Criminele organisatie in het milieustrafrecht: agrarisch adviesbureau faciliteert fraude met vergunningen en GDI
/Rechtbank ’s‑Hertogenbosch 11 december 2025, ECLI:NL:GHSHE:2025:3603
Het gerechtshof ’s-Hertogenbosch veroordeelt een agrarisch adviesbureau wegens medeplegen van valsheid in geschrift en deelname aan een criminele organisatie. Binnen de onderneming was sprake van een structurele bedrijfscultuur waarin wetsovertreding werd genormaliseerd. Valselijk opgemaakte documenten werden gebruikt om onder meer fosfaatrechten te verhogen, vergunningstrajecten te omzeilen en subsidies binnen te halen. Bestuurders en medewerkers handelden met opzet en in georganiseerd verband. Het hof acht de gedragingen aan de rechtspersoon toerekenbaar. De opgelegde straf bedraagt een geldboete van 180.000 euro.
Context van de zaak
Deze strafzaak in hoger beroep betreft een rechtspersoon, een agrarisch adviesbureau gespecialiseerd in begeleiding van veehouderijbedrijven, met als statutaire zetel gevestigd te een adres in Nederland. De onderneming richt zich onder meer op advisering bij subsidieregelingen, milieuwetgeving, mestboekhouding en ruimtelijke ordening. Tegen deze rechtspersoon liep een uitgebreid strafrechtelijk onderzoek met de codenaam 'Kievit', gestart door de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit in 2017. Het onderzoek spitst zich toe op het systematisch vervalsen van documenten, frauduleuze subsidieaanvragen en misbruik van milieuwetgeving. Ook is onderzocht of sprake was van deelname aan een criminele organisatie, gericht op het plegen van misdrijven.
De verdachte is in eerste aanleg op 20 december 2022 door de rechtbank Oost-Brabant veroordeeld tot een geldboete van 400.000 euro, waarvan 200.000 euro voorwaardelijk. Het gerechtshof ’s‑Hertogenbosch behandelt het hoger beroep en doet op 11 december 2025 uitspraak.
Tenlastelegging
Aan de verdachte wordt verweten dat zij zich in de periode van 2016 tot en met 2019 meermalen schuldig maakt aan het medeplegen van valsheid in geschrift, telkens gepleegd door een rechtspersoon (feiten 1 tot en met 6 primair), en daarnaast heeft deelgenomen aan een criminele organisatie die het oogmerk had misdrijven te plegen, eveneens begaan door een rechtspersoon (feit 7). Deze organisatie zou zich onder meer richten op stelselmatige schending van de Wet milieubeheer, de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en de Meststoffenwet.
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
De advocaat-generaal acht de feiten wettig en overtuigend bewezen. Zij stelt dat uit het dossier en het onderzoek ter terechtzitting blijkt dat de verdachte zich structureel en doelgericht schuldig maakt aan het vervalsen van documenten met het oogmerk deze als echt en onvervalst te gebruiken, dan wel te doen gebruiken. Daarnaast stelt het Openbaar Ministerie dat sprake is van een crimineel samenwerkingsverband binnen de structuur van de rechtspersoon, waarin de leidinggevenden opzettelijk bijdragen aan het plegen van strafbare feiten.
De advocaat-generaal vordert bevestiging van de bewezenverklaring, met oplegging van een geldboete van 200.000 euro, zonder voorwaardelijk deel.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging voert aan dat de rechtspersoon moet worden vrijgesproken van de gehele tenlastelegging. Volgens de verdediging ontbreekt het aan de vereiste opzet, is geen sprake van valsheid in geschrift en heeft de verdachte zich op geen enkel moment schuldig gemaakt aan deelname aan een criminele organisatie. Er wordt betoogd dat de rechtspersoon binnen de grenzen van wet- en regelgeving adviseert, en dat eventuele onjuistheden op individuele fouten van medewerkers berusten.
Het oordeel van het gerechtshof
Het gerechtshof acht de rechtspersoon schuldig aan het medeplegen van valsheid in geschrift in zeven dossiers, en aan deelneming aan een criminele organisatie. Het hof vernietigt het vonnis van de rechtbank voor zover het de bewezenverklaring en strafoplegging betreft, maar bevestigt de veroordeling. Daarbij gaat het hof uitgebreider in op de organisatiecultuur binnen de rechtspersoon, de rol van de (middellijk) bestuurders, en de bewijsconstructie.
De bewezenverklaring
Het hof acht bewezen dat de rechtspersoon in de periode van januari 2016 tot en met juni 2019:
Valsheid in geschrift pleegt door het indienen van fictieve melkproductiegegevens bij de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) met het doel extra fosfaatrechten te verkrijgen.
Een bouwtekening van een mestsilo vervalst door een onjuiste inhoudsmaat te vermelden, om onder een veronderstelde vergunningsplichtige grens van 2500 m³ te blijven.
Een vervalste factuur en opdrachtbevestiging gebruikt voor een subsidieaanvraag (POP3) en daarbij data terugplaatst om aan de subsidieregels te voldoen.
Gefingeerde staldocumentatie over waterverbruik en dierverblijf opmaakt ter misleiding van een toezichthoudende instantie.
Een Gecombineerde Data Inwinning-opgave indient waarin percelen worden opgenomen die niet in gebruik zijn bij de aanvragende veehouderij, met het doel een hogere stikstofruimte te creëren.
Op gelijke wijze een andere GDI-indiening manipuleert met behulp van luchtfoto’s en perceelregistraties van gronden die niet tot het bedrijf behoren.
Deelneemt aan een organisatie met als oogmerk het meermalen plegen van valsheid in geschrift en het overtreden van milieurechtelijke en omgevingsrechtelijke voorschriften.
Bedrijfscultuur en organisatieverband
Het hof constateert een structureel patroon van handelen waarbij adviseurs en bestuurders doelbewust constructies opzetten of faciliteren die in strijd zijn met de wet. Daarbij werd in interne besprekingen openlijk gesproken over het “recht rekenen van onjuiste gegevens” en het “passen maken van papieren werkelijkheid”. Meerdere getuigen verklaren over een bedrijfscultuur waarin de belangen van klanten prevaleren boven naleving van wetgeving. Medewerkers worden aangemoedigd om oplossingen te vinden die in het voordeel van de klant zijn, zelfs als die in strijd zijn met regelgeving.
Het hof stelt vast dat deze werkwijze wordt gedragen door de (middellijk) bestuurders van de rechtspersoon en dat van corrigerend optreden, na eerdere strafrechtelijke veroordeling in 2017, geen sprake is geweest. Dit vormt de kern van het oordeel dat sprake is van een criminele organisatie.
Toerekening aan de rechtspersoon
De bewezen feiten zijn gepleegd door natuurlijke personen die als bestuurder, adviseur of werknemer in dienst zijn bij de rechtspersoon. Het hof is van oordeel dat hun handelen binnen de normale bedrijfsvoering valt en dienstig is geweest aan de rechtspersoon. Het feit dat valsheid in geschrift een reguliere praktijk vormt binnen het bedrijf, maakt dat de gedragingen redelijkerwijs aan de rechtspersoon kunnen worden toegerekend. De verdachte heeft aldus gehandeld in strijd met haar maatschappelijke verantwoordelijkheid als professionele dienstverlener.
Strafoplegging
Het hof overweegt dat de feiten ernstig zijn, structureel van aard, en een groot maatschappelijk en bestuurlijk belang raken. Door het systematisch creëren van een papieren werkelijkheid zijn overheid en toezichthouders misleid, zijn oneigenlijke subsidies verkregen, zijn vergunningstrajecten ontdoken en is regelgeving inzake meststoffen en milieu opzijgeschoven. Het vertrouwen in professionele intermediairs in de agrarische sector is ernstig geschaad.
De oorspronkelijke straf van 400.000 euro wordt aangepast. Gezien de redelijke termijn die met één jaar is overschreden in hoger beroep, wordt een korting toegepast van 10 procent. Het hof acht een geldboete van 180.000 euro passend en geboden.
Strafbepaling
De verdachte wordt veroordeeld tot betaling van een geldboete van 180.000 euro.
Lees hier de volledige uitspraak.
