Hof Den Haag: APK-keurmeester is lasthebber, geen ambtenaar

Gerechtshof Den Haag 24 april 2026, ECLI:NL:GHDHA:2026:1222

Het gerechtshof Den Haag veroordeelt een voormalig politieambtenaar wegens niet-ambtelijke omkoping ex artikel 328ter Sr na betaling van 160 euro aan een APK-keurmeester voor een onterechte goedkeuring van zijn bedrijfsauto. Het hof bevestigt dat een APK-keurmeester niet kan worden aangemerkt als ambtenaar in de zin van artikel 177 Sr, maar kwalificeert hem wel als lasthebber van de Rijksdienst voor het Wegverkeer, waardoor de gedraging binnen het bereik van artikel 328ter Sr valt. Het hof spreekt de verdachte vrij van valsheid in geschrifte ten aanzien van een opmerking in het politiesysteem BOSZ.

Vanwege aanzienlijke overschrijding van de redelijke termijn wordt de gevangenisstraf gehalveerd van veertien naar zeven dagen. Het hof bepaalt daarnaast op grond van artikel 423 lid 4 Sv een afzonderlijke hoofdstraf van veertien dagen voor de in eerste aanleg bewezenverklaarde computervredebreuk waarvoor het hoger beroep is ingetrokken. De uitspraak markeert het belang van de kwalificatie lasthebberschap bij private of semipublieke functionarissen die met overheidstaken zijn belast.

Inleiding

Het gerechtshof Den Haag oordeelt in hoger beroep over de strafzaak tegen een natuurlijk persoon, geboren in 1985, die ten tijde van de verweten gedragingen werkzaam is als politieambtenaar. De verdachte is in eerste aanleg door de rechtbank Den Haag op 12 juni 2024 veroordeeld tot een gevangenisstraf van 90 dagen, waarvan 69 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, ter zake van het onder 1, 2 subsidiair en 5 tenlastegelegde. De verdachte is daarbij vrijgesproken van het onder 2 primair, 3 en 4 tenlastegelegde. Namens de verdachte is hoger beroep ingesteld, dat bij akte van 9 april 2026 partieel is ingetrokken voor zover het zich richt tegen het onder 1 bewezenverklaarde feit van computervredebreuk in de zin van artikel 138ab Sr, waarvoor de verdachte inmiddels onherroepelijk is veroordeeld. Het hoger beroep is daardoor uitsluitend nog gericht tegen het onder 2 en 5 tenlastegelegde. Op grond van artikel 423 lid 4 Sv dient het hof voorts een hoofdstraf te bepalen voor het in eerste aanleg onder 1 bewezenverklaarde feit. De verdachte is als gevolg van de strafzaak ontslagen bij de politie, heeft zijn pizzeria en woning verloren en kampt met schulden alsmede met PTSS-klachten die mede voortvloeien uit zijn werk als politieagent.

Tenlastelegging en wettelijk kader

De verdachte wordt onder 2 primair verweten dat hij op 15 november 2019 te Waddinxveen aan een ambtenaar, te weten een APK-keurmeester, een geldbedrag van ongeveer 160 euro heeft gegeven of aangeboden met het oogmerk hem te bewegen in zijn bediening, in strijd met zijn plicht, de bedrijfsauto van de verdachte goed te keuren terwijl deze niet voldoet aan de eisen van hoofdstuk 5 van de Regeling Voertuigen. Dit feit is ten laste gelegd op grond van artikel 177 van het Wetboek van Strafrecht. Subsidiair wordt hetzelfde feitencomplex ten laste gelegd op grond van artikel 328ter Sr, op de grondslag dat de APK-keurmeester anders dan als ambtenaar optreedt als lasthebber van de Rijksdienst voor het Wegverkeer. Onder 5 wordt de verdachte verweten dat hij op 3 juli 2018 te Alphen aan den Rijn valsheid in geschrifte heeft gepleegd in de zin van artikel 225 Sr, door in het politiesysteem BOSZ in een onderzoek met nummer PL1500-2018002189 valselijk de opmerking "Zaak is al afgedaan middels bemiddeling met partijen. Zaak naar administratie" te hebben geplaatst.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De advocaat-generaal vordert dat het vonnis van de rechtbank, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, wordt bevestigd. Daarmee strekt de vordering ertoe dat de verdachte ter zake van het onder 2 subsidiair tenlastegelegde wordt veroordeeld en van het onder 2 primair en 5 tenlastegelegde wordt vrijgesproken. Ten aanzien van het in beslag genomen geldbedrag van € 4.215 vordert de advocaat-generaal teruggave aan de verdachte.

Standpunt van de verdediging

De verdediging stelt zich blijkens de overgelegde pleitnotities op het standpunt dat ook van het onder 2 subsidiair tenlastegelegde dient te worden vrijgesproken. Daartoe voert de raadsvrouw aan dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de tapgesprekken en het keuringsrapport van de tweede keurmeester direct bewijs voor omkoping opleveren. Volgens de verdediging zijn de tapgesprekken voor meer uitleg vatbaar en onvoldoende concreet en redengevend om tot een bewezenverklaring van omkoping te komen. Met betrekking tot feit 5 blijkt uit het arrest niet dat een afzonderlijk verweer is gevoerd; het hof komt op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting tot vrijspraak.

Oordeel gerecht

Centraal in het arrest staat de kwalificatievraag of de APK-keurmeester binnen het personele bereik van artikel 177 Sr valt of binnen dat van artikel 328ter Sr. Met de rechtbank oordeelt het hof dat de APK-keurmeester niet kan worden aangemerkt als ambtenaar in de zin van artikel 177 lid 1 Sr. Daarmee strandt de primaire variant van de tenlastelegging. Het hof onderschrijft vervolgens de subsidiaire grondslag: de keurmeester treedt anders dan als ambtenaar op als lasthebber van de Rijksdienst voor het Wegverkeer. Hij verricht zijn werkzaamheden niet binnen een ambtelijke aanstelling, maar in opdracht en onder verantwoordelijkheid van de RDW als de instantie die de wettelijk geregelde keuringstaak heeft uitbesteed. In die hoedanigheid valt hij binnen de personele werkingssfeer van artikel 328ter Sr, dat de niet-ambtelijke omkoping strafbaar stelt van eenieder die anders dan als ambtenaar werkzaam is in dienstbetrekking of optreedt als lasthebber. De kwalificatie als lasthebber is dragend voor de strafrechtelijke aansprakelijkheid en illustreert hoe de wetgever met artikel 328ter Sr de leemte heeft gedicht die ontstaat wanneer overheidstaken worden uitgevoerd door private of semipublieke functionarissen die niet als ambtenaar kwalificeren.

Met die kwalificatie gegeven, beoordeelt het hof of het feitencomplex de bestanddelen van artikel 328ter Sr vervult. Het hof beoordeelt het keuringsrapport, de verklaring van de keurmeester en de tapgesprekken in onderlinge samenhang. Uit het keuringsrapport blijkt dat de Volkswagen Caddy op 15 november 2019 is afgemeld en goedgekeurd, terwijl meerdere aandachtspunten worden vermeld, waaronder een defect aan de waarschuwingsinrichting van het antiblokkeersysteem en mankementen aan banden en veer. Het rapport bevat geen aanwijzing dat de remmen, waaronder de rembekrachtiger, daadwerkelijk zijn gerepareerd. Uit het proces-verbaal van bevindingen van 17 januari 2020 volgt dat het voertuig onterecht is goedgekeurd, met als een van de mankementen een defecte rembekrachtiger. De keurmeester verklaart zelf geen reparaties te hebben verricht, hetgeen wordt bevestigd door het kasboek waarin uitsluitend het bedrag van de keuring zelf is genoteerd.

Aanvullend bewijs ontleent het hof aan tapgesprekken. Op 15 november 2019 verklaart de verdachte dat de keurmeester aanvankelijk niet bereid is tot goedkeuring vanwege de remmen, en dat de verdachte na betaling van € 160 alsnog de goedkeuring verkrijgt. Op 4 december 2019 spreekt een gesprekspartner uit dat het voertuig levensgevaarlijk is omdat een kilometer van tevoren moet worden geremd, waarop de verdachte antwoordt dat hard duwen volstaat. Op 9 december 2019, na inbeslagname van het voertuig, verklaart de verdachte expliciet dat de remmen niet werken, hetgeen aansluit bij de technische keuring na inbeslagname. Het hof acht het geheel consistent en oordeelt dat de verdachte een gift heeft gedaan onder zodanige omstandigheden dat hij redelijkerwijs moest aannemen dat de keurmeester handelde in strijd met zijn last. Ten aanzien van feit 5 oordeelt het hof dat niet buiten redelijke twijfel kan worden vastgesteld dat de verdachte opzettelijk in strijd met de waarheid in het politiesysteem BOSZ heeft ingevuld dat de zaak reeds was afgedaan, en spreekt het de verdachte daarvan vrij.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 2 subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, te weten:

  • dat hij op 15 november 2019 te Waddinxveen aan de APK-keurmeester, die anders dan als ambtenaar optreedt als lasthebber van de Rijksdienst voor het Wegverkeer, een geldbedrag van ongeveer € 160 heeft gegeven of aangeboden, naar aanleiding van het APK goedkeuren van zijn bedrijfsauto terwijl deze niet voldeed aan de eisen van hoofdstuk 5 van de Regeling Voertuigen, van die aard en onder zodanige omstandigheden dat hij redelijkerwijs moest aannemen dat de keurmeester handelde in strijd met zijn last.

Van het onder 2 primair en 5 tenlastegelegde wordt de verdachte vrijgesproken.

Strafoplegging en maatregelen

Het hof acht een onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend en geboden. Bij de strafoplegging weegt het hof in het bijzonder mee dat de verdachte met zijn handelen het veiligheidsmechanisme van de APK-keuring heeft omzeild, daarmee het verkeersrisico voor derden heeft verhoogd en het vertrouwen in de RDW en de deugdelijkheid van de keuringssystematiek heeft geschaad. Uit het uittreksel Justitiële Documentatie van 25 maart 2026 volgt dat de verdachte niet eerder onherroepelijk is veroordeeld. Het hof betrekt voorts in zijn afweging het reclasseringsadvies, de bij de verdachte vastgestelde PTSS, het verlies van zijn dienstbetrekking bij de politie, het verlies van zijn pizzeria en woning, zijn schuldenpositie en de opgelopen reputatieschade.

Het hof stelt ambtshalve vast dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM in eerste aanleg in aanzienlijke mate is overschreden. De verdachte is op 20 februari 2020 in verzekering gesteld, terwijl het vonnis pas op 12 juni 2024 is gewezen. Zonder die overschrijding zou het hof voor feit 2 een gevangenisstraf van 14 dagen hebben opgelegd. Vanwege de schending matigt het hof deze straf tot 7 dagen, met aftrek van voorarrest. Op grond van artikel 423 lid 4 Sv bepaalt het hof afzonderlijk de hoofdstraf voor het in eerste aanleg onder 1 bewezenverklaarde feit van computervredebreuk op een gevangenisstraf van 14 dagen, met aftrek van voorarrest. Een voorwaardelijke component wordt, mede gelet op het tijdsverloop en de psychische problematiek, niet opgelegd. Met betrekking tot het in beslag genomen geldbedrag van € 4.215 gelast het hof teruggave aan de verdachte.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^