FCPA-zaak Smartmatic: DOJ pareert beschuldiging van 'vindictive prosecution' met verwijzing naar mislukte schikkingsonderhandelingen
/Op 24 maart 2026 heeft het Amerikaanse Department of Justice (DOJ) bij de federale rechtbank in Miami gereageerd op de motie van Smartmatic om de strafzaak wegens omkoping en witwassen te seponeren. De aanklagers stellen dat het verweer van het Britse moederbedrijf SGO Corporation Limited, dat spreekt van een politiek gemotiveerde vervolging door de Trump-regering, berust op een "fundamentally flawed premise." Een centraal element in de reactie van het DOJ is de stelling dat Smartmatic vóór de tenlastelegging een schikkingsvoorstel (plea deal) is aangeboden, maar dat het bedrijf dit heeft afgewezen. Daarmee vervalt volgens het DOJ de grondslag voor het argument dat de vervolging uitsluitend politiek gemotiveerd zou zijn. De zaak raakt aan kernvragen over de onafhankelijkheid van het Amerikaanse Openbaar Ministerie, de toekomst van FCPA-handhaving en de grenzen van prosecutorial discretion.
De oorsprong van de zaak: omkoping bij Filipijnse verkiezingen
Het onderzoek naar Smartmatic dateert van 2017 en richt zich op betalingen die tussen 2015 en 2018 zouden zijn gedaan aan de toenmalige voorzitter van de Filipijnse kiescommissie COMELEC. Volgens het DOJ werden ten minste 1 miljoen dollar aan steekpenningen betaald om contracten ter waarde van circa 182 miljoen dollar veilig te stellen voor het leveren van stemmachines voor de Filipijnse verkiezingen van 2016. De steekpenningen zouden zijn verhuld via gefingeerde contracten, schijnleningen en shell companies, gefinancierd uit een zogenaamd slush fund dat was gevuld door het opblazen van facturen voor stemmachines.
In augustus 2024, onder de regering-Biden, werden drie voormalige leidinggevenden van Smartmatic en de voormalige COMELEC-voorzitter strafrechtelijk vervolgd. Het moederbedrijf SGO Corporation Limited werd op dat moment niet in de tenlastelegging betrokken.
De superseding indictment van oktober 2025
In oktober 2025 volgde een zogenoemde superseding indictment, waarmee het DOJ het Britse moederbedrijf SGO Corporation Limited alsnog toevoegde als medeverdachte. SGO wordt beschuldigd van samenzwering tot overtreding van de antiomkopingsbepalingen van de Foreign Corrupt Practices Act (FCPA), samenzwering tot witwassen en witwassen. Het bedrijf heeft ontkend en pleit niet schuldig.
Wat deze stap opmerkelijk maakt, is dat het de eerste keer in vijftien jaar was dat het DOJ een bedrijf strafrechtelijk vervolgde via een indictment onder de FCPA. Sinds 2010 waren alle corporate FCPA-zaken afgedaan via plea agreements, deferred prosecution agreements (DPA's), non-prosecution agreements (NPA's) of declinations. Daarmee wijkt de vervolging van Smartmatic af van een jarenlange praktijk.
De FCPA-pauze en het gewijzigde handhavingsbeleid
De timing van de vervolging staat niet op zichzelf. Op 10 februari 2025 tekende president Trump Executive Order 14209, die de meeste lopende FCPA-onderzoeken tijdelijk stillegde en het DOJ opdracht gaf het handhavingsbeleid te herzien. In de maanden daarna werden tientallen lopende FCPA-zaken tegen bedrijven stopgezet of gereduceerd. Het DOJ formuleerde nieuwe prioriteiten: FCPA-handhaving zou zich voortaan moeten richten op zaken die raken aan nationale veiligheid, kritieke infrastructuur of georganiseerde misdaad.
Tegen die achtergrond was de beslissing om juist Smartmatic, een bedrijf dat geen van die criteria lijkt te raken, als eerste in vijftien jaar strafrechtelijk te vervolgen via een corporate indictment, voor veel FCPA-deskundigen lastig te plaatsen.
Smartmatics verweer: vindictive en selective prosecution
Op 10 maart 2026 diende SGO Corporation een motie tot afwijzing van de tenlastelegging in bij de U.S. District Court for the Southern District of Florida (zaak nr. 1:24-cr-20343-KMW). Het bedrijf stelt dat de vervolging een vorm is van vindictive en selective prosecution, in strijd met het due process-beginsel uit de Amerikaanse Grondwet.
