Eerlijk proces en juiste maatstaf beoordeling getuigenverzoek
/Hoge Raad 15 september 2026, ECLI:NL:HR:2026:1473
De Hoge Raad vernietigt gedeeltelijk een arrest van het gerechtshof Amsterdam waarin een verdachte wegens het medeplegen van opzetheling van een Toyota RAV4 en kentekenplaten is veroordeeld. De verdediging verzoekt pas bij pleidooi in hoger beroep om twee verbalisanten als getuige te horen, nadat zij eerdere gelegenheden onbenut laat en niet reageert op een brief van de verkeerstoren van het hof met de vraag naar onderzoekswensen. Het hof wijst het verzoek af wegens misbruik van procesrecht en gebruikt het proces-verbaal van bevindingen van de verbalisanten voor het bewijs. De Hoge Raad herhaalt de overwegingen uit zijn arrest van 14 oktober 2025, ECLI:NL:HR:2025:1519, over getuigenverzoeken die pas bij de inhoudelijke behandeling worden gedaan. Omdat het arrest van het hof dateert van vóór dat arrest en de brief van het hof niets inhoudt over consequenties van het uitblijven van een reactie, is de afwijzing niet begrijpelijk. Ook het gebruik van het betwiste proces-verbaal voor het bewijs zonder toetsing aan artikel 6 EVRM houdt geen stand.
Achtergrond
De verdachte is een natuurlijk persoon, geboren in 1992. Het gerechtshof Amsterdam veroordeelt hem op 3 mei 2024 wegens het medeplegen van opzetheling, meermalen gepleegd, artikel 416 lid 1 onder a Sr. Bewezenverklaard is dat hij in de periode van 24 tot en met 27 februari 2023 samen met anderen een Toyota RAV4 en kentekenplaten voorhanden heeft gehad, terwijl hij en zijn mededaders bij het voorhanden krijgen wisten dat het om door misdrijf verkregen goederen ging. Van de primair tenlastegelegde diefstallen spreekt het hof hem vrij. De opgelegde straf blijkt niet uit het arrest van de Hoge Raad; uit de conclusie van de advocaat-generaal volgt dat het hof een gevangenisstraf van drie maanden met aftrek overeenkomstig artikel 27 lid 1 Sr oplegt en de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van een in beslag genomen handschoen gelast.
Het bewijs berust in belangrijke mate op een proces-verbaal van bevindingen van twee verbalisanten. Zij zien drie mannen in een Volkswagen Polo aankomen, waarna de bijrijder en de passagier uitstappen en naar de Toyota lopen. Een van hen stapt in, de ander is aan de voor- en achterzijde van het voertuig bezig. Als de Toyota wegrijdt, zijn de kentekenplaten verwisseld. Ongeveer twee uur later worden de drie mannen in dezelfde Volkswagen Polo aangetroffen en herkend. De verdachte beroept zich op zijn zwijgrecht.
De verdediging verzoekt in de procedure bij de politierechter en in de appelschriftuur niet om het horen van de verbalisanten. Bij brief van 20 september 2023 vraagt de verkeerstoren van het hof de verdediging om eventuele onderzoekswensen binnen twee weken kenbaar te maken, met de mededeling dat het hof er bij het uitblijven van een reactie van uitgaat dat er geen onderzoekswensen zijn. De raadsman reageert niet. Op de terechtzitting van 3 mei 2024 bepleit de raadsman vrijspraak en verzoekt hij voorwaardelijk, voor het geval het hof tot een bewezenverklaring komt, om aanhouding teneinde de verbalisanten te horen. Op de vraag van het hof waarom het verzoek niet eerder is gedaan, antwoordt de raadsman dat daarvoor geen bijzondere reden is. Het hof wijst het verzoek af omdat sprake is van misbruik van procesrecht: de verdediging heeft eerdere gelegenheden onbenut gelaten, heeft niet gereageerd op de brief en geeft geen navolgbare reden voor het late tijdstip, zodat het verzoek volgens het hof uitsluitend is bedoeld om het hof te dwingen tot een voor de verdachte gunstige beslissing. Het hof gebruikt het proces-verbaal van bevindingen vervolgens voor het bewijs.
