Sloopplannen wegen zwaarder dan huisrecht krakers bij strafrechtelijke ontruiming

Rechtbank Gelderland 6 februari 2026, ECLI:NL:RBGEL:2026:1133

Dit betreft een hoger beroep tegen een machtiging tot strafrechtelijke ontruiming van gekraakte panden op grond van artikel 551a Sv. De eigenaar wil de gebouwen slopen en 370 woningen realiseren en stelt een spoedeisend belang te hebben bij ontruiming. De krakers beroepen zich op hun huisrecht ex artikel 8 EVRM en betwisten de spoedeisendheid en proportionaliteit van de maatregel. De rechtbank oordeelt dat het eigendomsrecht in dit wettelijke kader primair is en dat geen uitzonderlijke omstandigheden zijn aangetoond die het huisrecht laten prevaleren. Ook mogelijke dakloosheid en onzekerheden rond vergunningen maken de ontruiming niet disproportioneel. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard, met uitstel van de ontruiming van gebouw H21 tot 17 februari 2026 om 12.00 uur.

Context van de zaak

In deze zaak staat een strafrechtelijke ontruiming op grond van artikel 551a Wetboek van Strafvordering centraal. Appellant is een natuurlijk persoon, geboren in 1995, die sinds omstreeks september 2025 zonder toestemming verblijft in gebouw H21 op het terrein De Hes West aan het adres in Oosterbeek.

Het terrein bestaat uit meerdere percelen die eigendom zijn van een bedrijf. Op het terrein staan voormalige bedrijfsgebouwen die al langere tijd niet meer als zodanig worden gebruikt. De eigenaar heeft het voornemen om de bestaande bebouwing te slopen en op deze locatie woningbouw te realiseren, in totaal 370 woningen. Voorafgaand aan de bouw moeten sloopwerkzaamheden plaatsvinden en moet uitgebreid bodemonderzoek worden uitgevoerd. Daarbij gaat het onder meer om onderzoek naar niet ontplofte explosieven vanwege gevechtshandelingen in september 1944, archeologische artefacten en asbest.

Enkele gebouwen zijn gekraakt. Het betreft gebouw H40, gebouw H31, gebouw H21 en gebouw H34. Appellant gebruikt gebouw H21. De procedure loopt tegelijk met zaken van andere gebruikers van de overige gebouwen; de rechtbank hanteert identieke overwegingen.

Tenlastelegging

De gebruikers verblijven zonder recht of titel in de panden en worden daarom verdacht van overtreding van artikel 138 en of 138a en of 139 Wetboek van Strafrecht, dus onder meer huisvredebreuk en kraken. De strafrechtelijke ontruimingsprocedure staat echter los van een strafvervolging: de gebruikers worden in deze zaak niet vervolgd voor het vermeende misdrijf. Wel vormt de verdenking de basis voor de bevoegdheid van het openbaar ministerie om ontruiming te vorderen op grond van artikel 551a Sv.

Tegelijkertijd staat vast dat de gebruikers al geruime tijd in de gebouwen wonen en dat hun daardoor, op basis van de rechtspraak over artikel 8 EVRM, een huisrecht toekomt. Daarmee botsen het eigendomsrecht van de eigenaar en het huisrecht van de gebruikers.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

Het openbaar ministerie vordert bij de rechter-commissaris een machtiging om een bevel te geven tot het verwijderen van alle personen die wederrechtelijk op de locatie verblijven, evenals de daar aanwezige goederen. Het openbaar ministerie stelt dat het eigendomsrecht en het daarmee samenhangende belang van de eigenaar bij sloop en voortgang van de plannen voor woningbouw in deze omstandigheden moet prevaleren boven het huisrecht van de krakers.

Volgens het openbaar ministerie is sprake van een spoedeisend belang: de sloop is al deels gestart en vervolgwerkzaamheden en bodemonderzoeken zijn ingepland, zodat het noodzakelijk is dat ook de gekraakte gebouwen vrij komen. In eerste aanleg vult het openbaar ministerie ter zitting de vordering aan met concrete termijnen voor ontruiming per gebouw. De rechter-commissaris wijst de vordering toe en koppelt daaraan uiterste data waarna het bevel tot ontruiming kan worden gegeven.

Standpunt van de verdediging

Appellant stelt hoger beroep in tegen de beslissing van de rechter-commissaris en verzoekt vernietiging van die beschikking en afwijzing van de vordering tot machtiging. De verdediging voert aan dat de eigenaar geen spoedeisend belang heeft dat zwaarder weegt dan het huisrecht van de gebruikers. Volgens de verdediging is het enkele voornemen tot sloop onvoldoende en blijkt niet dat kort na sloop daadwerkelijk woningbouw zal worden gerealiseerd.

