrechtmatig is verkregen. Het interstatelijk vertrouwensbeginsel, dat in beginsel meebrengt dat de ontvangende staat mag uitgaan van de rechtmatige totstandkoming van overgedragen informatie, kan in dit geval dus niet onverkort worden toegepast. De rechtbank oordeelt vervolgens dat de Nederlandse strafprocedure als geheel desondanks voldoet aan artikel 6 EVRM. Het Openbaar Ministerie is ontvankelijk omdat de FIOD op eigen kracht, op basis van meldingen van de Financial Intelligence Unit van mei 2018, mediaberichten, een plea agreement van het Braziliaanse concern met de Amerikaanse Department of Justice en eigen onderzoeksbevindingen, een redelijk vermoeden van schuld mocht aannemen. De rechtbank sluit wel de uit Brazilië via rechtshulp verkregen verklaringen van drie werknemers van het Braziliaanse concern en de bijbehorende schikkingsovereenkomsten van het bewijs uit. De plea agreement zelf en verklaringen afgelegd bij de Nederlandse rechter-commissaris blijven gehandhaafd.
Inhoudelijk concludeert de rechtbank dat alle tenlastegelegde contracten zijn geantedateerd: de in de overeenkomsten vermelde datum van aangaan ligt vóór de datum waarop het Word-document blijkens de bestandseigenschappen is gecreëerd, hetgeen onmogelijk is. Het Braziliaans-rechtverweer faalt omdat in geen van de contracten Braziliaans recht van toepassing is verklaard en correspondentie over eerdere mondelinge overeenstemming ontbreekt. De rechtbank stelt voor elk van de drie vennootschappen vast dat aan het Braziliaanse concern gelieerde personen bepalen met welke partijen wordt gecontracteerd en onder welke voorwaarden, dat zij zowel de inhoud van de AB- als de BC-contracten en de bijbehorende facturen aanleveren, dat de vennootschappen niet beschikken over gekwalificeerd personeel om de gecontracteerde werkzaamheden uit te voeren, dat communicatie over inhoud en uitvoering ontbreekt en dat ontvangen en doorbetaalde bedragen telkens kort na elkaar plaatsvinden onder inhouding van een marge van circa 4,5 procent. De contracten zijn fictief en dienen uitsluitend ter afdekking van de geldstroom afkomstig van het Braziliaanse concern, dat blijkens de plea agreement met deze constructie wereldwijd steekpenningen aan overheidsfunctionarissen kan betalen. Een eventueel fiscaal motief rechtvaardigt geen onjuiste voorstelling van zaken in contracten.
De rechtbank acht voorwaardelijk opzet aanwezig bij alle drie de vennootschappen en hun bestuurders. De gedragingen vallen toe te rekenen aan de rechtspersonen en zijn in nauwe en bewuste samenwerking gepleegd met aan het Braziliaanse concern gelieerde personen, zodat medeplegen bewezen wordt verklaard. De kartrekker wordt aangemerkt als feitelijk leidinggevende van alle drie de vennootschappen: hij is benaderd door personen gelieerd aan het Braziliaanse concern, heeft de eerste twee vennootschappen aangedragen respectievelijk speciaal opgericht voor deze samenwerking en de derde vennootschap op zijn initiatief ingezet. Hij ondertekent contracten ook nadat hij formeel als bestuurder is uitgeschreven, regelt dat een derde op papier directeur wordt van de tweede vennootschap met als enige taak het ondertekenen van aangeleverde stukken, en bemoeit zich met betalingsinstructies en compliance-issues. Zijn broer wordt eveneens als feitelijk leidinggevende aangemerkt voor zover het de derde vennootschap betreft: hij is enig bestuurder, ondertekent de valse contracten en zendt deze namens de vennootschap aan de ING-Bank. Het verweer dat hij de contracten blind tekende, slaagt niet; van een bestuurder mag worden verwacht dat hij zich op de hoogte stelt van de inhoud, en het blind tekenen kwalificeert juist als bewuste aanvaarding van de aanmerkelijke kans op valsheid. Het beroep op artikel 42 Sr in samenhang met artikel 52 AWR slaagt niet: de bewaarplicht legitimeert niet het opmaken van valse stukken.
Voor de criminele organisatie oordeelt de rechtbank verschillend. Voor de kartrekker wordt deelname aan een duurzaam en gestructureerd samenwerkingsverband met een aan het Braziliaanse concern gelieerde natuurlijke persoon bewezen verklaard, gericht op het plegen van valsheid in geschrift. Voor de drie vennootschappen geldt dat hun strafbaar handelen zozeer is te vereenzelvigen met dat van de kartrekker dat zij niet als zelfstandige deelnemers maar als werktuigen fungeren; de kartrekker wordt op dit onderdeel partieel vrijgesproken voor zover de organisatie met de rechtspersonen wordt aangenomen. De broer en de derde vennootschap worden integraal vrijgesproken van deelname aan een criminele organisatie. Voor de broer ontbreekt het voor artikel 140 Sr vereiste onvoorwaardelijk opzet op het oogmerk van de organisatie. Voor de derde vennootschap geldt dat haar handelen zozeer is te vereenzelvigen met dat van de kartrekker dat zij als werktuig moet worden beschouwd en niet als zelfstandige deelnemer kan worden aangemerkt.