Smartmatic voert aan dat de vervolging niet kan worden losgezien van de bredere politieke context. Het bedrijf was na de Amerikaanse presidentsverkiezingen van 2020 het doelwit geworden van ongefundeerde beschuldigingen dat het de uitslag zou hebben gemanipuleerd, verspreid door aanhangers van president Trump. Smartmatic heeft in reactie daarop civiele smaadzaken aangespannen tegen onder meer Fox News (vordering van 2,7 miljard dollar), Newsmax, Rudy Giuliani, Sidney Powell, Michael Lindell en Jeanine Pirro, de huidige U.S. Attorney voor het District of Columbia.
In zijn motie betoogt Smartmatic dat de beslissing om het bedrijf alsnog te vervolgen slechts te begrijpen is in de context van wat het omschrijft als een systematische campagne van vergelding tegen politieke tegenstanders. Het bedrijf wijst erop dat het DOJ onder de nieuwe regering juist afstand nam van FCPA-handhaving, maar voor Smartmatic een uitzondering maakte. Verder stelt het bedrijf dat de tenlastelegging direct ten goede komt aan Fox News en andere gedaagden in de smaadzaken, die de strafzaak inmiddels hebben aangegrepen om uitstel van de civiele procedure te bepleiten.
Smartmatic trekt in de motie een parallel met de zaak van Kilmar Abrego Garcia, waarin een rechter oordeelde dat er sprake was van een "realistic likelihood of vindictiveness" op basis van de timing van de vervolging. Het bedrijf vraagt de rechter primair om de tenlastelegging nietig te verklaren, en subsidiair om een zitting te gelasten waarin het DOJ verantwoording moet afleggen over de achtergronden van de vervolgingsbeslissing.
De reactie van het DOJ: afgewezen plea deal als sleutelargument
In de reactie van 24 maart 2026 verwerpt het DOJ het verweer. Volgens het MLex-verslag stellen de aanklagers dat Smartmatics motie berust op een "fundamentally flawed premise" en op aannames zonder feitelijke grondslag.
Een centraal punt in het verweer van het DOJ is dat het bedrijf vóór de indictment de mogelijkheid is geboden om een schikking te treffen, maar dat Smartmatic dit voorstel heeft afgewezen. Dit sluit aan bij eerdere berichtgeving van Bloomberg Law uit november 2025, waaruit bleek dat het DOJ in de zomer van 2025 de onderhandelingen heropende, een guilty plea en een boete als voorwaarden stelde, en dat Smartmatic daarop een DPA aanbood op voorwaarde dat de vervolging van de individuele verdachten zou worden gestaakt, wat voor het DOJ onbespreekbaar was. Kort nadat Miami's U.S. Attorney Jason Reding Quiñones de onderhandelingen beëindigde, volgde de superseding indictment.
Het DOJ betoogt hiermee dat de indictment het logische gevolg was van het mislukken van de schikkingsonderhandelingen, niet van politieke willekeur.
Bredere context: de FCPA-handhaving onder druk
De Smartmatic-zaak staat niet op zichzelf in het debat over de FCPA-handhaving onder de huidige regering. De tijdelijke pauze van februari 2025, gevolgd door het stopzetten van meerdere lopende onderzoeken en het formuleren van strengere prioriteringscriteria, heeft in de compliance-gemeenschap vragen opgeroepen over de voorspelbaarheid van het handhavingsbeleid.
Verschillende commentatoren, onder wie FCPA-experts en advocatenkantoren, hebben gewezen op de spanning tussen de terughoudende lijn ten aanzien van FCPA-handhaving in het algemeen en de ongebruikelijk vergaande stap om Smartmatic via een indictment te vervolgen. Tegelijkertijd benadrukken anderen dat het DOJ aanvoert dat carrièreprokureurs, niet politieke functionarissen, achter de vervolgingsbeslissing staan, en dat het bedrijf onvoldoende medewerking zou hebben verleend.
De verweren van vindictive en selective prosecution zijn historisch gezien zelden succesvol, maar hebben in recente zaken aan momentum gewonnen. Naast Smartmatic hebben onder meer voormalig FBI-directeur James Comey en de New Yorkse procureur-generaal Letitia James vergelijkbare verweren gevoerd.
Afsluiting
De federale rechter in Miami staat nu voor de vraag of Smartmatic voldoende grond heeft aangetoond voor nader onderzoek naar de motieven achter de vervolgingsbeslissing, of dat het verweer van het DOJ, dat het bedrijf zelf een schikking heeft afgewezen, die claim voldoende ontkracht. De uitkomst zal niet alleen bepalend zijn voor deze specifieke zaak, maar ook voor de bredere discussie over de onafhankelijkheid van FCPA-handhaving en de grenzen van prosecutorial discretion in een gepolitiseerd klimaat. Een zitting is nog niet gepland. De zaak staat vooralsnog geagendeerd voor 2027.
