Drijfmest-criteria toegepast op vof: handel in onjuist geringde Vogelrichtlijn-soorten toegerekend aan rechtspersoon

Rechtbank Overijssel 15 april 2026, ECLI:NL:RBOVE:2026:2103

De rechtbank veroordeelt een vennootschap onder firma actief als foeragehandel tot een geldboete van € 15.000 waarvan € 5.000 voorwaardelijk wegens overtredingen van de Wet natuurbescherming en de Wet dieren. De vof had 66 beschermde vogels zonder of met een onjuiste pootring voor verkoop onder zich en bood deze te koop aan, terwijl de legale herkomst niet kon worden vastgesteld. Daarnaast had zij 359 geleewiekte vogels voor de verkoop in voorraad, wat sinds 1 januari 2018 verboden is op grond van artikel 2.7 in samenhang met artikel 2.8 Wet dieren. De rechtbank past het kleurloos opzet toe en rekent de gedragingen toe aan de rechtspersoon op basis van het Drijfmest-arrest. Het beroep op het vrij verkeer van goederen en op het gelijkheidsbeginsel wordt verworpen. De redelijke termijn is met één jaar overschreden, wat compensatie oplevert in het onvoorwaardelijke strafdeel.

Inleiding en context

Op 15 april 2026 wijst de meervoudige economische kamer van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle, vonnis in een strafzaak tegen een vennootschap onder firma die actief is als foeragehandel. De bedrijfsactiviteiten van de verdachte bestaan onder meer uit handelsbemiddeling in landbouwproducten, levende dieren en grondstoffen, alsmede de handel in kleindieren waaronder gevogelte. De vof is opgericht op 1 januari 2000 en wordt gevoerd door twee vennoten.

In november 2022 ontvangt het Team Criminele Inlichtingen van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit informatie dat de verdachte verschillende beschermde vogelsoorten houdt en te koop aanbiedt zonder dat deze van een pootring zijn voorzien, en daarnaast geleewiekte vogels te koop zou aanbieden. Naar aanleiding van advertenties op Marktplaats vindt op 17 april 2023 een inspectie op het bedrijfsadres plaats. Verbalisanten treffen in een grote overdekte volière circa 1.200 vogels aan, waaronder watervogels, pauwen en fazanten. Op 19 april 2023 worden in totaal 368 vogels in beslag genomen. Een dierenarts stelt vast dat 66 vogels van beschermde soorten geen of een onjuiste pootring hebben en dat 359 vogels zijn geleewiekt. De zaak betreft een berechting in eerste aanleg en wordt behandeld op de openbare terechtzittingen van 30 maart en 15 april 2026.

Tenlastelegging en wettelijk kader

De verdachte wordt verweten dat zij zich in de periode van 1 februari 2023 tot en met 19 april 2023 schuldig heeft gemaakt aan twee feiten. Onder feit 1 wordt haar verweten dat zij al dan niet opzettelijk verschillende beschermde vogelsoorten als bedoeld in artikel 1 van Richtlijn 2009/147/EG (de Vogelrichtlijn) voor verkoop heeft vervoerd, onder zich heeft gehad voor verkoop en te koop heeft aangeboden. Het wettelijk kader wordt gevormd door artikel 3.2 Wet natuurbescherming, gelezen in verbinding met de artikelen 3.25 en 3.26 Regeling natuurbescherming. Deze bepalingen vereisen dat van fok afkomstige beschermde vogels zijn voorzien van een gesloten pootring die voldoet aan voorgeschreven specificaties wat betreft ringmaat en inscripties. Hoewel de Wet natuurbescherming op 1 januari 2024 is ingetrokken en is opgegaan in de Omgevingswet, blijft de Wet natuurbescherming van toepassing nu de tenlastegelegde periode daaraan voorafgaat en uit de Omgevingswet niet van een gewijzigd inzicht van de wetgever blijkt.

