Jarenlange blootstelling aan formaldehyde: gerechtshof veroordeelt twee leidinggevenden van filterbedrijf wegens schending Arbowet
/Rechtbank Arnhem‑Leeuwarden 14 januari 2026, ECLI:NL:GHARL:2026:181 en ECLI:NL:GHARL:2026:182
Het hof Arnhem-Leeuwarden heeft op 14 januari 2026 twee leidinggevenden van een filterbedrijf veroordeeld voor feitelijk leidinggeven aan structurele schending van de Arbowet. Werknemers werden jarenlang blootgesteld aan te hoge concentraties formaldehyde zonder bescherming of voorlichting. Het hof acht ook artikel 13 Arbowet geschonden: het bedrijf had onvoldoende deskundige werknemers ingezet en kon niet volstaan met externe bijstand. De SHEQ-medewerkers bleken niet deskundig genoeg om risico’s te beheersen. Beide verdachten krijgen een voorwaardelijke gevangenisstraf en een taakstraf. Schadevorderingen van werknemers zijn niet-ontvankelijk verklaard in het strafproces.
Achtergrond
Op 14 januari 2026 heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden in twee samenhangende zaken arrest gewezen tegen twee voormalige leidinggevenden van een internationaal opererend filterbedrijf. Het hof achtte bewezen dat beide verdachten als feitelijk leidinggevers betrokken waren bij structurele en ernstige overtredingen van de Arbeidsomstandighedenwet. Werknemers van het bedrijf zijn gedurende meerdere jaren op de zogenoemde glasafdeling – waar filterdoek werd geproduceerd – blootgesteld aan hoge concentraties formaldehyde, zonder adequate bescherming, voorlichting of toezicht. De ernst en duur van de blootstelling, in combinatie met het passieve en nalatige optreden van de bedrijfsleiding, hebben tot strafrechtelijke veroordelingen geleid. De uitspraken zijn juridisch belangwekkend, onder meer vanwege de uitgebreide overwegingen over artikel 13 van de Arbowet: de verplichting van de werkgever om zich te laten bijstaan door deskundige werknemers.
Structurele blootstelling aan formaldehyde zonder bescherming
De productie op de glasafdeling, ook wel aangeduid als ‘spinning en pulling’, vond plaats met gebruikmaking van lijm op basis van formaldehyde. Deze chemische stof stond al sinds 2007 op de lijst van Zeer Zorgwekkende Stoffen en is sinds 1 januari 2016 geclassificeerd als kankerverwekkend (Carcinogeen 1B). Reeds in 2008 en 2010 wezen interne en externe rapporten op substantiële overschrijding van de grenswaarden voor blootstelling op de werkvloer. In 2017 leidde een inspectie door de Arbeidsinspectie tot stillegging van de afdeling.
Ondanks signalen van werknemers, waarschuwingen in risico-inventarisaties en meetresultaten uit verschillende jaren, ondernam het bedrijf geen serieuze actie. Er werd geen werk gemaakt van structurele aanpassing van het productieproces, vervanging van formaldehydehoudende lijm of inzet van doeltreffende beschermingsmaatregelen. Evenmin kregen werknemers afdoende voorlichting of instructie over de gezondheidsrisico’s van hun werkzaamheden.
Verdachten: plantmanager en vicepresident operations
De twee strafzaken betroffen de toenmalige plantmanager van de locatie in Nederland (werkzaam tot medio 2017) en diens hiërarchisch leidinggevende, de vicepresident operations, verantwoordelijk voor meerdere Europese productielocaties. Beiden waren nauw betrokken bij rapportages over blootstelling, hielden toezicht op de productielocatie en hadden formele en feitelijke invloed op het arbobeleid. Desondanks lieten zij structureel na om op te treden tegen de gevaarlijke werkomstandigheden.
Het hof achtte bewezen dat beide verdachten zich bewust waren van de aanmerkelijke kans op ernstige gezondheidsschade bij werknemers, onder meer neuskanker. Die kans hebben zij aanvaard door niet in te grijpen. Daarmee is sprake van feitelijk leidinggeven aan opzettelijke overtreding van artikel 32 van de Arbowet door de rechtspersoon.
Artikel 13 Arbowet: zorg voor deskundige bijstand binnen de organisatie
Opvallend in de beide arresten is de uitgebreide motivering van het hof ten aanzien van de schending van artikel 13 van de Arbowet. Deze bepaling verplicht de werkgever om zich bij de naleving van zijn verplichtingen op grond van de Arbowet te laten bijstaan door een of meer deskundige werknemers. Het is een bepaling die zelden centraal staat in strafzaken, maar in deze context wél zwaarwegend werd geacht.
