Wwft, sancties en de exit-beslissing: Hof Amsterdam: bank mocht relatie met beheerder Libische staatsfondsen niet opzeggen
/Het Gerechtshof Amsterdam heeft op 28 april 2026 in kort geding geoordeeld dat ABN AMRO de bankrelatie met een vermogensbeheerder van drie Libische staatsfondsen, een gelieerde managementvennootschap en haar bestuurder, niet had mogen opzeggen. Het arrest vernietigt het vonnis van de voorzieningenrechter, die de beëindiging eerder nog rechtmatig achtte. Het hof gebiedt de bank de dienstverlening voort te zetten, de in 2022 opgelegde beperkende voorwaarden op te heffen en verbiedt opname op de interne CAAML-lijst. De uitspraak laat zien hoe streng de toets is wanneer een bank zich beroept op Wwft-, sanctie- en integriteitsrisico's bij het beëindigen van een zakelijke bankrelatie. Voor de praktijk van het financieel-economisch strafrecht is het arrest relevant omdat het de eisen aan onderbouwing van een exit-besluit nader inkleurt, in een dossier dat zich op het snijvlak van compliance, internationale sancties en witwasbestrijding bevindt.
De feitelijke context: Upperbrookfondsen en VN-sancties
Centraal in de zaak staan de zogenoemde Upperbrookfondsen, drie op de Kaaimaneilanden gevestigde fondsen waarin Libische staatsinvesteringsmaatschappijen rond 2007 ongeveer 700 miljoen US dollar hebben belegd. Inmiddels vertegenwoordigen de fondsen volgens het hof een waarde van meer dan 1 miljard US dollar. De beheerder werd in 2009 klant bij ABN AMRO. Na de val van het regime van Muammar Khaddafi in 2011 zijn deze gelden onder het sanctieregime van de Verenigde Naties komen te vallen, in het bijzonder op grond van Resolutie 1970 (2011) en Resolutie 1973 (2011). Het doel van de bevriezing is dat de tegoeden uiteindelijk ten goede komen aan het Libische volk. Het beheer verloopt feitelijk via rekeningen bij onder meer Deutsche Bank, dat als een van de custodian banks fungeert, en via een Nederlandse stichting met een onafhankelijk bestuur. De rol van deze structuur in relatie tot de sancties is in eerdere jurisprudentie al meermaals aan de orde geweest, onder meer in de zaak die uitmondde in HR 5 april 2019 over de bevriezing van tegoeden en de uitoefening van stemrecht.
Vanaf 2011 stelde ABN AMRO vragen aan haar klant. Een in 2012 gestart strafrechtelijk onderzoek door het Openbaar Ministerie heeft niet geleid tot vervolging. Op 12 mei 2022 legde de bank beperkende voorwaarden op aan de beheerder en de gelieerde managementvennootschap, waaronder een maximum aan inkomend en uitgaand betalingsverkeer. Bij brieven van 28 oktober 2024 zegde de bank de relatie definitief op, onder verwijzing naar onvoldoende medewerking aan het klantonderzoek, integriteits-, sanctie- en reputatierisico's. Tegelijkertijd kondigde de bank aan de gegevens op te nemen op de zogenoemde CAAML-lijst.
Het toetsingskader: Yin Yang II en artikel 35 ABV
Het hof plaatst de beoordeling uitdrukkelijk in het kader van het arrest van de Hoge Raad van 5 november 2021 (ECLI:NL:HR:2021:1652) inzake ING/Yin Yang. Daarin oordeelde de Hoge Raad dat banken vanwege hun maatschappelijke positie ook ten aanzien van niet-consumenten verplicht kunnen zijn een betaalrekening aan te bieden, omdat het zonder bankrekening vrijwel onmogelijk is deel te nemen aan het maatschappelijk verkeer of een bedrijf te exploiteren. Tegelijkertijd erkent dit kader dat een bank een gerechtvaardigd belang kan hebben om een cliënt te weigeren of een relatie te beëindigen vanwege toezichtrechtelijke eisen of integriteitsrisico's.
