Geen redelijk vermoeden van verschoningsgerechtigde gegevens: hulpverleningsrelatie met advocaat niet doorslaggevend en stelling over gegevens administratiekantoor onvoldoende concreet

Rechtbank Rotterdam (rechter-commissaris) 20 maart 2026, ECLI:NL:RBROT:2026:3040

De rechter-commissaris van de rechtbank Rotterdam oordeelt dat administratieve en boekhoudkundige gegevens van een bedrijf niet hoeven te worden gefilterd op verschoningsgerechtigd materiaal. In een FIOD-onderzoek is de beschikking verkregen over digitale auditfiles, een SQL-database en gegevens van drie externe partijen. De verdediging betoogt dat deze gegevens verschoningsgerechtigd materiaal kunnen bevatten, omdat daaruit betalingen aan advocaten en notarissen kunnen blijken. De rechter-commissaris oordeelt dat administratiegegevens bedoeld voor intern gebruik geen potentieel verschoningsgerechtigd materiaal vormen, ook niet als daaruit een hulpverleningsrelatie met een verschoningsgerechtigde kan worden afgeleid. De enkele stelling dat verschoningsgerechtigd materiaal aanwezig kan zijn, is onvoldoende concreet om een redelijk vermoeden te vestigen. De FIOD mag de gegevens onderzoeken zonder voorafgaande filtering.

Inleiding en context

Deze beslissing betreft een geschil tussen het Openbaar Ministerie en de verdediging over de vraag of inbeslaggenomen en door derden verstrekte gegevens moeten worden gefilterd op de aanwezigheid van verschoningsgerechtigd materiaal. De zaak speelt in het kader van een FIOD-onderzoek dat zich richt tegen vier verdachten: drie natuurlijke personen en een rechtspersoon. Het onderzoeksteam van de FIOD heeft op verschillende wijzen de beschikking gekregen over bestanden en gegevens die betrekking hebben op de verdachte rechtspersoon. Het betreft digitale auditfiles uit de Exact-administratie van de rechtspersoon, een SQL-database verstrekt door een externe partij, en gegevens verstrekt door twee andere externe partijen na vorderingen tot het verstrekken van historische gegevens. Geen van deze gegevens is tot op heden door het onderzoeksteam onderzocht. De processuele context is die van een vordering ex artikel 181 van het Wetboek van Strafvordering, waarbij de rechter-commissaris oordeelt over de noodzaak van filtering. Voorafgaand aan de beslissing vindt op 28 januari 2026 een regiebijeenkomst plaats, waarna partijen hun standpunten nader schriftelijk toelichten.

Tenlastelegging en wettelijk kader

De onderliggende strafzaak en de specifieke tenlastelegging komen in deze beslissing niet aan de orde. De beslissing ziet uitsluitend op de procedurele vraag of een redelijk vermoeden bestaat dat de verkregen gegevens verschoningsgerechtigd materiaal bevatten en of filtering daarom geboden is. Het wettelijk kader wordt gevormd door artikel 98 van het Wetboek van Strafvordering, dat een regeling bevat die ertoe strekt dat bij inbeslagneming het functioneel verschoningsrecht wordt gerespecteerd. De rechter-commissaris betrekt hierbij de jurisprudentie van de Hoge Raad over de reikwijdte van het verschoningsrecht van advocaten en notarissen, waaronder het arrest van 10 april 2018 (ECLI:NL:HR:2018:553), het arrest van 20 september 2011 (ECLI:NL:HR:2011:BP6016) en de uitspraak van 19 september 2023 (ECLI:NL:HR:2023:1268) over de zoektermenlijst.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat ten aanzien van de betreffende gegevens geen redelijk vermoeden van aanwezigheid van verschoningsgerechtigd materiaal bestaat. Zij vordert dat de rechter-commissaris hierover een beslissing neemt. De officier van justitie licht in een memo van 28 oktober 2025 toe waarom filtering niet nodig is. Desgevraagd verstrekt zij voorbeelden van auditfile-output en een voorbeeld van een Excel-bestand waarin auditfiles worden omgezet, alsmede een toelichting op de werking en inhoud van een SQL-database. Ten aanzien van de door een van de externe partijen verstrekte gegevens overlegt de officier van justitie na de regiebijeenkomst een stuk waaruit blijkt welke concrete gegevens zijn verstrekt, te weten een opzeggingsmail, een factuurherinnering, aangiften vennootschapsbelasting over de jaren 2017 tot en met 2019 en uittreksels van de Kamer van Koophandel.

