Doxing van politieagent leidt tot taakstraf en gedeeltelijke tenuitvoerlegging voorwaardelijke gevangenisstraf
/Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 6 juni 2025, ECLI:NL:GHSHE:2025:3792
Dit betreft een zaak waarin de verdachte wordt veroeten dat hij een politieagent heeft gedoxt na een verkeerscontrole. Hij plaatst op Facebook berichten met een foto van de agent en roept op tot het delen van diens persoonsgegevens met het oogmerk hem vrees aan te jagen en ernstig te hinderen in zijn ambt. Het slachtoffer ervaart angst en moet tijdelijk in een beveiligde omgeving verblijven. Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat sprake is van doxing tegen een ambtenaar van politie. Anders dan de politierechter legt het hof geen gevangenisstraf op maar een taakstraf van 160 uur, subsidiair 80 dagen hechtenis. Daarnaast wordt 750 aan immateriële schadevergoeding toegewezen en wordt 80 dagen van een eerdere voorwaardelijke gevangenisstraf ten uitvoer gelegd.
Context van de zaak
In deze strafzaak staat een natuurlijke persoon terecht wegens zogenoemde doxing van een politieagent. De verdachte, geboren in 1984, verblijft ten tijde van de behandeling in hoger beroep uit anderen hoofde in detentie. De zaak komt in hoger beroep aan de orde nadat de politierechter in de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, hem op 17 mei 2024 heeft veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van twee maanden. Daarnaast wijst de politierechter de vordering van de benadeelde partij toe tot een bedrag van 1.150 aan immateriële schade en gelast hij de tenuitvoerlegging van een eerder voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf.
Het hof vernietigt het vonnis, omdat de politierechter heeft volstaan met een aantekening op het dubbel van de dagvaarding en het hof is gebonden aan het motiveringsvoorschrift van artikel 359 van het Wetboek van Strafvordering.
De kern van de zaak betreft het handelen van de verdachte op 18 april 2024 te Maastricht. Tijdens een verkeerscontrole wordt hij staande gehouden door een politieagent. Naar aanleiding van deze controle plaatst de verdachte tweemaal een bericht op Facebook, voorzien van een foto van de betreffende politieagent tijdens diens rechtmatige taakuitoefening. In deze berichten uit de verdachte zich op kwetsende, beledigende en bedreigende wijze over de agent. Tevens roept hij derden op om de naam en het adres van de agent te achterhalen, looft hij een beloning uit voor informatie en suggereert hij dat hij weet in welke wijk de agent woont.
De politieagent, die in het dossier wordt aangeduid met een codenaam, ervaart als gevolg hiervan angst en ernstige overlast. Hij verblijft op last van zijn werkgever tijdelijk in een beveiligd onderkomen.
Tenlastelegging
De verdachte wordt verweten dat hij op of omstreeks 18 april 2024 te Maastricht een of meer persoonsgegevens van een ander, te weten een politieagent bekend onder een codenaam, zich heeft verschaft en heeft verspreid met het oogmerk om die persoon vrees aan te jagen, ernstige overlast aan te doen en hem in de uitoefening van zijn ambt ernstig te hinderen. Daarbij wordt ten laste gelegd dat het feit wordt gepleegd tegen een persoon in diens hoedanigheid van ambtenaar van politie.
Standpunt van het Openbaar Ministerie
De advocaat-generaal vordert in hoger beroep vernietiging van het vonnis en oplegging van een taakstraf van 160 uren, subsidiair 60 dagen hechtenis. Daarnaast vordert hij gedeeltelijke toewijzing van de vordering tot tenuitvoerlegging van een eerder voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf, te weten tot een duur van 80 dagen. Ook vordert hij onttrekking aan het verkeer van in beslag genomen voorwerpen en volledige toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, vermeerderd met wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Standpunt van de verdediging
De verdediging refereert zich ten aanzien van de bewezenverklaring aan het oordeel van het hof. Met betrekking tot de strafoplegging sluit de verdediging zich aan bij de eis van de advocaat-generaal en acht een taakstraf passend. Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij bepleit de verdediging matiging tot de helft van het gevorderde bedrag en refereert zich voor het overige aan het oordeel van het hof.
