De boete voor de belastingadviseur: hoe stevig moet het bewijs zijn?

De naamgever van een belastingadvieskantoor kreeg een zogenoemde deelnemersboete opgelegd wegens vermeende betrokkenheid bij het niet aangeven van vennootschapsbelasting door Curaçaose entiteiten. De kern van het verwijt: de belastingadviseur zou hebben geweten dat de feitelijke leiding van de entiteiten in Nederland lag en daarmee hebben bijgedragen aan het niet (juist) doen van belastingaangifte. Rechtbank Gelderland maakte daar op 12 december 2025 korte metten mee en vernietigde de vergrijpboete op maar liefst vier zelfstandige gronden.

De uitspraak staat niet op zichzelf. Op dezelfde dag vernietigde de rechtbank in een parallelle zaak (ECLI:NL:RBGEL:2025:10897) ook de deelnemersboete van een fiscalist van een accountantskantoor die in dezelfde structuur betrokken was. Het totale bedrag aan vernietigde boetes bedroeg € 120.000.

Beide uitspraken zijn pas op 10 maart 2026 gepubliceerd op rechtspraak.nl.

De feiten in het kort

De zaak draaide om een vermogende aandeelhouder die via een web van Curaçaose en Nederlandse vennootschappen een belastingbesparende structuur in stand hield. De inspecteur concludeerde na een vestigingsplaatsonderzoek dat de werkelijke leiding van de Curaçaose vennootschappen niet op Curaçao, maar in Nederland werd uitgeoefend, namelijk door de aandeelhouder zelf samen met zijn adviseurs.

De navorderingsaanslagen vennootschapsbelasting 2015 bleven in stand: de rechtbank achtte aannemelijk dat de kernbeslissingen ten aanzien van het vermogen van de vennootschappen inderdaad in Nederland werden genomen (r.o. 62). Maar het beboeten van de betrokken adviseurs bleek een ander verhaal.

Het belastingadvieskantoor had in de periode 2010-2015 in totaal 1.006 uren gefactureerd voor werkzaamheden aan de vennootschappen, voor een bedrag van € 312.907. Van die uren stonden er slechts 70 op naam van belanghebbende. De dienstverleningsovereenkomsten waren uitsluitend ondertekend door een partner van het kantoor, niet door belanghebbende zelf.

Vier gronden voor vernietiging

De rechtbank vernietigde de boete op vier onafhankelijke gronden. Elke grond draagt de beslissing zelfstandig.

1. Onzorgvuldige toestemmingsprocedure

Voor het opleggen van een deelnemersboete is op grond van paragraaf 2, zesde lid, van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst (BBBB) voorafgaande toestemming nodig van de algemeen directeur en het Directoraat-Generaal Belastingdienst. De Hoge Raad bevestigde in zijn arrest van 6 september 2024 (ECLI:NL:HR:2024:1132) dat dit toestemmingsvereiste een waarborg is waaraan de rechter inhoudelijk kan toetsen en niet slechts een interne instructienorm betreft.

De rechtbank oordeelde dat de toestemming in deze zaak weliswaar formeel was verleend, maar "uitermate onzorgvuldig" tot stand was gekomen. Het verzoek om toestemming bevatte slechts conclusies van de schrijver, zonder concrete feiten en omstandigheden over het handelen van belanghebbende persoonlijk (r.o. 53). Het bijgevoegde rapport van het vestigingsplaatsonderzoek maakte nauwelijks onderscheid tussen het belastingadvieskantoor als organisatie en de persoon van de adviseur. Daardoor werd, zonder enige onderbouwing, de indruk gewekt dat alle handelingen van het kantoor aan belanghebbende toe te rekenen waren.

Relevante feiten werden weggelaten. Het beperkte aantal van 70 uren (van de 1.006 in totaal) dat belanghebbende had geschreven, werd niet vermeld, terwijl dit volgens de rechtbank een relevant feit was voor de mate van betrokkenheid. De toestemmingsverleners konden hun waarborgfunctie daardoor onmogelijk serieus uitoefenen (r.o. 54).