Voor de opzegging van een bestaande bankrelatie geldt artikel 35 van de Algemene Bankvoorwaarden als contractuele grondslag, maar de uitoefening van dat recht wordt begrensd door de maatstaven van redelijkheid en billijkheid. Het hof toetst dus of beëindiging van de relatie, gelet op het belang van de cliënt afgewogen tegen het belang van de bank, naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.
Onvoldoende medewerking aan klantonderzoek?
Het verwijt dat de cliënt onvoldoende zou hebben meegewerkt aan het klantonderzoek slaagt niet. Het hof stelt vast dat de bank veel vragen heeft gesteld en dat daarop ook betrekkelijk uitgebreid is geantwoord. Tijdens de mondelinge behandeling is een en ander nogmaals toegelicht. De ondernemingsstructuur, de identiteit van de uiteindelijk belanghebbende, de rol van de uitvoerend bestuurder en de hoogte van de beheersvergoeding (circa 1,8% over het belegde vermogen, volgens de cliënt marktconform voor een hedgefund-beheerder) zijn alle aan de bod gekomen. Het hof oordeelt dat in dat licht voorshands niet aannemelijk is dat de cliënt niet of onvoldoende meewerkt. De omstandigheid dat de uitvoerend bestuurder de schoonzoon is van een voormalig vooraanstaand Libisch politicus, brengt zonder verdere concrete aanwijzingen niet mee dat aan de verstrekte informatie moet worden getwijfeld. Daarbij weegt het hof mee dat het strafrechtelijk onderzoek niet tot vervolging heeft geleid.
Eenzijdig opgelegde beperkende voorwaarden missen contractuele en wettelijke basis
Een opvallend en voor de Wwft-praktijk relevant onderdeel van het arrest betreft de beperkende voorwaarden die de bank op 12 mei 2022 had opgelegd. Het hof stelt voorop dat contractsvoorwaarden alleen eenzijdig kunnen worden aangepast als de overeenkomst daarin expliciet voorziet. De Algemene Bankvoorwaarden kennen die eenzijdige wijzigingsbevoegdheid niet voor het opleggen van beperkende regels zoals een maximum aan betalingsverkeer. Van expliciete instemming van de cliënt met de gewijzigde voorwaarden is evenmin gebleken. Het hof oordeelt dat de bank zonder concrete aanwijzingen voor onregelmatigheden ook niet in algemene zin binnenkomende betalingen mag weigeren of beperken; de wettelijke regels van titel 7B van Boek 7 BW (betalingstransactie) bieden daartoe geen grondslag. Daarmee vervalt ook het verwijt dat de cliënt deze voorwaarden zou hebben overtreden, nu de voorwaarden hem niet bonden.
Sanctie- en reputatierisico onvoldoende onderbouwd
Het door de bank gestelde sanctierisico en reputatierisico komen evenmin door de toets. Het hof overweegt dat het hier gaat om publiek Libisch geld dat ingevolge de VN-sancties bewaard moet blijven voor het Libische volk. Dat de fondsen ten tijde van het Khaddafi-regime met publiek geld zijn opgebouwd, maakt dat niet anders. De rol van beheerder is op zichzelf niet aan VN-sancties onderworpen, getuige het feit dat de overeengekomen beheersvergoedingen aan de beheerder mogen worden uitbetaald. Het feit dat de uitvoerend bestuurder familieband heeft met een voormalig Libisch politicus maakt de toets indringender, maar leidt zonder verdere onderbouwing niet tot het oordeel dat sprake is van zelfverrijking of een onaanvaardbaar reputatierisico, te meer nu onbetwist is gebleven dat de beheersvergoeding marktconform is.
Het ter zitting opgeworpen witwasvermoeden strandt op vergelijkbare gronden. Waar moet worden uitgegaan van publiek geld dat wordt beheerd en bewaard, en de uitbetaling van beheersvergoedingen niet is gesanctioneerd, bieden de stellingen van de bank volgens het hof onvoldoende aanknopingspunten voor de conclusie dat sprake kan zijn van witwassen.