Onder feit 2 wordt haar verweten dat zij in dezelfde periode 359 geleewiekte vogels voor de verkoop in voorraad heeft gehad, ten verkoop heeft aangeboden, heeft verkocht of heeft gekocht. De grondslag wordt gevormd door artikel 2.7, derde lid, in samenhang met artikel 2.8 Wet dieren. Sinds 1 januari 2018 is het leewieken van vogels verboden, behoudens de in artikel 2.8, tweede lid onder a, Wet dieren genoemde uitzondering van diergeneeskundige noodzaak. Beide feiten zijn strafbaar gesteld op grond van de artikelen 1, 1a, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

Het Openbaar Ministerie acht beide ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen. Ten aanzien van feit 1 vordert het Openbaar Ministerie een bewezenverklaring beperkt tot 66 vogels waarvan de herkomst niet kan worden aangetoond, en vraagt het voor de overige op de tenlastelegging vermelde vogels vrijspraak. Het Openbaar Ministerie vordert oplegging van een geldboete van € 30.000.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw bepleit integrale vrijspraak. Ten aanzien van feit 1 erkent zij dat bij de verdachte vogels zonder pootring of met een onjuiste pootring in beslag zijn genomen, en verzoekt zij het bewezen te verklaren aantal te beperken tot de door het Openbaar Ministerie genoemde lijst. Zij voert aan dat de bergeend en de blauwvleugeltaling weldegelijk waren voorzien van een pootring en dat de verdachte er niet van op de hoogte was dat het ging om pootringen die niet bij de betreffende soorten hoorden, zodat het opzet ontbreekt. Voorts stelt zij dat ten aanzien van de bronskopeenden en de knobbelzwaan uit het dossier niet blijkt waarom de pootringen onjuist zouden zijn, en dat slechts één slobeend en één tafeleend van een te grote pootring waren voorzien.

Ten aanzien van feit 2 betoogt de raadsvrouw dat het Nederlandse verbod op het in voorraad hebben van geleewiekte vogels in strijd is met het Unierecht, in het bijzonder met het beginsel van vrij verkeer van goederen. Daarnaast doet zij een beroep op het gelijkheidsbeginsel onder verwijzing naar een geval bij Dierenspecialist Hoogendoorn, waarbij het in voorraad hebben van geleewiekte vogels niet tot inbeslagname of strafvervolging zou hebben geleid. Subsidiair verzoekt de raadsvrouw oplegging van een geheel voorwaardelijke straf, gelet op de persoonlijke omstandigheden van de wettelijke vertegenwoordiger, het blanco strafblad van de verdachte en de overschrijding van de redelijke termijn.

Oordeel gerecht

De rechtbank stelt vast dat de dagvaarding geldig is, zij bevoegd is, het Openbaar Ministerie ontvankelijk is en er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

Ten aanzien van feit 1 overweegt de rechtbank dat de Vogelrichtlijn betrekking heeft op alle natuurlijk in het wild levende vogelsoorten op het Europese grondgebied en dat de verbodsbepaling van artikel 3.2 Wet natuurbescherming op alle in de tenlastelegging vermelde soorten van toepassing is. Voor van fok afkomstige beschermde vogels geldt dat de legale herkomst slechts kan worden aangetoond door een gesloten pootring die voldoet aan de wettelijke vereisten. De wettelijke vertegenwoordiger heeft ter terechtzitting erkend dat 66 van de in beslag genomen vogels niet of onjuist waren geringd. Daarmee staat vast dat ten aanzien van die vogels de legale herkomst niet kan worden vastgesteld. Het verweer dat uit het dossier niet nader is geverbaliseerd waarin de onjuistheid bestaat, behoeft daarom geen verdere bespreking. Nu de vogels op het terrein van de verdachte zijn aangetroffen en op Marktplaats te koop zijn aangeboden, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte deze vogels voor verkoop onder zich heeft gehad en te koop heeft aangeboden. Voor het ten laste gelegde vervoer met het oog op de verkoop spreekt de rechtbank vrij.

De rechtbank rekent de gedraging toe aan de rechtspersoon. Onder verwijzing naar het Drijfmest-arrest (HR 21 oktober 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF7938) overweegt zij dat de gedragingen passen in de normale bedrijfsvoering en hebben plaatsgevonden in de sfeer van de rechtspersoon. Op grond van artikel 51 Sr wordt een vennootschap onder firma gelijkgesteld aan een rechtspersoon. Wat het opzet betreft hanteert de rechtbank de leer van het kleurloos opzet: in het economisch strafrecht volstaat dat het opzet is gericht op de feitelijk omschreven gedraging en hoeft het niet mede gericht te zijn op het overtreden van het verbod. Nu de wettelijke vertegenwoordiger ter terechtzitting heeft verklaard dat hij bij de inkoop niet controleerde of de vogels waren voorzien van een juiste pootring en evenmin de ringendatabase raadpleegde, is het opzet gegeven en kan dit worden toegerekend aan de rechtspersoon.