2. Geen beboetbaar feit bij de vennootschappen

Wellicht het meest fundamentele punt. De rechtbank had op dezelfde dag in de zaken tegen de vennootschappen zelf (ECLI:NL:RBGEL:2025:10872 en ECLI:NL:RBGEL:2025:10876) geoordeeld dat de vennootschappen geen opzet of grove schuld kon worden verweten. De aandeelhouder en het formele bestuur mochten vertrouwen op het belastingadvieskantoor dat hen bijstond, conform het arrest HR 13 januari 2023 (ECLI:NL:HR:2023:26).

De logica is helder: als de vennootschappen zelf geen beboetbaar feit hebben begaan omdat hun geen opzet of grove schuld treft, dan vervalt daarmee de grondslag voor elke deelnemingsvariant. Zonder beboetbaar feit bij de pleger kan er geen sprake zijn van feitelijk leidinggeven, medeplegen of medeplichtigheid door de adviseur (r.o. 63-64).

3. Geen bewijs van opzet of wetenschap bij belanghebbende

De rechtbank stelde bij de beoordeling van het opzet voorop dat toerekening van opzet of grove schuld van de ene persoon aan de andere niet mogelijk is (vgl. HR 1 december 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU7741 en HR 4 oktober 2024, ECLI:NL:HR:2024:1394). De kennis die aanwezig was bij het belastingadvieskantoor als geheel, kon dus niet zonder meer aan belanghebbende worden toegerekend.

De inspecteur wees als bewijs op presentaties waarin het risico van een vestigingsplaatsdiscussie was benoemd. Maar de rechtbank oordeelde dat het enkele feit dat belanghebbende op de hoogte was van een fiscaal risico, niet betekent dat hij wist of bewust de aanmerkelijke kans aanvaardde dat dat risico zich ook daadwerkelijk had verwezenlijkt (r.o. 72).

Vervolgens liep de rechtbank per vennootschap het aangedragen e-mailverkeer langs. Bij elk voorbeeld was de conclusie dezelfde: de e-mails bewezen niet dat belanghebbende betrokken was bij de investeringsbeslissingen, laat staan dat hij wist dat deze beslissingen niet door het formele bestuur op Curaçao maar door de aandeelhouder in Nederland werden genomen. In veel gevallen stond belanghebbende slechts in de cc of fungeerde hij als doorgeefluik naar de partner van het kantoor (r.o. 74-84).

4. Geen gedraging die als deelneming kwalificeert

Tot slot oordeelde de rechtbank dat ook niet was bewezen dat belanghebbende handelingen had verricht die als feitelijk leidinggeven, medeplegen of medeplichtigheid kunnen worden aangemerkt (r.o. 91).

Adviseren over een structuur is op zichzelf geen verboden gedraging (vgl. HR 16 maart 2021, ECLI:NL:HR:2021:391). Voor medeplegen is een bijdrage van voldoende gewicht vereist, maar die was niet bewezen nu betrokkenheid bij de investeringen zelf niet was vastgesteld. De enkele stelling van de inspecteur dat belanghebbende behulpzaam was bij het opzetten van de structuur achtte de rechtbank volstrekt onvoldoende voor medeplichtigheid, nu het opzetten van een structuur als zodanig geen verboden gedraging is.

Een dossier van duizenden pagina's is nog geen bewijs

Een opvallend onderdeel van de uitspraak betreft het procesgedrag van de inspecteur. Ter staving van de boete verwees hij naar het rapport van het vestigingsplaatsonderzoek met ruim 2.200 bijlagen, 1.277 nader ingebrachte documenten ter grootte van ruim 27.000 pagina's, plus uit de FIOD afkomstige stukken (r.o. 43, 68).