Bewezenverklaring
Bewezen wordt verklaard dat de kartrekker feitelijk leiding heeft gegeven aan:
het door de eerste vennootschap, telkens tezamen en in vereniging met anderen, in de periode van 1 januari 2012 tot en met 31 december 2015 valselijk opmaken of vervalsen van een contract van 13 november 2012, een contract van 17 december 2012, een factuur van 25 november 2013, een contract van 22 januari 2013, een contract van 4 februari 2013, een contract van 21 februari 2014, een contract van 28 februari 2014, een factuur van 23 november 2014 en de bedrijfsadministratie
het door de tweede vennootschap, telkens tezamen en in vereniging met anderen, in dezelfde periode valselijk opmaken of vervalsen van een contract van 20 februari 2012, een contract van 5 maart 2012, een factuur van 6 december 2012, een contract van 18 juni 2013, een contract van 1 juli 2013, twee facturen van 15 augustus 2013 en 27 augustus 2013, een contract van 17 februari 2014, een contract van 24 februari 2014, twee facturen van 15 april 2014 en 6 mei 2014 en de bedrijfsadministratie
het door de derde vennootschap, telkens tezamen en in vereniging met anderen, in dezelfde periode valselijk opmaken of vervalsen van zes contracten en facturen tussen 14 juni 2012 en 16 oktober 2014 en de bedrijfsadministratie, alsmede in de periode van 5 februari 2018 tot en met 1 november 2018 het opzettelijk gebruik maken van drie van deze valse geschriften door deze te zenden aan medewerkers van de ING-Bank
deelname in de periode vanaf 1 oktober 2012 tot en met 31 december 2015 aan een organisatie gevormd door een samenwerkingsverband met een aan het Braziliaanse concern gelieerde natuurlijke persoon, met als oogmerk het meermalen medeplegen van valsheid in geschrift
Voor de broer wordt feitelijk leidinggeven bewezen verklaard ten aanzien van het door de derde vennootschap plegen van valsheid in geschrift en het opzettelijk gebruik maken van valse geschriften jegens de ING-Bank. Voor de derde vennootschap zelf wordt het medeplegen van valsheid in geschrift en het opzettelijk gebruik maken van valse geschriften bewezen verklaard. Beiden worden vrijgesproken van deelname aan een criminele organisatie.
Strafoplegging en maatregelen
De rechtbank wijkt in alle drie de zaken af van de eis van het Openbaar Ministerie. De kartrekker wordt veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van dertig maanden, met aftrek van de tijd die hij in verzekering heeft doorgebracht. De rechtbank acht in beginsel zesendertig maanden passend en past een korting van zes maanden toe wegens overschrijding van de redelijke termijn met meer dan vier jaar en zeven maanden, gerekend vanaf de inverzekeringstelling op 26 februari 2019. Doorslaggevend zijn de cruciale kartrekkersrol en het feit dat alleen al op basis van de tenlastegelegde contracten en facturen tientallen miljoenen via de Nederlandse bankrekeningen worden doorgesluisd, waarvan miljoenen achterblijven bij de vennootschappen en hun aandeelhouders. Tenuitvoerlegging vindt volledig plaats binnen de penitentiaire inrichting tot het moment van voorwaardelijke invrijheidstelling als bedoeld in artikel 6:2:10 Sv. De op de beslaglijst onder de nummers 19 en 20 genoemde voorwerpen worden onttrokken aan het verkeer voor zover zij documenten bevatten die in de bewezenverklaring zijn genoemd; de overige inhoud wordt aan de verdachte teruggegeven.
Zijn broer wordt veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van acht maanden. De rechtbank acht in beginsel tien maanden passend en past een korting van twee maanden toe wegens dezelfde termijnoverschrijding. De rechtbank legt een aanzienlijk kortere gevangenisstraf op dan in de zaak tegen de kartrekker, omdat de rol van de broer ondergeschikt is en zijn betrokkenheid beperkt is gebleven tot één vennootschap.
De derde vennootschap wordt veroordeeld tot een geldboete van € 40.000. De rechtbank acht in beginsel een geldboete van € 50.000 passend en past een korting van € 10.000 toe wegens dezelfde termijnoverschrijding. Het gestelde gebrek aan financiële draagkracht weegt niet in haar voordeel mee, mede omdat dit gebrek deels is ontstaan door dividenduitkeringen aan aandeelhouders die jarenlang van de fraude hebben geprofiteerd.
Lees hier de volledige uitspraken:
