EHRM: Mag je weigeren om de toegangscode van je smartphone aan de politie te geven?

Mag je weigeren om de pincode van je smartphone aan de politie te geven? In de zaak Minteh tegen Frankrijk legde de verzoeker die vraag voor aan het Europees Hof voor de Rechten van de Mens. Het Hof verklaarde zijn klacht op 19 mei 2026 niet-ontvankelijk en oordeelde dat de strafrechtelijke veroordeling voor die weigering het verbod op zelfincriminatie niet raakt.

De aanleiding is een verkeerscontrole. Een man wordt zonder gordel achter het stuur staande gehouden, waarna de politie € 6.680 contant geld met sporen van cocaïne en cannabis, een plak cannabishars en een mobiele telefoon aantreft. Een doorzoeking van zijn woning levert nog drie telefoons, een tablet en € 3.780 op. Tijdens zijn garde à vue, de Franse vorm van politiebewaring, beroept hij zich op zijn zwijgrecht en weigert hij de pincodes van zijn telefoons te geven, ook nadat hem is meegedeeld dat die weigering een afzonderlijk strafbaar feit oplevert. Hij wordt veroordeeld voor drugsdelicten en, op grond van artikel 434-15-2 van de Franse Code pénal, voor het weigeren om de geheime sleutel af te geven waarmee de versleutelde gegevens op zijn telefoons leesbaar gemaakt kunnen worden.

Bij het EHRM beriep de verzoeker zich op artikel 6 lid 1 en artikel 8 EVRM. De kern ligt bij de vraag of het verbod op gedwongen zelfincriminatie van toepassing is op gegevens die zich bevinden op een telefoon die al in beslag is genomen.

De feiten en het verhoor

De controle vond plaats op 17 november 2017. Naast het contante geld met drugssporen en de cannabishars in de auto werd ook een telefoon in beslag genomen. Bij de daaropvolgende doorzoeking van de woning troffen de onderzoekers drie verdere telefoons, een tablet en coupons van sportweddenschappen aan. De verzoeker werd in politiebewaring geplaatst.

Bij het verhoor van 18 november 2017 deelde de officier van gerechtelijke politie hem mee dat zijn advocaat hem niet wenste bij te staan. De verzoeker beriep zich daarop op zijn zwijgrecht en weigerde de pincodes van zijn telefoons te verstrekken. Uit het proces-verbaal blijkt dat hem uitdrukkelijk is voorgehouden dat het weigeren van de telefooncodes een bijkomend strafbaar feit oplevert, en dat hij zijn verklaring na die mededeling handhaafde. De onderzoekers zagen er vervolgens van af om langs technische weg toegang tot de gegevens te verkrijgen.

De strafprocedure in Frankrijk

Op 21 november 2017 werd de verzoeker voorgeleid aan de procureur de la République (de officier van justitie) bij de rechtbank van Créteil. Hem werd ten laste gelegd dat hij in staat van wettelijke recidive verdovende middelen had vervoerd, in bezit had gehad, had aangeboden of overgedragen en had verworven, en daarnaast dat hij had geweigerd de geheime sleutel af te geven of in werking te stellen waarmee de versleutelde gegevens op zijn telefoons leesbaar gemaakt konden worden. Tijdens de behandeling bij de correctionele rechtbank wierp zijn advocaat een prioritaire grondwettigheidsvraag (question prioritaire de constitutionnalité, QPC) op over de verenigbaarheid van artikel 434-15-2 Code pénal met onder meer het recht op een eerlijk proces, de onschuldpresumptie en het recht op eerbiediging van het privéleven. De zaak werd aangehouden en de vraag doorgezonden naar de Constitutionele Raad.

Bij beslissing nr. 2018-696 QPC van 30 maart 2018 verklaarde de Constitutionele Raad de bepaling in overeenstemming met de Grondwet. De Raad overwoog dat de verplichting niet strekt tot het verkrijgen van bekentenissen en geen vermoeden van schuld inhoudt, dat zij uitsluitend de ontcijfering van gegevens mogelijk maakt, en dat die gegevens reeds op een gegevensdrager zijn vastgelegd en dus onafhankelijk van de wil van de betrokkene bestaan.