De rechtbank sprak hierover scherpe woorden. De inspecteur had nauwelijks concreet gesteld voor welk feit welk bewijsmiddel als bewijs moest dienen. In wezen verwees hij slechts naar een grote hoeveelheid e-mails en documenten. Het ligt niet op de weg van de rechtbank om in een dossier van tienduizenden pagina's zelf naar bewijs te gaan zoeken dat de stellingen van de inspecteur zou staven (r.o. 45, 68).

Tunnelvisie en integrale proceskostenvergoeding

De rechtbank oordeelde dat de inspecteur "tegen beter weten in" had geprocedeerd en "ernstig onzorgvuldig" had gehandeld (r.o. 100-103). Het rapport bood geen enkel aanknopingspunt voor persoonlijke betrokkenheid van belanghebbende. In de bezwaarfase was de inspecteur daar nadrukkelijk op gewezen en werd door de managing partner van het kantoor bevestigd dat niet belanghebbende maar een andere partner eindverantwoordelijk was. Toch bleef de inspecteur zijn standpunt handhaven, zonder met nieuw, dragend bewijs te komen.

De inspecteur had zich volgens de rechtbank bediend van aannames en gevolgtrekkingen die op geen enkele wijze uit de feiten konden worden afgeleid. De conclusie: "Het kan daarom niet anders dan dat de inspecteur in een tunnelvisie terecht is gekomen" (r.o. 103).

De gevolgen waren navenant. De rechtbank kende een integrale proceskostenvergoeding toe van € 68.791,54, een immateriële schadevergoeding van € 2.000 wegens overschrijding van de redelijke termijn en vernietigde de boete volledig. In de parallelle zaak van de fiscalist (ECLI:NL:RBGEL:2025:10897) werd een hogere proceskostenvergoeding van € 25.000 toegekend.

Lessen uit deze uitspraak

De uitspraak markeert een heldere grens voor de beboeting van fiscale adviseurs en is om meerdere redenen van belang voor de praktijk.

De toestemmingsprocedure is geen formaliteit. Sinds het arrest van de Hoge Raad van 6 september 2024 is duidelijk dat de rechter de totstandkoming van de toestemming inhoudelijk kan toetsen. Deze uitspraak laat zien wat dat in de praktijk betekent: als de inspecteur onvolledige of gekleurde informatie aan de toestemmingsverleners verstrekt, kan dat op zichzelf al leiden tot vernietiging van de boete.

De bewijslat ligt hoog en is individueel. De inspecteur moet concreet en overtuigend bewijzen dat de adviseur persoonlijk opzet had op de verboden gedraging en dat zijn bijdrage van voldoende gewicht was. Kennis bij het kantoor is niet gelijk aan kennis bij de persoon. Wetenschap van een risico is niet gelijk aan wetenschap dat het risico zich heeft verwezenlijkt.

De rol van een adviseur moet feitelijk worden vastgesteld, niet verondersteld. Dat iemand naamgever van een kantoor is, een hoog uurtarief heeft of bij presentaties aanwezig was, maakt hem nog niet tot eindverantwoordelijke of feitelijk leidinggever. De inspecteur moet met concrete bewijsmiddelen aantonen wat de daadwerkelijke rol was.

Zonder beboetbaar feit bij de pleger geen deelnemersboete. Als de vennootschappen zelf geen opzet of grove schuld treft omdat zij mochten vertrouwen op hun adviseur, ontbreekt het onderliggende beboetbare feit. Dat snijdt de grondslag voor elke deelnemingsvariant weg.

Kwantiteit is geen kwaliteit. Een dossier van tienduizenden pagina's vormt geen bewijs als de inspecteur niet specificeert welk stuk welke stelling onderbouwt. De bewijslast, zeker in boetezaken, vereist precisie.

Afsluiting

Een boete voor de adviseur vereist meer dan een structuur, een vermoeden en een stapel e-mails. Dat is, in een zin, de boodschap van deze uitspraak.

Print Friendly and PDF ^