Hof beveelt vervolging oud-burgemeester voor valsheid in geschrift na antedatering machtiging tot binnentreden

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 27 maart 2026, ECLI:NL:GHARL:2026:1843

Het Gerechtshof beveelt in een artikel 12 Sv-procedure de strafrechtelijke vervolging van een voormalig waarnemend burgemeester wegens valsheid in geschrift. De zaak draait om een machtiging tot binnentreden die achteraf is opgemaakt en geantedateerd in het kader van een bestuursrechtelijke controle op een bedrijventerrein. De klager ontdekte tijdens een bezwaarprocedure dat er een tweede machtiging bestond met afwijkende inhoud maar dezelfde datum. De beklaagde verklaart in raadkamer dat de tweede machtiging zonder zijn toestemming is ondertekend met zijn digitale of stempelhandtekening. Het hof oordeelt dat het antedateren van een machtiging tot binnentreden niet als administratieve onzorgvuldigheid kan worden afgedaan, gelet op de ernstige inbreuk die binnentreden maakt op het huisrecht. Het hof gelast naast de vervolging ook nader onderzoek, waaronder forensisch handtekeningenonderzoek en het horen van twee gemeenteambtenaren als getuige.

Inleiding en context

Deze zaak betreft een beklagprocedure op grond van artikel 12 van het Wetboek van Strafvordering, aangespannen door een klager tegen de beslissing van de officier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Nederland om geen strafvervolging in te stellen. Het beklag richt zich primair tegen een voormalig waarnemend burgemeester, in verband met vermeende valsheid in geschrift bij het opmaken van een machtiging tot binnentreden. Daarnaast richt het beklag zich tegen medewerkers en ambtenaren van de gemeente.

De klager woont samen met zijn gezin in een bedrijfspand met woning op een bedrijventerrein. Op 17 mei 2022 vindt op dat terrein een bestuursrechtelijke controle plaats in het kader van het thema ondermijning, gericht op drugsgerelateerde activiteiten en illegale bewoning. Tijdens deze controle worden meerdere panden bezocht, waaronder het pand waarin de klager woont. Aan de klager wordt een machtiging tot binnentreden getoond, gedagtekend op 16 mei 2022 en ondertekend door de beklaagde. Op deze machtiging is het doel van het binnentreden niet ingevuld en is een andere buitengewoon opsporingsambtenaar gemachtigd dan degenen die daadwerkelijk binnentreden.

Tijdens een later gestarte bezwaarschriftprocedure ontdekt de klager het bestaan van een tweede machtiging tot binnentreden, eveneens gedateerd op 16 mei 2022. Op deze tweede machtiging is wel een doel vermeld en is een andere persoon gemachtigd om binnen te treden. Ook deze machtiging draagt de handtekening van de beklaagde. De klager doet op 9 augustus 2023 aangifte van valsheid in geschrift, huisvredebreuk en discriminatie. Op 23 augustus 2024 dient hij een klaagschrift in bij het hof, met een aanvulling op 27 augustus 2025.

Het beklag en wettelijk kader

De klager beklaagt zich over de sepotbeslissing van de officier van justitie en verzoekt het hof de vervolging te bevelen van de oud-burgemeester en de betrokken gemeenteambtenaren. Het beklag heeft betrekking op drie strafbare feiten: valsheid in geschrift als bedoeld in artikel 225 van het Wetboek van Strafrecht, huisvredebreuk en discriminatie.

Het kernverwijt betreft de valsheid in geschrift. De klager stelt dat de tweede machtiging tot binnentreden achteraf is opgemaakt en valselijk is gedateerd op 16 mei 2022, terwijl deze in werkelijkheid op of na 17 mei 2022 is opgesteld. De klager heeft een reproductie van de handtekening op de tweede machtiging voorgelegd aan een handschriftdeskundige. Deze deskundige concludeert dat de bevindingen zeer veel waarschijnlijker zijn wanneer de handtekening authentiek en met de hand gezet is, dan wanneer het om een stempelafdruk gaat.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie deelt de klager bij brief van 2 oktober 2023 mee dat van huisvredebreuk en discriminatie geen sprake is geweest. Ten aanzien van valsheid in geschrift verzoekt de officier de klager om nadere onderbouwing. Na ontvangst daarvan oordeelt de officier bij brief van 10 maart 2024 dat de nadere onderbouwing niets verandert aan het eerdere oordeel. Volgens de officier is bij de onzorgvuldigheden ten aanzien van de machtiging hooguit sprake geweest van gemakzucht of ondeskundigheid, die niet langs strafrechtelijke lijnen onderzocht en beoordeeld dient te worden. De officier wijst erop dat de bestuursrechtelijke bezwaarprocedure het geeigende middel was en dat de gegrondverklaring van de bezwaren op zichzelf niet tot een strafrechtelijke veroordeling hoeft te leiden.

De advocaat-generaal concludeert bij het hof, in overeenstemming met het schriftelijk verslag, tot ongegrondverklaring van de klacht.