Bij vonnis van 7 juni 2018 verklaarde de correctionele rechtbank de verzoeker schuldig aan alle ten laste gelegde feiten, in staat van wettelijke recidive, en veroordeelde hem tot zes jaar gevangenisstraf met een bevel tot gevangenneming en een veiligheidsperiode van twee derde, de periode waarin de straf niet kan worden aangepast. In de motivering van het vonnis betrok de rechtbank ook het stilzwijgen van de verdachte. Bij arrest van 7 november 2018 bevestigde het hof van beroep te Parijs de schuld voor de drugsdelicten en voor de weigering om de pincodes te geven, maar nam het voor dat laatste feit geen wettelijke recidive aan. Het hof beperkte de straf tot vier jaar gevangenisstraf met een bevel tot gevangenneming en legde als bijkomende straf een verbod op om drie jaar in het departement Val-de-Marne te verschijnen, alsmede de verbeurdverklaring van de in beslag genomen voorwerpen. Het hof overwoog dat de gegevens in de telefoons met technische middelen konden worden verkregen en dus niet uitsluitend van de wil van de verdachte afhingen. De Cour de cassation verwierp het cassatieberoep op 10 december 2019, met de overweging dat het recht om zichzelf niet te belasten zich niet uitstrekt tot gegevens die met dwangmiddelen van de betrokkene kunnen worden verkregen, maar onafhankelijk van diens wil bestaan.

De grieven en de standpunten van partijen

Onder artikel 6 lid 1 EVRM stelde de verzoeker dat zijn veroordeling voor het weigeren van de pincodes zijn zwijgrecht en het verbod om aan zijn eigen veroordeling bij te dragen schond. Hij voerde aan dat de strafbedreiging van artikel 434-15-2 Code pénal, gebruikt tijdens een verhoor zonder advocaat, een vorm van dwang vormde, en dat de gegevens op een telefoon niet onafhankelijk van zijn wil bestaan omdat alleen hij die kon ontsleutelen. Onder artikel 8 EVRM betoogde hij dat de bepaling de begrippen cryptologie en geheime sleutel onvoldoende nauwkeurig omschrijft en onvoldoende waarborgen biedt voor de bescherming van de gegevens op de telefoons.

De Franse regering bestreed dat buiten de politiebewaring zelf enige dwang was uitgeoefend, en stelde dat de gegevens op een telefoon onafhankelijk van de wil van de betrokkene bestaan en via een informatica-onderzoek toegankelijk zijn. De niet-gouvernementele organisatie Fair Trials, door de voorzitter van de sectie als derde-interveniënt toegelaten, voerde een rechtsvergelijkend overzicht aan en stelde dat de bescherming tegen zelfincriminatie ziet op de toegangscode, die naar haar opvatting niet onafhankelijk van de wil van de verdachte bestaat.

Het zwijgrecht en artikel 434-15-2 Code pénal

Het Hof stelde voorop dat artikel 434-15-2 Code pénal niet strekt tot het verkrijgen van bekentenissen en geen vermoeden van schuld inhoudt. De bepaling maakt uitsluitend de ontcijfering van gegevens mogelijk, om zo strafbare feiten te voorkomen en de daders ervan te identificeren. Het Hof wees erop dat de toepassing met meerdere waarborgen is omkleed: de tussenkomst van een gerechtelijke autoriteit, de mededeling aan de betrokkene dat zijn weigering tot vervolging kan leiden, de aangetoonde betrokkenheid van het apparaat bij het strafbare feit en de kennis bij de betrokkene van de geheime sleutel. Op grond daarvan zag het Hof geen schijn van schending van het zwijgrecht.

Het verbod op zelfincriminatie: de toets uit De Legé

Voor de beoordeling van het verbod op zelfincriminatie hanteerde het Hof de voorwaarden uit het arrest De Legé tegen Nederland van 4 oktober 2022. Het stelde eerst vast dat de verzoeker wel degelijk dwang had ondergaan. Toen de onderzoeker hem vroeg de pincodes te verstrekken en hem daarbij voorhield dat een weigering hem aan vervolging voor een nieuw strafbaar feit zou blootstellen, was sprake van een indirecte dwangmaatregel die verder ging dan de politiebewaring zelf. Daarnaast liep er tegen hem een strafvervolging die onder het strafrechtelijke luik van artikel 6 valt.

Vervolgens onderzocht het Hof welke gegevens de politie met die dwang beoogde te verkrijgen. Het oordeelde dat de grief niet ziet op de geheime sleutel als zodanig, maar op de gegevens in de telefoons, omdat de verplichting tot afgifte uitsluitend tot doel heeft uiteindelijk toegang tot die gegevens te krijgen en daarin naar bewijs te zoeken. Op dit punt week het Hof af van het standpunt van Fair Trials, die de toegangscode centraal stelde, en sloot het zich aan bij de partijen en de nationale rechters.