De belangenafweging en de betekenis voor de cliënt
Tegenover de gestelde risico's plaatst het hof het belang van de cliënt bij behoud van de bankrekening. Het hof acht aannemelijk dat een onderneming die door een rechter in het ongelijk wordt gesteld op het punt van integriteits-, sanctie- en reputatierisico's, waarbij ook witwassen en mensenrechtenschendingen zijn aangevoerd, vrijwel geen alternatieve bank zal kunnen vinden. Dat aspect speelt een centrale rol in de Yin Yang-doctrine en kleurt ook de onderhavige belangenafweging. De slotsom luidt dat de door de bank gegeven gronden, in het licht van het belang van de cliënt, onvoldoende steekhoudend zijn en dat opzegging naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.
Omdat de gronden voor opzegging niet houdbaar zijn, vervalt ook de basis voor opname op de CAAML-lijst, de interne registratie waarmee ABN AMRO en haar dochterondernemingen vastleggen dat afscheid is genomen van een cliënt vanwege Wwft-verplichtingen. Het hof verbiedt de registratie. Dat is in lijn met eerdere uitspraken waarin de rechter een dergelijke registratie alleen acceptabel achtte wanneer ook de onderliggende beëindigingsgronden de toets der kritiek konden doorstaan.
Plaatsing in de bredere jurisprudentielijn
De uitspraak past in een reeks arresten waarin civiele rechters de gronden voor beëindiging van een bankrelatie indringend toetsen. In zaken als die van Rowood (Rb. Rotterdam 1 november 2023, ECLI:NL:RBROT:2023:10109) en eerdere arresten van het Hof Amsterdam (onder meer ECLI:NL:GHAMS:2024:412 en ECLI:NL:GHAMS:2023:85) is meermaals geoordeeld dat algemene zorgen of vermoedens over integriteit onvoldoende zijn voor opzegging. Voor banken ligt de uitdaging in het concretiseren en onderbouwen van hun risicoperceptie, zonder daarbij de risk-based-benadering uit de Wwft uit het oog te verliezen.
Het arrest illustreert dat de civiele rechter de Wwft-verplichtingen van banken serieus neemt, maar dat een beroep op de poortwachtersrol niet in algemeenheden kan blijven hangen. Wanneer een cliënt uitgebreid op vragen heeft geantwoord, en de bank niet concreet maakt welke informatie ontbreekt of welke transacties verdacht zijn, kan een opzegging niet worden gedragen door een verwijzing naar Wwft- of sanctierisico's alleen. Tegelijkertijd ontslaat de uitspraak banken niet van hun verplichting om bij gerede twijfel verscherpt onderzoek te doen; het accent ligt op de proportionaliteit en concrete onderbouwing van de getroffen maatregelen.
Afsluiting
Het arrest van het Gerechtshof Amsterdam markeert een nadere invulling van het toetsingskader voor opzegging van bankrelaties in dossiers waarin Wwft-, sanctie- en integriteitsrisico's samenkomen. De uitspraak benadrukt dat banken bij dergelijke ingrijpende maatregelen concrete en voldoende onderbouwde aanwijzingen moeten hebben, dat eenzijdig opgelegde beperkende voorwaarden een duidelijke contractuele of wettelijke grondslag vereisen, en dat geopolitiek gevoelige dossiers of politiek gelieerde personen op zichzelf onvoldoende zijn om witwas-, sanctie- of reputatierisico's aan te nemen. Tegelijkertijd blijft de spanning tussen de poortwachtersrol van banken en de proportionaliteit van exit-besluiten een terugkerend thema in de Wwft-praktijk. Of het bij dit kortgedingoordeel blijft, is afhankelijk van een eventuele bodemprocedure waarin de feiten verder kunnen worden vastgesteld.
