Raad van State bevestigt beperking inzagerecht politiegegevens op grond van opsporingsbelang
/Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State 29 april 2026, ECLI:NL:RVS:2026:2435
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelt dat de korpschef van politie de inzage in politiegegevens mag beperken voor zover dit noodzakelijk en evenredig is voor de opsporing en vervolging van strafbare feiten. Appellant heeft volledige inzage in zijn politiedossier verzocht en verwijdering verlangd van registraties over zijn mentale gezondheid. Doordat appellant geen toestemming heeft verleend op grond van artikel 8:29, vijfde lid, Awb kan de bestuursrechter niet beoordelen of de gedeeltelijke weigering van inzage rechtmatig is. De Afdeling gaat er daarom van uit dat de korpschef op juiste gronden geen volledige inzage heeft verleend. Het verwijderingsverzoek heeft zijn belang verloren omdat de bestreden registraties inmiddels zijn vernietigd. De gevorderde schadevergoeding van € 500.000 wordt afgewezen wegens onbevoegdheid en gebrek aan onderbouwing.
Inleiding en context
Appellant, een natuurlijk persoon, heeft de korpschef van politie verzocht om inzage in zijn politiedossier en daarnaast om wijziging en gedeeltelijke verwijdering van politiegegevens. Bij besluiten van 15 november 2023 en 7 maart 2024 heeft de korpschef op deze verzoeken gereageerd. De korpschef heeft de inzage gedeeltelijk verleend en zich voor het overige op het standpunt gesteld dat volledige inzage achterwege moet blijven in het belang van de opsporing, het onderzoek en de vervolging van strafbare feiten of de tenuitvoerlegging van straffen. Naar aanleiding van de gedeeltelijke inzage heeft appellant verzocht bepaalde registraties te wijzigen of te verwijderen. Hij stelt dat de politie hem ten onrechte heeft geregistreerd als schizofreen en psychisch niet in orde, dat ten onrechte is genoteerd dat hij in een fantasiewereld zou leven en dat hij ten onrechte als complotdenker is aangemerkt. Volgens appellant heeft hij nooit strafbare feiten gepleegd. De korpschef heeft één registratie verwijderd op grond van de geldende bewaartermijn van vijf jaar. Twee andere registraties zijn niet verwijderd, omdat deze volgens de korpschef nodig zijn voor de uitvoering van de politietaak en een beeld geven in het kader van eventuele hulpverlening. De korpschef heeft daarbij medegedeeld dat eventuele medische termen zijn geverifieerd, nu uit navraag bleek dat appellant in 2019 was aangemeld bij een GGZ-instelling. De rechtbank Rotterdam heeft bij uitspraak van 6 november 2024 (zaaknummers 23/8582 en 24/2893) de beroepen van appellant ongegrond verklaard. Tegen die uitspraak heeft appellant hoger beroep ingesteld bij de Afdeling.
Wettelijk kader
De zaak betreft de toepassing van het inzagerecht in het kader van politiegegevens en raakt het strafrechtelijke domein doordat de weigering van volledige inzage berust op opsporings- en vervolgingsbelangen. Centraal staan artikel 25 van de Wet politiegegevens (Wpg), dat de betrokkene het recht geeft de over hem verwerkte politiegegevens te controleren door middel van een volledig overzicht in begrijpelijke vorm, en artikel 27, eerste lid, aanhef en onder b, Wpg, dat afwijzing van een inzageverzoek mogelijk maakt voor zover dit noodzakelijk en evenredig is ter vermijding van nadelige gevolgen voor de voorkoming, de opsporing, het onderzoek en de vervolging van strafbare feiten of de tenuitvoerlegging van straffen. Voorts zijn van belang artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), op grond waarvan stukken uitsluitend door de bestuursrechter kunnen worden ingezien, en artikel 8:89, tweede lid, Awb, dat de bevoegdheid van de bestuursrechter in zaken over schadevergoeding beperkt tot een bedrag van € 25.000. Appellant heeft zich daarnaast beroepen op de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG).
Standpunt van de korpschef
De korpschef stelt zich op het standpunt dat volledige inzage in de politiegegevens van appellant niet kan worden verleend, omdat dit noodzakelijk is in het belang van de opsporing, het onderzoek en de vervolging van strafbare feiten of de tenuitvoerlegging van straffen. Ter onderbouwing van die weigering heeft de korpschef met toepassing van artikel 8:29, eerste lid, Awb stukken overgelegd waarvan uitsluitend de bestuursrechter kennis mag nemen. Ten aanzien van het verwijderingsverzoek heeft de korpschef zich aanvankelijk op het standpunt gesteld dat de twee resterende registraties bewaard moeten blijven, omdat deze nodig zijn voor de uitvoering van de politietaak en een beeld geven in het kader van eventuele hulpverlening. Ter zitting bij de Afdeling op 29 januari 2026 heeft de korpschef evenwel verklaard dat de twee betreffende registraties inmiddels zijn vernietigd.