Oordeel van het hof
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich op 18 april 2024 te Maastricht persoonsgegevens van de politieagent heeft verschaft en heeft verspreid met het oogmerk om hem vrees aan te jagen, ernstige overlast aan te doen en hem in de uitoefening van zijn ambt ernstig te hinderen. Het hof spreekt de verdachte vrij van hetgeen meer of anders is ten laste gelegd.
Het hof kwalificeert het bewezenverklaarde als het zich verschaffen en verspreiden van persoonsgegevens van een ander met het oogmerk om die ander vrees aan te jagen, ernstige overlast aan te doen en hem in de uitoefening van zijn ambt ernstig te hinderen, terwijl het feit wordt gepleegd tegen een ambtenaar van politie.
Bij de straftoemeting overweegt het hof dat de verdachte uit woede heeft gehandeld en met zijn berichten een podium heeft gecreëerd voor mogelijk verdere inbreuken op de persoonlijke levenssfeer van de politieagent. Het hof benadrukt dat het delen van gegevens in een online omgeving het risico meebrengt dat deze langdurig of permanent beschikbaar blijven. De verdachte heeft geen controle meer over de verspreiding en heeft aldus bijgedragen aan een situatie waarin derden zich mogelijk tegen het slachtoffer kunnen keren.
Het slachtoffer heeft daadwerkelijk angst ervaren en heeft tijdelijk in een beveiligde omgeving moeten verblijven. Het hof rekent dit de verdachte zwaar aan.
Tegelijkertijd houdt het hof rekening met de persoon van de verdachte. Uit zijn justitiële documentatie blijkt dat hij eerder is veroordeeld, onder meer in 2022 voor belaging, en dat hij ten tijde van het bewezenverklaarde feit nog in een proeftijd loopt. Uit een voortgangsverslag van de reclassering blijkt echter een voorzichtig positief beeld: de verdachte toont motivatie, stelt zich begeleidbaar op, heeft een stabiele relatie en staat onder bewind. Tevens wordt melding gemaakt van een trauma waarvoor hij buiten detentie EMDR-therapie zou kunnen volgen.
Gelet op deze omstandigheden acht het hof, anders dan de politierechter, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf niet passend en ook niet geboden. Het hof legt een taakstraf op van 160 uren, subsidiair 80 dagen hechtenis.
Bewezenverklaring
Het hof verklaart bewezen dat de verdachte op 18 april 2024 te Maastricht persoonsgegevens van een politieagent heeft verschaft en verspreid met het oogmerk om hem vrees aan te jagen, ernstige overlast aan te doen en hem in de uitoefening van zijn ambt ernstig te hinderen, terwijl dit feit wordt gepleegd tegen een persoon in diens hoedanigheid van ambtenaar van politie.
Strafoplegging
Het hof veroordeelt de verdachte tot een taakstraf van 160 uren. Indien de taakstraf niet naar behoren wordt verricht, wordt deze vervangen door 80 dagen hechtenis. De tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht wordt in mindering gebracht op de taakstraf, naar de maatstaf van twee uren per dag.
Ten aanzien van de vordering tot tenuitvoerlegging van een eerder voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf van 130 dagen, gelast het hof de gedeeltelijke tenuitvoerlegging voor de duur van 80 dagen, met aftrek van reeds ondergane detentie.
Met betrekking tot de benadeelde partij stelt het hof vast dat sprake is van rechtstreeks geleden immateriële schade. Op grond van artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek begroot het hof de schade naar billijkheid op 750. Het meerdere wordt afgewezen. Tevens legt het hof de schadevergoedingsmaatregel op tot dit bedrag, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 18 april 2024. Bij niet-betaling kan gijzeling van maximaal 15 dagen worden toegepast, zonder dat daarmee de betalingsverplichting vervalt.
Met dit arrest benadrukt het hof de ernst van doxing van politieambtenaren, maar laat het tegelijkertijd ruimte voor een strafmodaliteit die gericht is op gedragsverandering en resocialisatie.
Lees hier de volledige uitspraak.