Het hof benadrukt dat het zorg-op-maatprincipe geldt: voor ieder bedrijf dienen de juiste deskundigheid, ervaring en uitrusting beschikbaar te zijn. De wetgever gaat ervan uit dat deskundige bijstand in beginsel intern wordt georganiseerd. Alleen in uitzonderlijke gevallen – zoals bij incidentele werkzaamheden of tijdelijke technische wijzigingen – kan een werkgever volstaan met externe deskundigen. Van een groot, professioneel opererend bedrijf als in deze zaak mag worden verwacht dat het beschikt over voldoende en adequaat geschoolde interne deskundigen die continu beschikbaar zijn.
In de praktijk bleek dit bij het filterbedrijf niet het geval. Twee SHEQ‑medewerkers vervulden deze rol, maar het hof stelde vast dat zij aantoonbaar onvoldoende deskundig waren. Zij beschikten niet over actuele kennis van de gevaren van formaldehyde, hadden geen inzicht in blootstellingsnormen en verrichtten geen doeltreffende risicobeoordelingen. Eén van hen verklaarde dat hij pas tijdens het onderzoek door de Arbeidsinspectie vernam dat formaldehyde kankerverwekkend is. Een ander trof pas in 2017, bij toeval, oude meetrapporten aan in een kast. Daarmee werd naar het oordeel van het hof niet voldaan aan de wettelijke verplichting om deskundige werknemers aan te wijzen die de werkgever bijstaan in de uitvoering van zijn zorgplicht.
Extern inhuren niet voldoende bij structurele processen
Ook wijst het hof erop dat het inhuren van externe deskundigen – wat slechts in beperkte mate was gebeurd – in dit geval niet volstond. Op de afdeling werd continu en intensief gewerkt met een gevaarlijke stof, hetgeen vereist dat deskundige bijstand structureel aanwezig is. Het hof stelt dat de betreffende afdeling non-stop draaide en dat daarom permanent deskundige ondersteuning noodzakelijk was om risico’s te analyseren en maatregelen te treffen. Dat heeft het bedrijf nagelaten.
Bewezenverklaring en strafoplegging
Het hof acht bewezen dat de onderneming gedurende de periode januari 2013 tot en met oktober 2017 opzettelijk heeft gehandeld in strijd met meerdere voorschriften uit de Arbowet en het Arbeidsomstandighedenbesluit. Beide leidinggevenden worden veroordeeld voor feitelijk leidinggeven aan deze strafbare gedragingen. De plantmanager krijgt een gevangenisstraf van drie maanden voorwaardelijk en een taakstraf van 180 uur. De vicepresident operations krijgt vier maanden voorwaardelijk en eveneens een taakstraf van 180 uur. Daarbij houdt het hof rekening met de ernst van de feiten, de lange duur van de blootstelling, het ontbreken van eigen voordeel en het tijdsverloop van de procedure.
Vorderingen benadeelden niet-ontvankelijk verklaard
Tientallen (oud‑)werknemers hebben zich in de strafprocedure als benadeelde partij gevoegd. Zij vorderden schadevergoeding vanwege gezondheidsschade of angst daarvoor. Gelet op de uiteenlopende omstandigheden en het feit dat veel vorderingen niet waren onderbouwd, heeft het hof deze vorderingen – net als de rechtbank – niet-ontvankelijk verklaard. De benadeelden kunnen hun vorderingen alsnog aanhangig maken bij de burgerlijke rechter.
Conclusie: duidelijke waarschuwing voor werkgevers en bestuurders
Deze arresten markeren een belangrijk juridisch moment waarin het hof expliciet ingaat op de verplichting tot het inzetten van deskundige werknemers zoals bedoeld in artikel 13 Arbowet. Het onderstreept dat bedrijven – met name grotere organisaties die structureel met gevaarlijke stoffen werken – niet kunnen volstaan met papieren beleid of passieve naleving. Ook het inhuren van incidentele externe expertise volstaat niet als er binnen de organisatie onvoldoende deskundigheid is georganiseerd.
Bestuurders en leidinggevenden die hun rol als eindverantwoordelijke onvoldoende serieus nemen, kunnen daarmee strafrechtelijk aansprakelijk worden gehouden. De zorg voor gezonde en veilige arbeidsomstandigheden is geen optionele bestuursverantwoordelijkheid, maar een harde wettelijke plicht – met persoonlijke consequenties indien zij wordt geschonden.
Lees hier de volledige uitspraken:
