Ondergronds bankieren via lege tassen en volle shoppers
/Gerechtshof Amsterdam 26 januari 2026, ECLI:NL:GHAMS:2026:191
Dit betreft een zaak waarin de verdachte samen met anderen via een vennootschap feitelijk ondergronds bankieren faciliteert. Hem wordt verweten dat hij 459.650 overdraagt en daarmee geld witwast en zonder vergunning het bedrijf van betaaldienstverlener uitoefent. Het hof oordeelt dat sprake is van een gerechtvaardigd witwasvermoeden op basis van onder meer grote contante bedragen, versleutelde communicatie en verborgen ruimtes in voertuigen, terwijl een concrete herkomstverklaring ontbreekt. De verdachte wordt vrijgesproken van enkele andere geldbedragen, maar voor het overige acht het hof medeplegen van witwassen, deelneming aan een criminele organisatie en bankieren zonder vergunning bewezen. Het hof houdt rekening met de ernst van de feiten en de ondermijning van het financieel-economisch verkeer, maar ook met de overschrijding van de redelijke termijn. Uiteindelijk legt het hof een gevangenisstraf van 16 maanden op, met aftrek van voorarrest.
Context van de zaak
Deze strafzaak in hoger beroep komt voort uit het opsporingsonderzoek Fa. De verdachte is een natuurlijk persoon, geboren in 1993, die samen met onder meer zijn vader medeverdachte 1 en medeverdachte 2 in beeld komt in een onderzoek naar ondergronds bankieren en witwassen.
De politie observeert in 2015 meerdere ontmoetingen en verplaatsingen rond woonadressen en een bedrijfsverzamelgebouw in Amsterdam. Een bedrijfsunit aan de adres 2 is gehuurd door een besloten vennootschap, bedrijf BV, die volgens het handelsregister handelt in textielwaren en schoenen, maar volgens het onderzoek feitelijk wordt gebruikt als plek om grote contante geldbedragen in ontvangst te nemen en door te leveren.
In de centrale hal van de etage wordt een verborgen camera geplaatst. Op de beelden is te zien dat de verdachte, zijn vader en medeverdachte 2 met gevulde tassen het kantoor in en uit gaan. Bij een heimelijke doorzoeking worden onder meer geldtelapparatuur, bundels contant geld, tassen en aantekeningen aangetroffen. Later verplaatst de werkwijze zich naar een andere locatie en lijkt medeverdachte 2 vanuit zijn woning te opereren, met geldtelapparatuur en intensieve ritten naar Rotterdam.
Het dossier bevat daarnaast aanwijzingen die passen bij facilitering van criminele geldstromen, zoals het gebruik van versleutelde communicatie en voertuigen met verborgen ruimtes. De verdachte verschijnt niet ter zitting bij rechtbank en hof en legt bij de politie geen inhoudelijke verklaring af.
Tenlastelegging
Aan de verdachte wordt verweten dat hij in de periode van 11 juli 2015 tot en met 17 november 2015 samen met anderen:
Witwassen pleegt, al dan niet als gewoonte, door geldbedragen te verwerven, voorhanden te hebben, over te dragen, om te zetten of te gebruiken en de herkomst te verbergen, waaronder een bedrag van 459.650 en daarnaast geldbedragen die samenhangen met opbrengsten of verdiensten uit het zonder vergunning verlenen van betaaldiensten. Ook zijn in de tenlastelegging bedragen opgenomen van 30.000 uit het kantoor en zeer omvangrijke bedragen uit een kasboekadministratie.
Deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven, waaronder (gewoonte)witwassen en het opzettelijk overtreden van artikel 2:3a Wft in samenhang met de Wet op de economische delicten, waarbij de deelneming onder meer bestaat uit het uitvoeren van transacties en het bijhouden van administratie.
Medeplegen van het opzettelijk zonder vergunning uitoefenen van het bedrijf van betaaldienstverlener, door contante geldtransacties uit te voeren en bedragen voor derden te ontvangen, beschikbaar te stellen of te houden, waaronder de transactie van 459.650 en de overige in de tenlastelegging genoemde geldbedragen.
Standpunt van het openbaar ministerie
De advocaat-generaal vordert bewezenverklaring van de feiten 1, 2 en 3, met dien verstande dat geen gewoontewitwassen wordt aangenomen omdat slechts één concrete geldtransactie kan worden bewezen.
Het openbaar ministerie stelt dat uit het dossier weliswaar niet blijkt uit welk gronddelict de geldbedragen afkomstig zijn, maar dat de feiten en omstandigheden een sterk vermoeden van witwassen opleveren, passend bij ondergronds bankieren. In die situatie mag van de verdachte een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring worden verwacht over de herkomst van het geld. De verdachte geeft die verklaring niet.
Volgens de advocaat-generaal volgt dan dat de geldbedragen afkomstig zijn uit enig misdrijf en dat de verdachte deze witwast. Verder stelt de advocaat-generaal dat sprake is van een duurzaam en gestructureerd samenwerkingsverband en dat de verdachte daarin als geldkoerier functioneert.
Ten aanzien van de straf vordert de advocaat-generaal een gevangenisstraf van 21 maanden.
Standpunt van de verdediging
De verdediging voert geen inhoudelijk standpunt ter zitting, omdat de verdachte niet verschijnt en bij de politie geen inhoudelijke verklaring aflegt.
In het dossier is daarmee geen alternatieve herkomstverklaring voor de aangetroffen contante geldbedragen opgenomen en ook geen uitwerking van verweren tegen de bewijsconstructie, de kwalificatie of de strafmaat. Het hof beoordeelt de zaak daarom op basis van het dossier en het requisitoir, waarbij het uitdrukkelijk betrekt dat de verdachte geen concrete en verifieerbare verklaring geeft voor de herkomst van de geldbedragen, ondanks het witwasvermoeden dat uit de feiten en omstandigheden volgt.