Cassatiemiddelen
Namens de verdachte stelt de advocaat J. Kuijper één cassatiemiddel voor. Het middel klaagt over de afwijzing door het hof van het verzoek tot het horen van de twee verbalisanten als getuige. Het klaagt daarnaast over het gebruik voor het bewijs van hun proces-verbaal van bevindingen, zonder dat het hof ervan blijk heeft gegeven te hebben nagegaan of de procedure als geheel voldoet aan het door artikel 6 EVRM gewaarborgde recht op een eerlijk proces. De advocaat-generaal Keulen concludeert tot verwerping van het beroep.
Beoordeling Hoge Raad
De Hoge Raad herhaalt in rechtsoverweging 2.3.1 tot en met 2.3.3 de overwegingen uit zijn arrest van 14 oktober 2025, ECLI:NL:HR:2025:1519, over de betekenis van de omstandigheid dat de verdediging pas bij de inhoudelijke behandeling op de terechtzitting om het horen van een getuige verzoekt, terwijl zij daartoe eerder de mogelijkheid heeft gehad. Dat arrest bespreekt ook het geval waarin de verdediging eerder uitdrukkelijk is gevraagd naar onderzoekswensen, met de duidelijke mededeling dat het uitblijven van een opgave wordt opgevat als het niet hebben van zulke wensen, en zij daarop niet reageert. In zo'n geval mag de rechter van de verdediging een toelichting vergen op de nieuwe ontwikkeling die tot het verzoek leidt, en kan hij het verzoek afwijzen als die toelichting uitblijft of de opgegeven redenen van onvoldoende gewicht zijn. Die eis houdt verband met het belang van een goede, geordende en tijdige procesvoering en met de formele vereisten en termijnen van het Nederlandse strafprocesrecht, die ook de waarheidsvinding dienen. Voorwaarde is wel dat de verdediging ermee bekend kon zijn dat die eis aan haar kon worden gesteld op straffe van de bedoelde consequenties. Die bekendheid kan worden aangenomen als zij kennis heeft kunnen nemen van het arrest van 14 oktober 2025, of als haar op een andere manier duidelijk was dat aan het niet reageren consequenties konden worden verbonden.
In rechtsoverweging 2.5.1 stelt de Hoge Raad vast dat het arrest van het hof is gewezen vóór 14 oktober 2025, zodat de verdediging met de inhoud van het genoemde arrest nog niet bekend kon zijn en haar handelen daarop niet heeft kunnen afstemmen. Uit de vaststellingen van het hof volgt evenmin dat het de verdediging op een andere manier duidelijk was dat aan het onbenut laten van eerdere gelegenheden en aan het niet reageren op de brief van 20 september 2023 consequenties konden worden verbonden voor de beoordeling van een later alsnog gedaan getuigenverzoek. De brief van de verkeerstoren houdt daarover niets in. Tegen deze achtergrond is het oordeel van het hof dat het verzoek moet worden afgewezen niet begrijpelijk. Deze klacht slaagt.
In rechtsoverweging 2.5.2 oordeelt de Hoge Raad dat hetzelfde geldt voor de klacht over het bewijsgebruik. Het hof heeft de bewezenverklaring van het onder 1 subsidiair en 2 subsidiair tenlastegelegde mede gebaseerd op het door de verdachte betwiste proces-verbaal van bevindingen, zonder dat de verdediging de verbalisanten als getuige heeft kunnen ondervragen en zonder ervan blijk te geven te hebben nagegaan of de procedure in haar geheel voldoet aan artikel 6 EVRM. De Hoge Raad verwijst daarbij naar HR 20 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:576. Het cassatiemiddel slaagt.
Beslissing van de Hoge Raad
De Hoge Raad vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de beslissingen over het onder 1 subsidiair en 2 subsidiair tenlastegelegde en de strafoplegging, en wijst de zaak terug naar het gerechtshof Amsterdam opdat de zaak in zoverre opnieuw wordt berecht en afgedaan.
Lees hier de volledige uitspraak.