Standpunt van appellant
Appellant betoogt dat de rechtbank zijn beroepen ten onrechte ongegrond heeft verklaard. Hij voert aan dat in de politiesystemen ten onrechte staat geregistreerd dat hij paranoïde-schizofreen is. Ter ondersteuning van deze stelling verwijst hij naar verklaringen van zijn huisarts en van Parnassia, waaruit volgens hem blijkt dat van paranoïde schizofrenie geen sprake is. Volgens appellant spreekt de politie kwaad over hem en levert de registratie een onjuist beeld op. Hij stelt nooit strafbare feiten te hebben gepleegd. Voorts voert appellant aan dat naar hem een geheim onderzoek wordt gedaan en dat hij ook in dat onderzoek inzage wenst. De verwerking van zijn gegevens in de politiesystemen is volgens hem in strijd met de AVG. Appellant verzoekt de Afdeling de korpschef op te dragen alle onjuiste gegevens te verwijderen of te corrigeren en hem volledige inzage te verlenen. Daarnaast vordert hij een schadevergoeding van € 500.000 wegens schade aan zijn reputatie, zijn psychisch welzijn, een misgelopen carrière en zijn maatschappelijke integriteit. Appellant heeft uitdrukkelijk geen toestemming verleend in de zin van artikel 8:29, vijfde lid, Awb om mede op grondslag van de vertrouwelijke stukken uitspraak te doen.
Oordeel van de Afdeling
De Afdeling stelt vast dat de korpschef ter zitting heeft verklaard dat de twee registraties waarvan appellant verwijdering wenste, inmiddels zijn vernietigd. In zoverre bestaat geen belang meer bij een beoordeling van het hoger beroep. Appellant heeft niet anderszins aannemelijk gemaakt dat hij belang heeft bij een oordeel over het verwijderingsverzoek, zodat de Afdeling zich uitsluitend buigt over de weigering van volledige inzage.
Onder verwijzing naar haar eerdere uitspraak van 11 december 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:5090, onder 5.2) overweegt de Afdeling dat het inzagerecht van artikel 25 Wpg de betrokkene in staat stelt de over hem verwerkte politiegegevens te controleren wanneer aan hem een volledig overzicht in begrijpelijke vorm wordt verstrekt. Op grond van artikel 27, eerste lid, aanhef en onder b, Wpg wordt een inzageverzoek afgewezen voor zover dit noodzakelijk en evenredig is ter vermijding van nadelige gevolgen voor de voorkoming, de opsporing, het onderzoek en de vervolging van strafbare feiten of de tenuitvoerlegging van straffen.
De korpschef heeft de stukken die de weigering onderbouwen overgelegd onder artikel 8:29, eerste lid, Awb, met het verzoek dat alleen de bestuursrechter daarvan kennis neemt. Doordat appellant de toestemming als bedoeld in artikel 8:29, vijfde lid, Awb heeft geweigerd, kan de Afdeling niet nagaan of de korpschef terecht geen volledige inzage heeft verleend. De Afdeling gaat er daarom van uit dat de korpschef op juiste gronden geen volledige inzage heeft verleend. Een ander oordeel zou volgens de Afdeling het onaanvaardbare resultaat hebben dat zonder beoordeling van de stukken zou moeten worden aangenomen dat de gedeeltelijke inzage onterecht is. De rechtbank heeft dan ook terecht geoordeeld dat de korpschef geen volledige inzage in de politiegegevens hoeft te verlenen. Het betoog van appellant slaagt in zoverre niet.
Verzoek om schadevergoeding
Met betrekking tot het verzoek om schadevergoeding van € 500.000 stelt de Afdeling vast dat artikel 8:89, tweede lid, Awb haar bevoegdheid in zaken over schadevergoeding beperkt tot een bedrag van € 25.000. Voor het meerdere verklaart de Afdeling zich onbevoegd; appellant dient zich daarvoor tot de burgerlijke rechter te wenden. Voor zover het verzoek moet worden opgevat als beperkt tot € 25.000, wijst de Afdeling het af. Appellant heeft namelijk niet onderbouwd dat hij schade heeft geleden als gevolg van het besluit van de korpschef.
Beslissing
De Afdeling verklaart het hoger beroep ongegrond en bevestigt de aangevallen uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 6 november 2024. Het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen voor zover dit betrekking heeft op een bedrag tot € 25.000. Voor het overige verklaart de Afdeling zich onbevoegd om van het verzoek om schadevergoeding kennis te nemen. De korpschef hoeft geen proceskosten te vergoeden. De uitspraak is gedaan door de enkelvoudige kamer en in het openbaar uitgesproken op 29 april 2026.