Oordeel van het gerecht
Het hof vernietigt het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 25 juli 2019, omdat het hof tot een enigszins andere bewezenverklaring en strafoplegging komt.
Het hof stelt vast dat op 11 augustus 2015 een transactie plaatsvindt die is te herleiden tot een overdracht van een grote shopper met contant geld vanuit het kantoor van bedrijf BV aan een derde, naam, die kort daarna onder observatie wordt aangehouden. In de tas bevindt zich 459.650 aan contanten, grotendeels in biljetten van 50, aangevuld met 100 en 200, gebundeld met elastiekjes en verpakt in zwarte tassen met een goudkleurig stippenpatroon.
Het hof leidt uit camerabeelden en observaties af dat naam zonder tas het kantoor binnengaat en het kantoor verlaat met een zware, gevulde winkel 2-shopper, waarna hij vrijwel direct met die tas wordt gevolgd tot aan zijn aanhouding. Het hof concludeert dat de verdachte het geldbedrag aan naam overdraagt.
Voor het bewijs dat de geldbedragen uit enig misdrijf afkomstig zijn, overweegt het hof dat het dossier geen concreet gronddelict aanwijst, maar dat de feiten en omstandigheden een zodanig witwasvermoeden opleveren dat van de verdachte een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring mag worden verlangd.
Het hof noemt in dit verband onder meer het uitzonderlijk hoge contante bedrag, het ontbreken van zichtbare beveiliging bij overdracht en vervoer, het gebruik van een vennootschap met een papieren bedrijfsomschrijving die niet strookt met de feitelijke activiteiten, signalen die wijzen op anonieme overdrachtssystemen met tokens, het bundelen van geld op een in het criminele circuit gebruikelijke wijze, het gebruik van PGP-telefoons, voertuigen met verborgen ruimtes en het feit dat inbeslaggenomen contanten niet door rechthebbenden worden opgeëist.
Omdat de verdachte zwijgt en niet verschijnt, blijft een plausibele legale herkomst uit. Het hof acht dan bewezen dat het niet anders kan dan dat het geld uit enig misdrijf afkomstig is en dat de verdachte en zijn mededaders dit weten.
Het hof spreekt de verdachte wel vrij van de onderdelen die zien op het bedrag van 30.000 uit het kantoor en de zeer omvangrijke kasboekbedragen, omdat die onderdelen niet wettig en overtuigend kunnen worden bewezen.
Voor het zonder vergunning uitoefenen van het bedrijf van betaaldienstverlener overweegt het hof dat geen van de betrokkenen in de tenlastegelegde periode over een vergunning beschikt, terwijl wel degelijk contante geldtransacties voor derden worden uitgevoerd.
Bewezenverklaring
Het hof verklaart bewezen dat de verdachte:
In de periode van 11 juli 2015 tot en met 17 november 2015 in Amsterdam samen met anderen witwast door een geldbedrag van 459.650 en de opbrengsten of verdiensten van het zonder vergunning verlenen van betaaldiensten te verwerven, voorhanden te hebben en over te dragen, terwijl hij en zijn mededaders weten dat die geldbedragen afkomstig zijn uit enig misdrijf.
In dezelfde periode in Amsterdam deelneemt aan een organisatie bestaande uit hemzelf, medeverdachte 2 en medeverdachte 1, welke organisatie tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven, te weten gewoontewitwassen en het opzettelijk overtreden van artikel 2:3a Wft in samenhang met de Wet op de economische delicten, en waarbij zijn deelneming bestaat uit het uitvoeren van geldtransacties.
In dezelfde periode in Amsterdam samen met anderen opzettelijk zonder vergunning van De Nederlandsche Bank het bedrijf van betaaldienstverlener uitoefent door ten behoeve van onbekend gebleven begunstigden of betalers een contante geldtransactie uit te voeren, te weten de transactie van 459.650.
Strafoplegging
De rechtbank legt eerder 18 maanden gevangenisstraf op. De advocaat-generaal vordert 21 maanden.
Het hof acht de feiten ernstig: de verdachte faciliteert met anderen het wegsluizen en circuleren van crimineel geld, ondermijnt de integriteit van het financieel-economisch verkeer, en onttrekt zich aan toezicht door betaaldiensten zonder vergunning te verlenen. Ook neemt hij deel aan een organisatie die deze misdrijven tot oogmerk heeft.
Het hof weegt bij de strafmaat oriëntatiepunten, straffen in vergelijkbare zaken en de straffen voor medeverdachten. Het hof acht in beginsel 18 maanden passend, maar komt tot matiging omdat het hof vaststelt dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM is geschonden.
De redelijke termijn vangt aan op 13 januari 2016 met de aanhouding op grond van een Europees aanhoudingsbevel. In eerste aanleg volgt op 25 juli 2019 vonnis, waardoor de overschrijding ongeveer één jaar en zes maanden bedraagt.
In hoger beroep wordt op 6 augustus 2019 hoger beroep ingesteld en volgt op 12 januari 2026 einduitspraak, waardoor de overschrijding ongeveer vier jaar en vijf maanden bedraagt, niet toe te rekenen aan de verdediging.
Het hof verlaagt daarom de straf naar een gevangenisstraf van 16 maanden, met aftrek van voorarrest. Het hof merkt op dat tenuitvoerlegging volledig binnen een penitentiaire inrichting plaatsvindt totdat eventueel een penitentiair programma of voorwaardelijke invrijheidsstelling aan de orde is.
Lees hier de volledige uitspraak.