Ten aanzien van feit 2 stelt de rechtbank vast dat 359 in beslag genomen vogels door een dierenarts als geleewiekt zijn aangemerkt, terwijl van een diergeneeskundige noodzaak niet is gebleken. De wettelijke vertegenwoordiger heeft verklaard dat hij wist dat in Nederland een leewiekverbod geldt en dat de vogels voor de verkoop in voorraad werden gehouden. Daarmee is het opzet gegeven. Het verweer dat het verbod op leewieken in strijd is met het vrij verkeer van goederen wordt verworpen. De rechtbank overweegt dat een beperking gerechtvaardigd kan zijn ter bescherming van het dierenwelzijn, mits deze geschikt, noodzakelijk en evenredig is. Het leewiekverbod beschermt het dierenwelzijn doordat de ingreep vogels blijvend beperkt in hun natuurlijke vermogen om te vliegen, en gaat niet verder dan nodig. Dat in België mogelijk minder strenge eisen gelden, doet aan dit oordeel niets af. Ook het beroep op het gelijkheidsbeginsel wordt verworpen. Volgens de officier van justitie berust het door de verdediging genoemde geval op een eenmalige misslag, waarbij inbeslagname op een later moment niet meer mogelijk was omdat de vogels reeds waren verkocht. De rechtbank oordeelt dat dit enkele voorbeeld geen rechtens gelijk geval oplevert.

Bewezenverklaring

De rechtbank verklaart bewezen dat de verdachte in de periode van 1 februari 2023 tot en met 19 april 2023 opzettelijk:

  • 66 beschermde vogels als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn, te weten een bergeend, een blauwvleugeltaling, een brilduiker, twee bronskopeenden, acht dwergganzen, zes fazanten, twee kleine Canadese ganzen, een knobbelzwaan, twee kokardezaagbekken/kuifzaagbekken, vijf krakeenden, vier krooneenden, tien kuifeenden, zeven marmereenden, vier pijlstaarten, een Siberische taling/Baikaltaling, drie slobeenden, zes smienten en twee tafeleenden, onder zich heeft gehad voor verkoop en ten verkoop heeft aangeboden;

  • 359 geleewiekte vogels, zijnde dieren waarbij een door artikel 2.8 Wet dieren verboden lichamelijke ingreep is verricht, voor de verkoop in voorraad heeft gehad en ten verkoop heeft aangeboden.

Voor het ten laste gelegde vervoer met het oog op de verkoop wordt vrijgesproken, evenals voor het meer of anders ten laste gelegde.

Strafoplegging

Bij de strafoplegging weegt de rechtbank mee dat de verdachte het identificatiesysteem voor beschermde vogels heeft ondermijnd en het risico op handel in illegaal verkregen vogels heeft vergroot. Het leewieken vormt een verboden lichamelijke ingreep die vogels blijvend beperkt in hun vliegvermogen. De verdachte is blijkens het uittreksel uit de justitiële documentatie van 28 oktober 2025 niet eerder veroordeeld.

De rechtbank stelt vast dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Op 17 april 2023 vangt de redelijke termijn aan, terwijl het vonnis op 15 april 2026 wordt gewezen. Dit betekent een overschrijding van één jaar, die voor rekening van het Openbaar Ministerie komt en die de rechtbank compenseert in het onvoorwaardelijke strafdeel. De rechtbank merkt op dat de wettelijke vertegenwoordiger ter terechtzitting weinig blijk heeft gegeven van een reflectieve houding en de controle en vervolging als gezeur bestempelt. Mede gelet op het feit dat de verdachte nog steeds beschermde vogels houdt en verhandelt, ziet de rechtbank aanleiding een deel van de geldboete voorwaardelijk op te leggen ter voorkoming van recidive.

De rechtbank legt aan de verdachte een geldboete op van € 15.000, waarvan € 5.000 voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. Daarmee wijkt de rechtbank substantieel af van de eis van het Openbaar Ministerie van € 30.000. Voorts verklaart de rechtbank de op de beslaglijst vermelde vogels verbeurd, met uitzondering van één fazant.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^