Het Hof stelde vast dat de nationale rechters eensluidend hadden geoordeeld dat die gegevens onafhankelijk van de wil van de verzoeker bestonden, omdat zij met andere technische middelen konden worden verkregen, en dat de Constitutionele Raad had overwogen dat de gegevens reeds op een gegevensdrager waren vastgelegd. Het Hof zag geen reden om daarvan af te wijken. Anders dan in zaken als J.B. tegen Zwitserland, Funke tegen Frankrijk, De Legé en Heaney en McGuinness, waarin de autoriteiten de gevraagde informatie niet bezaten en geen andere keuze hadden dan deze met dwangmiddelen van de betrokkene te verlangen, waren de telefoons hier bij de fouillering van de auto en bij de huiszoeking al in beslag genomen en dus reeds in handen van de autoriteiten. De verzoeker was daardoor niet langer de enige die toegang tot de gegevens kon verschaffen, aangezien technische procedés, bijvoorbeeld in het kader van een deskundigenonderzoek, de autoriteiten in staat hadden kunnen stellen zijn weigering te omzeilen. Dat de onderzoekers daar in dit geval van afzagen omdat zij al voldoende bewijs hadden, en dat de verzoeker de telefoons zelf had aangeschaft en daarop applicaties had geïnstalleerd of foto's had gemaakt, deed daaraan volgens het Hof niet af.

Het Hof concludeerde dat de gegevens op de telefoons onafhankelijk van de wil van de verzoeker bestonden. Het verbod op zelfincriminatie is daarop niet van toepassing, zodat de vraag of de procedure dat recht in de kern had aangetast onbeantwoord kon blijven. Deze grief werd kennelijk ongegrond verklaard op grond van artikel 35 leden 3 sub a en 4 EVRM.

De privacyklacht onder artikel 8 EVRM

De regering wierp tegen dat de verzoeker deze grief niet aan de nationale rechters had voorgelegd. Het Hof herhaalde dat de regel van de uitputting van nationale rechtsmiddelen verlangt dat een grief ten minste in essentie bij de nationale instanties wordt aangevoerd. Het stelde vast dat de verzoeker artikel 8 EVRM bij de Cour de cassation slechts had ingeroepen ter ondersteuning van twee specifieke cassatiemiddelen, en niet ter onderbouwing van de klacht over de onvoldoende nauwkeurigheid van de wet en het ontbreken van waarborgen. Omdat de nationale rechters zich over die kwesties niet hadden kunnen uitspreken, wees het Hof de grief af wegens niet-uitputting van de nationale rechtsmiddelen, op grond van artikel 35 leden 1 en 4 EVRM.

Het nationale en Europese kader

Artikel 434-15-2 van de Code pénal stelt op de weigering om de geheime decryptiesleutel van een versleutelingsmiddel af te geven of in werking te stellen een straf van drie jaar gevangenisstraf en € 270.000 geldboete, oplopend tot vijf jaar en € 450.000 indien de afgifte het plegen van een misdrijf had kunnen voorkomen of de gevolgen ervan had kunnen beperken. De Cour de cassation heeft de reikwijdte van die bepaling in latere rechtspraak afgebakend. In een arrest van 13 oktober 2020 (nr. 20-80.150) overwoog zij dat een eenvoudig verzoek tijdens een verhoor, zonder waarschuwing dat weigering een strafbaar feit kan opleveren, geen réquisition vormt. In een arrest van dezelfde dag (nr. 19-85.984) onderscheidde zij de geheime decryptiesleutel van de gewone ontgrendelingscode: de ontgrendelingscode is alleen een decryptiesleutel als die de gegevens leesbaar maakt die het apparaat bevat. In een arrest van 7 november 2022 (nr. 21-83.146) preciseerde zij dat een ontgrendelingscode pas als geheime decryptiesleutel geldt wanneer het toestel is uitgerust met een interne technologie voor versleuteling van de gegevens.

Voor het Unierecht verwijst de beslissing naar Richtlijn (EU) 2016/680 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016, de zogeheten Politie-Justitierichtlijn, en naar het arrest van de Grote Kamer van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 4 oktober 2024 in de zaak Bezirkshauptmannschaft Landeck (C-548/21). In dat arrest oordeelde het Hof van Justitie dat het Unierecht zich niet verzet tegen een nationale regeling die de bevoegde autoriteiten toegang geeft tot de gegevens op een mobiele telefoon, mits die regeling de aard of de categorieën van de betrokken strafbare feiten voldoende nauwkeurig omschrijft, het evenredigheidsbeginsel eerbiedigt en de uitoefening van die mogelijkheid, behoudens een naar behoren gerechtvaardigd spoedgeval, onderwerpt aan voorafgaande toetsing door een rechter of een onafhankelijke bestuurlijke instantie.

Afsluiting

Het EHRM heeft het verzoek met eenparigheid van stemmen niet-ontvankelijk verklaard. De grief onder artikel 6 lid 1 EVRM over het zwijgrecht en het verbod op zelfincriminatie is kennelijk ongegrond bevonden, op de grond dat de gegevens op de in beslag genomen telefoons onafhankelijk van de wil van de verzoeker bestonden. De grief onder artikel 8 EVRM is afgewezen wegens niet-uitputting van de nationale rechtsmiddelen. Met de niet-ontvankelijkverklaring is de procedure bij het Hof in deze zaak afgerond.

Lees hier de volledige uitspraak (alleen in het Frans).

Print Friendly and PDF ^