Standpunt van de verdediging

De verdediging voert aan dat wel degelijk een redelijk vermoeden bestaat dat de gegevens verschoningsgerechtigd materiaal bevatten. Ten aanzien van de auditfiles en de SQL-database betoogt de verdediging dat grootboekmutaties alle transacties bevatten die worden verricht vanaf de bankrekening, waaronder betalingen van declaraties van advocaten. Uit deze betalingen kan worden opgemaakt tot welke advocatenkantoren, met welke specifieke expertises, de verdachten zich hebben gewend. De verdediging beroept zich op het arrest van de Hoge Raad van 10 april 2018, waarin is bepaald dat gegevens waaruit het bestaan van een hulpverleningsrelatie met een verschoningsgerechtigde valt af te leiden, onder het verschoningsrecht kunnen vallen. Ten aanzien van de gegevens verstrekt door het administratiekantoor stelt de verdediging dat dit kantoor betrokken is bij de administratie en boekhouding van de verdachte rechtspersoon en dat de verstrekte stukken declaraties, urenspecificaties, bankafschriften, grootboekrekeningen en crediteurenlijsten kunnen bevatten. De verdediging betoogt dat het verzoek van de FIOD aan het administratiekantoor om geen verschoningsgerechtigd materiaal te verstrekken een onvoldoende waarborg vormt, nu de beoordeling of informatie onder het verschoningsrecht valt een zorgvuldige juridische afweging vergt die aan de verschoningsgerechtigde zelf toekomt en niet aan een administratiekantoor. De rechter-commissaris heeft de verdediging bij de regiebijeenkomst in de gelegenheid gesteld om deze stellingen concreet te onderbouwen, desgewenst buiten aanwezigheid van de officier van justitie. De verdediging heeft van die gelegenheid geen gebruik gemaakt.

Oordeel van het gerecht

De rechter-commissaris stelt voorop dat aan het verschoningsrecht ten grondslag ligt dat het maatschappelijk belang dat de waarheid aan het licht komt, moet wijken voor het belang dat eenieder zich vrijelijk tot een verschoningsgerechtigde moet kunnen wenden. Een redelijk vermoeden van aanwezigheid van verschoningsgerechtigd materiaal vergt een beoordeling van het concrete geval, waarbij de aard van de gegevens en de omstandigheid dat een verdachte door een advocaat wordt bijgestaan relevant kunnen zijn, maar op zichzelf onvoldoende zijn.

Ten aanzien van de auditfiles en de SQL-database oordeelt de rechter-commissaris dat het administratieve en boekhoudkundige gegevens betreft, bedoeld voor intern gebruik van het bedrijf. Het zijn geen gegevens die in beslag zijn genomen bij een verschoningsgerechtigde, stukken die zijn opgemaakt door een verschoningsgerechtigde of communicatie van, met of bestemd voor een verschoningsgerechtigde. Dat in de administratie betalingen aan een verschoningsgerechtigde zijn vastgelegd, maakt de vastlegging van die betalingen niet op zichzelf verschoningsgerechtigd. De vastlegging is geen onderdeel van het vertrouwelijke verkeer tussen client en verschoningsgerechtigde. Dat kan anders zijn bij een declaratie, maar van de auditfiles noch de SQL-database maken onderliggende declaraties deel uit. De rechter-commissaris overweegt dat het arrest van de Hoge Raad van 10 april 2018 niet tot een ander oordeel leidt. Die uitspraak had betrekking op camerabeelden van een ziekenhuis met een afgeleid verschoningsrecht. Dat uit gegevens een hulpverleningsrelatie kan blijken, is niet steeds van doorslaggevende betekenis voor het oordeel dat die gegevens als verschoningsgerechtigd moeten worden beschouwd.

Ten aanzien van de door het administratiekantoor verstrekte gegevens oordeelt de rechter-commissaris dat de stelling dat verschoningsgerechtigd materiaal aanwezig kan zijn, onvoldoende concreet is voor een redelijk vermoeden. De verdediging heeft nagelaten de door de rechter-commissaris geboden gelegenheid tot nadere onderbouwing te benutten.

Ten aanzien van de door de derde externe partij verstrekte gegevens oordeelt de rechter-commissaris dat de concrete aard van de verstrekte stukken, te weten een opzeggingsmail, een factuurherinnering, belastingaangiften en KvK-uittreksels, niet het karakter heeft van gegevens die bij, door of voor een verschoningsgerechtigde zijn opgemaakt of verstrekt.

Bewezenverklaring

Dit onderdeel is niet van toepassing. De beslissing betreft geen inhoudelijke beoordeling van een tenlastelegging, maar een procedurele beslissing van de rechter-commissaris over de vraag of inbeslaggenomen en verstrekte gegevens moeten worden gefilterd op verschoningsgerechtigd materiaal.

Strafoplegging en maatregelen

Dit onderdeel is niet van toepassing. De rechter-commissaris beslist dat niet wordt overgegaan tot het filteren op verschoningsgerechtigd materiaal in de digitale auditfiles van de Exact-administratie van de verdachte rechtspersoon, de SQL-database, de door het administratiekantoor verstrekte gegevens en de door de derde externe partij verstrekte gegevens. Dit heeft tot gevolg dat de FIOD onderzoek kan doen in al deze gegevens.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^