Standpunt van de beklaagde

De beklaagde verschijnt ter zitting van 6 februari 2026 in raadkamer en legt een verklaring af. Hij heeft voorafgaand aan de behandeling een schriftelijk standpunt ingediend, gedateerd 31 december 2025.

De beklaagde verklaart dat hij op maandag 16 mei 2022 persoonlijk alle machtigingen tot binnentreden heeft getekend voor de controleactie die de volgende dag zou plaatsvinden. Volgens de beklaagde betreft dit een natte handtekening. Later die week verneemt hij van het hoofd van de afdeling handhaving en een ambtenaar openbare orde en veiligheid dat de machtiging tot binnentreden van de woning van de klager niet correct was en dat daarom een nieuwe machtiging is opgemaakt. Voor het ondertekenen van die tweede machtiging is de digitale handtekening of de stempelhandtekening van de beklaagde gebruikt, zonder dat hij daarvoor toestemming had gegeven. De beklaagde vermoedt dat de tweede machtiging op 17 mei 2022 is opgemaakt, toen tijdens de controleactie bleek dat de eerste machtiging niet correct was ingevuld. Hij beschouwt de tweede machtiging als een reparatiemachtiging en betreurt dat deze ook op 16 mei 2022 is gedateerd, omdat dat onjuist is.

Oordeel van het hof

Het hof beoordeelt de drie onderdelen van het beklag afzonderlijk.

Ten aanzien van discriminatie oordeelt het hof dat het klaagschrift geen enkel aanknopingspunt biedt voor een redelijk vermoeden dat de beklaagde of de overige beklaagden zich schuldig hebben gemaakt aan strafbare discriminatie. Het beklag is op dit onderdeel ongegrond.

Ten aanzien van huisvredebreuk oordeelt het hof dat strafrechtelijke vervolging niet opportuun is. Het binnentreden geschiedt door buitengewoon opsporingsambtenaren die op basis van een schriftelijke machtiging binnentreden. De onvolkomenheden in de eerste machtiging doen volgens het hof aan de rechtmatige intentie op het moment van binnentreden niet af. De klager heeft een bestuursrechtelijke procedure doorlopen waarin zijn klachten op dit punt reeds zijn getoetst. Het hof oordeelt dat, voor zover al sprake zou zijn van het begaan van deze feiten, toepassing van het strafrecht geen toegevoegde waarde meer heeft.

Ten aanzien van valsheid in geschrift komt het hof tot een ander oordeel dan het Openbaar Ministerie. Gelet op de verklaring van de beklaagde in raadkamer gaat het hof ervan uit dat de handtekening op de tweede machtiging is geplaatst na 16 mei 2022 en dat de machtiging dus is geantedateerd. Het hof oordeelt dat dit een omstandigheid is die een verdenking van een strafbaar feit oplevert.

Anders dan het Openbaar Ministerie, is het hof van oordeel dat dit gegeven niet kan worden afgedaan als slechts een administratieve onzorgvuldigheid. Het hof overweegt daartoe dat met het binnentreden in een woning in ernstige mate inbreuk wordt gemaakt op het huisrecht en de persoonlijke levenssfeer van de klager en zijn gezinsleden. Van door ambtenaren opgemaakte processen-verbaal betreffende door hen verrichte ambtshandelingen en de in verband daarmee opgemaakte bescheiden, zoals de onderhavige machtigingen, mag worden verwacht dat die naar waarheid zijn opgemaakt en met alle waarborgen zijn omkleed. Bij de beoordeling daarvan door anderen, waaronder rechterlijke instanties, moet men erop kunnen vertrouwen dat de daartoe opgemaakte documenten aan alle wettelijke vereisten voldoen.

Het hof kent waarde toe aan de bevindingen van de door de klager geraadpleegde handschriftdeskundige en oordeelt dat er sprake is van een redelijk vermoeden van schuld ter zake van valsheid in geschrift ten aanzien van de beklaagde. Ten aanzien van de overige beklaagden ziet het hof geen aanleiding het beklag gegrond te verklaren, nu er geen aanwijzingen bestaan dat de handtekening op de tweede machtiging door een van hen is geplaatst.

Beslissing

Het hof wijst het beklag af ten aanzien van de overige beklaagden. Eveneens wijst het hof het beklag af ten aanzien van de oud-burgemeester voor zover dit betrekking heeft op huisvredebreuk en discriminatie.

Het hof beveelt dat door de officier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Nederland een strafvervolging tegen de beklaagde zal worden ingesteld ter zake van het misdrijf omschreven in artikel 225 van het Wetboek van Strafrecht. Het hof gelast daarnaast dat de officier van justitie een vordering als bedoeld in artikel 181 van het Wetboek van Strafvordering zal doen om nader onderzoek te laten verrichten. Dit onderzoek dient mede te bestaan uit het horen als getuige van het hoofd van de afdeling handhaving van de gemeente en de ambtenaar openbare orde en veiligheid. Tevens gelast het hof forensisch onderzoek naar de handtekening onder de tweede machtiging.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^