De verdediging wijst daarnaast op diverse omstandigheden die volgens haar de proportionaliteit van onmiddellijke ontruiming aantasten. Het uitvoeren van explosievenonderzoek en archeologisch onderzoek zou niet worden belemmerd door de aanwezigheid van bewoners. Er is nog geen omgevingsvergunning aangevraagd, architecten zijn nog bezig en knelpunten zoals stikstofbeleid en netcongestie zijn niet opgelost. Ook voert de verdediging aan dat alternatieve woonruimte op korte termijn nauwelijks beschikbaar is, waardoor een ontruiming waarschijnlijk leidt tot dakloosheid.

Verder wordt in hoger beroep een procedureel verweer gevoerd dat het openbaar ministerie niet ontvankelijk zou moeten zijn omdat het kiest voor de strafvorderlijke route met minder waarborgen, in plaats van een civiel kort geding waarin de gebruikers meer mogelijkheden tot verweer hebben.

Oordeel van het betreffende gerecht

De rechtbank beoordeelt als raadkamer in hoger beroep of de rechter-commissaris de officier van justitie terecht machtigt om het bevel tot ontruiming te geven voor de betrokken gebouwen. De rechtbank schetst uitvoerig het wettelijke beoordelingskader en de achtergrond van artikel 551a Sv. Zij benadrukt dat de wetgever met de wet Handhaving kraakverbod expliciet beoogt snel en effectief te kunnen handhaven, het eigendomsrecht sterker te beschermen en kraken te ontmoedigen. De procedure is bewust kort: de rechter-commissaris moet binnen drie dagen beslissen en hoger beroep schorst de uitvoerbaarheid niet.

De rechtbank stelt voorop dat als uitgangspunt geldt dat het belang van de eigenaar in deze wettelijke systematiek primair is en het huisrecht van de kraker secundair, maar dat alsnog moet worden getoetst of de ontruiming in de concrete omstandigheden proportioneel is. Daarbij moet de eigenaar voldoende concreet onderbouwen dat sprake is van een spoedeisend belang bij ontruiming. Daartegenover moet de gebruiker uitzonderlijke omstandigheden aannemelijk maken die maken dat in dit specifieke geval het huisrecht toch voorrang krijgt.

De rechtbank acht het belang van de eigenaar zwaarwegend en concreet. Het plan ziet op de bouw van 370 woningen, wat zij als evident gerechtvaardigd aanmerkt, temeer in het licht van de krappe woningmarkt. De rechtbank acht bovendien spoedeisendheid aanwezig vanwege de planning van sloop en de noodzakelijke bodemonderzoeken. De rechtbank neemt ook mee dat de gebruikers al geruime tijd op de hoogte zijn van sloop- en bouwplannen en dus rekening houden met een onvermijdelijke ontruiming.

De door de verdediging aangevoerde omstandigheden kwalificeren volgens de rechtbank niet als uitzonderlijke omstandigheden die de door de wetgever beoogde belangenafweging doorbreken. De mogelijke dakloosheid is volgens de rechtbank geen doorslaggevende factor, omdat deze consequentie al is meegewogen bij de totstandkoming van artikel 551a Sv. Ook de stellingen over vergunningverlening, stikstof en natuurbescherming leiden niet tot een andere uitkomst. De rechtbank wijst erop dat dit onderwerpen zijn die in deze summiere procedure niet kunnen worden uitgeprocedeerd.

Vervolgens beoordeelt de rechtbank het risico op ongerechtvaardigde en langdurige leegstand. Zij acht aannemelijk dat de eigenaar voortvarend handelt: sloopwerk is al gestart, daarna volgt bodemonderzoek en parallel lopen de trajecten voor tekeningen en vergunningen door. De door de verdediging bepleite voorwaarde dat ontruiming pas proportioneel is na het indienen van een vergunningaanvraag of het bestaan van een ontwerpvergunning verwerpt de rechtbank.

De rechtbank voegt ten overvloede procedurele beschouwingen toe. Zij erkent dat de strafvorderlijke route gebruikers in een processueel lastige positie brengt en dat dit vragen kan oproepen over fair trial en equality of arms in de zin van artikel 6 EVRM. Ook signaleert zij een mogelijk risico op misbruik van de regeling. In deze zaak is echter niet gebleken dat daarvan sprake is. Het niet-ontvankelijkheidsverweer wordt verworpen.

De rechtbank verklaart het hoger beroep ongegrond, met één uitzondering: zij stelt de ontruimingsdatum voor gebouw H21 uit tot 17 februari 2026 om 12.00 uur. Voor het overige bevestigt zij de beschikking.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^